Waterpas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een waterpas

Een waterpas (zowel de als het waterpas) of timmermanswaterpas is een instrument dat wordt gebruikt om te bepalen of een vlak of lijn precies horizontaal of verticaal is. Het bijvoeglijk naamwoord waterpas betekent nauwkeurig horizontaal ("deze vloer is niet waterpas") of nauwkeurig verticaal ("deze paal staat niet waterpas"). Er bestaan ook waterpassen die een hoek van 45 graden kunnen vaststellen.

Geschiedenis[bewerken]

De waterpas is uitgevonden door de Franse natuurkundige en schrijver Melchisédec of Melchisédech Thévenot. Hij was rijk en had goede connecties. Later kwam hij in dienst van Lodewijk XIV. Uit zijn correspondentie met Christiaan Huygens blijkt dat hij zijn uitvinding deed enige tijd voor 2 februari 1661.

Werking[bewerken]

Werking van een waterpas

De constructie van het meetinstrument is zeer eenvoudig. Het heeft een starre, vlakke ondergrond en een gekromd doorzichtig buisje, de libel, op een luchtbel na gevuld met een gekleurde vloeistof (meestal ethanol). In het midden van dit buisje zijn twee streepjes aangebracht met een tussenruimte gelijk aan de afmeting van de luchtbel. Water is minder geschikt vanwege de uitzetting bij bevriezen. De naam waterpas is dus misleidend. Er is sprake van het meten van de richting van de zwaartekracht. Vloeistofoppervlakken in rust staan loodrecht op de richting van de zwaartekracht.

Gebruik[bewerken]

Als het waterpas op het te controleren oppervlak wordt geplaatst en de bel in het buisje staat tussen de streepjes, dan is de stand waterpas. De correcte werking van een waterpas wordt gecontroleerd door het waterpas op te stellen, af te lezen, een halve slag (180°) te draaien en opnieuw af te lezen. Geeft het waterpas in beide posities een gelijke stand (dat wil zeggen afwijking van de horizontaal) dan is het waterpas goed. Zijn de twee standen niet gelijk, dan kan de fout van de waterpas hersteld worden door met de stelschroefjes naast de libel het halve verschil weg te regelen. Het waterpas wordt veelvuldig gebruikt in de bouw voor het stellen van deuren, kozijnen, muren etc. Voor de grotere objecten gebruikt men dan een zogenaamde stelwaterpas, een waterpas van grotere lengte (ca. 180 cm). Ook in de installatietechniek gebruikt men het waterpas voor het opstellen van toestellen en aanleg van leidingen.

In twee richtingen werkende libel of doosniveau

Een minder nauwkeurig soort waterpas is het doosniveau. Het bepaalt wel het horizontale vlak in alle richtingen tegelijk.

Andere instrumenten[bewerken]

Voor grotere afstanden is zijn andere type instrumenten geschikter, zoals laserwaterpassen. Landmeters gebruiken een waterpasinstrument, een soort verrekijker op een waterpas en kijken daarmee naar een baak in de verte.

Een makkelijk zelf te maken soort waterpas is het slang- of flesjeswaterpas. Dit bestaat uit een gewone tuinslang gevuld met water. Een doorzichtige slang met troebel water maakt het aflezen eenvoudiger.[1] In de flesjes-uitvoering zit aan beide uiteinden een glaasje met een afleesmogelijkheid. Een dergelijk waterpas is bijzonder handig om over grotere afstanden nauwkeurig twee objecten op dezelfde hoogte aan te brengen of te stellen, mits alle lucht uit de tuinslang is. De werking berust op de wet van de communicerende vaten.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Elements of Topographic Surveying op FAO.org