Skinner-box

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schematische weergave van een Skinner-box

Skinner onderzocht operante conditionering met behulp van een door hemzelf ontworpen instrument dat hij de operante kamer noemde, maar dat algemeen bekend is geworden onder de naam de Skinner-box.

Inhoud

[bewerken] Uitvoering

Het betreft een eenvoudig kistje waarin zich een dier zoals een rat of een duif bevindt. Het dier wordt automatisch beloond met een stukje voedsel wanneer het specifiek gedrag vertoont, zoals het pikken op een druksleutel of het duwen op een metalen hendeltje. De druksleutel of het hendeltje zijn verbonden met een zogenaamde 'cumulative recorder' die de frequentie van de responsen (het aantal responsen per tijdseenheid) grafisch-visueel vastlegt. De 'cumulative recorder' betekende een vernieuwing in psychologisch experimenteel onderzoek omdat die het mogelijk maakte om het gedrag van een enkel organisme systematisch over langere tijd te bestuderen. Voordat de cumulative recorder zijn intrede deed werd in experimenteel onderzoek voornamelijk het gedrag van groepen organismen met behulp van statistische methoden met elkaar vergeleken, hetgeen vooral statische informatie opleverde. Skinner formuleerde zijn bevindingen in termen van conditionering. Als het dier een tijdje geen voedsel heeft gehad en in een Skinner-box wordt geplaatst vertoont het allerlei activiteiten. Plots zal het dier min of meer per toeval op de hefboom drukken, zodat er voedsel komt aanrollen. Een aantal uren later zal het dier nogmaals in de Skinner-box geplaatst worden. Het dier zal dan weer op de hefboom drukken en zo zal geleidelijk de frequentie van de drukresponsen toenemen. De gemiddelde frequentie van de reacties zal dus toenemen per tijdseenheid. Er is dus sprake van reïnforcement of bekrachtiging (versterking).

Dit kan positief of negatief zijn, in dit rattenexperiment van B.F. Skinner is er sprake van positieve bekrachtiging.

[bewerken] Opmerking

Skinner werd regelmatig reductionisme verweten omdat hij zijn onderzoeken verrichtte met dieren, zoals ratten en duiven. Desalniettemin was Skinner geen reductionist: hij vond niet dat mensen hetzelfde zijn als ratten en duiven. Ook was hij niet in het bijzonder in ratten- of duivengedrag geïnteresseerd. Skinner ging echter wel uit van de continuïteitshypothese: hij ging uit van de hypothese dat er een continuïteit bestaat in het gedrag van gewervelde organismen. Vanuit deze continuïteitshypothese was zijn keuze voor dieren bij het doen van onderzoek vooral pragmatisch: het is makkelijker gedragsprincipes te ontdekken en te onderzoeken bij relatief eenvoudige organismen als ratten en duiven waarbij hij ook nog een zekere controle had over de leergeschiedenis, dan bij een uiterst ingewikkeld organisme als de mens. In dit opzicht ging Skinner uit van een 'bottom-up-benadering'. De brede en succesvolle toepassing van de leerprincipes die Skinner bij onderzoek met dieren heeft ontdekt, onder andere in de gedragstherapie en het onderwijs, wijst erop dat hij wat betreft de continuïteitshypothese uiteindelijk gelijk heeft gekregen.

In zijn onderzoek stuitte Skinner uiteindelijk echter op een belangrijk punt waarin mensen en dieren wél fundamenteel van elkaar verschillen, namelijk in het gebruik van taal. In 1957 probeerde Skinner met zijn boek 'Verbal Behavior' deze zogenaamde taalbarrière te overwinnen door in dit boek een functionele en op operante leerprincipes gebaseerde visie op taal te ontvouwen. In 1959 schreef de linguïst Noam Chomsky een afwijzende, klassiek geworden recensie van dit boek. Skinner heeft zich nooit verwaardigd een schriftelijke repliek op deze recensie te geven met het argument dat Chomsky zijn theorie nauwelijks begrepen had. De controverse tussen Skinner en Chomsky kan in belangrijke mate gezien worden als een controverse tussen twee naast elkaar staande wetenschapsopvattigen, namelijk die van het functionalisme en het structuralisme. Een structuralistische theorie over taal, zoals die van Chomsky, houdt zich vooral bezig met de vorm van taal (bijvoorbeeld met de vraag wat zinnen grammaticaal correcte zinnen maakt) terwijl een functionele theorie over taal, zoals die van Skinner, zich vooral bezighoudt met het beantwoorden van vragen als waarvoor en onder welke omstandigheden taal gebruikt wordt.

[bewerken] Trivia

Skinner was betrokken bij Project duif gedurende en kort na de Tweede Wereldoorlog. Hierbij zouden met Skinners conditioneringstechniek getrainde duiven een onbemand vliegend projectiel naar het doel geleiden.

[bewerken] Gerelateerde onderwerpen

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen