Willem Mengelberg
Joseph Wilhelm Mengelberg (Utrecht, 28 maart 1871 – Zuort, 22 maart 1951) was een Nederlands dirigent die van 1895 tot 1945 aan de leiding stond van het Concertgebouworkest in Amsterdam.
Inhoud |
Biografie [bewerken]
Opleiding en muziekcarrière [bewerken]
Willem Mengelberg werd in Utrecht geboren als vierde kind in een rooms-katholiek kunstzinnig gezin met zestien kinderen, van wie er enkele vroeg overleden. Zijn vader was de beeldhouwer, kerkinterieurbouwer en architect Friedrich Wilhelm Mengelberg. Zij behoorden tot een tak van de familie Mengelberg die veel kunstenaars heeft voortgebracht. Zijn beide ouders waren Duitsers van afkomst.
Mengelberg studeerde piano, compositie en orkestdirectie aan het conservatorium van Keulen. Na zijn glansrijk afstuderen ging hij in 1892 in Luzern werken als koor- en orkestdirigent. In 1895 werd hij uitgenodigd om Willem Kes bij het Concertgebouworkest in Amsterdam op te volgen. Kes had het orkest omgevormd tot een gedisciplineerd beroepsorkest. Mengelberg bouwde het in vijftig jaar verder uit tot een van de toonaangevende orkesten ter wereld.
Mengelberg werd veel gevraagd voor het geven van gastdirecties over de hele wereld. Tussen 1921 en 1930 was hij voor de helft van zijn tijd werkzaam bij het New York Philharmonic Orchestra, waaraan vanaf 1927 ook zijn 'rivaal' Arturo Toscanini verbonden was. Beroemd - en typerend voor de uitvoeringspraktijk van die tijd - waren zijn uitvoeringen van Bachs Matthäus Passion, die vanaf 1899 jaarlijks in Amsterdam plaatsvonden met het Toonkunstkoor Amsterdam. Op 14 april 1911 leidde hij een zeer grote uitvoering in Frankfurt met 1650 musici.
Mengelberg was bevriend met Gustav Mahler en dirigeerde in Amsterdam vele uitvoeringen van diens werk. Dit groeide uit tot de Mahlertraditie van het Concertgebouworkest, met als hoogtepunt het Mahlerfeest in 1920. Mengelberg stond toen op de top van zijn roem, ook internationaal. Hij heerste over de programmering van het orkest en het daarmee (toen nog) één geheel vormende Concertgebouw. Vanuit die positie deed hij veel voor grote namen als Mahler en Richard Strauss, maar ook voor zijn tweede dirigent Cornelis Dopper, wiens symfonieën vaak op het programma stonden. Componisten wier werk hij onspeelbaar achtte, zoals Matthijs Vermeulen, uitten echter felle kritiek op zijn conservatisme en op zijn machtige positie in het Nederlandse muziekleven. Die bleef echter onaantastbaar, dankzij zijn grote landelijke populariteit die zich niet beperkte tot het concertpubliek alleen.
Tijdens de bezetting en na de oorlog [bewerken]
Op 10 mei 1940 was Mengelberg in Duitsland. Hij verbleef ondanks de acute oorlogsdreiging in Frankfurt am Main. Twee weken later reisde hij door naar het Duits-Oostenrijkse kuuroord Bad-Gastein om te kuren; begin juli vertrok hij naar Berlijn voor grammofoonopnamen en concerten met de Berliner Philharmoniker. Terwijl Nederland in oorlog was met Duitsland trad Mengelberg op in de hoofdstad van het Duitse Rijk. Op 5 juli 1940 verscheen een interview in de Völkischer Beobachter, de officiële krant van de heersende NSDAP. Het pro-Duitse en collaborerende ochtendblad De Telegraaf publiceerde onder de kop 'Mengelberg heeft vertrouwen in onze cultureele toekomst' in Nederlandse vertaling grote delen van dit interview. De goede naam van Mengelberg liep door de volgende passage onherstelbare schade op: “Toen de wapenstilstand gesloten werd, bleven wij den heelen nacht op; het was in Bad-Gastein, en al was ik er tien maal voor de kuur, wij zetten ons met alle vrienden, lieten champagne komen en vierden dit grootsche uur. [...] Europa komt in nieuwe banen. [...] Natuurlijk waren er in Holland personen en kringen die anders georiënteerd waren, maar naar ik hoor laat zich vaststellen, dat die al rijkelijk veel geleerd hebben. [...] Wat zijn het allemaal kortzichtige lieden geweest. En hoe verstoken van alle inzicht waren de politici der Westelijke mogendheden, die den oorlog veroorzaakt hebben.”
Willem Mengelberg werd vanaf dat moment door veel Nederlanders als een landverrader gezien. In Amsterdam werden anonieme pamfletten verspreid met daarop de tekst: “Professor Mengelberg drinkt champagne, terwijl Nederland capituleert”.
Later in 1940 verscheen onder de kop Een interview over een interview een tweede interview in De Telegraaf. Willem Mengelberg verklaarde dat hij helemaal geen champagne op de Nederlandse capitulatie had gedronken en dat het eerder gepubliceerde interview was gehouden op verschillende momenten. De redactie van de Völkische Beobachter zou van alles door elkaar hebben gehaald
Tijdens het hoger beroep tegen de uitspraak van de Ereraad heeft ook de advocaat van Willem Mengelberg met succes aangevoerd dat het interview in de Völkischer Beobachter onbetrouwbaar was. De redactie zou gebruik hebben gemaakt van teksten uit verschillende gesprekken over gebeurtenissen op verschillende tijdstippen.
Tijdens de Duitse bezetting in Nederland verdween veel sympathie voor Mengelberg. Hij bleef concerten dirigeren in aanwezigheid van hooggeplaatste nazi-leiders, zoals rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, en liet zich met hen fotograferen. Hij verdedigde zijn opstelling door erop te wijzen dat "de muziek, net zoals de zon, voor iedereen bestemd" was. Dit argument werd niet geaccepteerd, omdat hij geen protest had laten horen toen de joodse orkestmusici in 1942 het Concertgebouworkest verplicht hadden moeten verlaten. Hij wist aan het begin van de bezetting nog muziek uitgevoerd te krijgen van zijn joodse (maar later tot het katholicisme bekeerde) vriend Mahler, maar dit werd hem later verboden. Ook van andere joodse componisten zoals Mendelssohn of van Russen als Tsjaikovski, die hij altijd graag had gedirigeerd, mocht de muziek op bevel van de Duitse bezetter niet meer gespeeld worden. Mengelberg legde zich er zonder protest bij neer.
In 1945 was Willem Mengelberg in Zwitserland. Hij was in 1944 voor het laatst in Nederland opgetreden in een Beethovencyclus met het Concertgebouworkest. De nazi's die andere Nederlanders niet lieten reizen, stonden hem wel toe om naar het neutrale Zwitserland te vertrekken.
De Ereraad, bestaande uit prof. mr. J.C. van Oven, Jos Vranken, Eduard Reeser en H. van den Bosch, sprak op 2 juli 1945 haar eerste ‘vonnis’ in een lange rij van zuiveringen uit. Willem Mengelberg werd levenslang uitgesloten van het Nederlandse muziekleven. Hij had zich volgens de ereraad tijdens de oorlogsjaren zodanig schuldig gemaakt aan “ontoelaatbare handelingen in strijd met de nationale eer, dat hij nooit weer de dirigeerstaf in Nederland behoort op te heffen.”
De eerste uitspraken van de ereraden waren zeer streng. Later werd duidelijk dat de meeste Nederlanders zich zozeer aan de Duitse bezetting hadden aangepast dat het massaal opleggen van zulke zware sancties juridisch en politiek onhoudbaar was. Desondanks werd de straf voor Mengelberg nooit aangepast.
Onderscheidingen [bewerken]
Mengelberg was in de jaren tot aan 1940 binnen Nederland een ware volksheld, werd koninklijk onderscheiden, kreeg eredoctoraten en vele buitenlandse onderscheidingen.
- 1898: Ridder in de Orde van Oranje-Nassau (al na drie jaar dirigeren)
- 1902: Officier in de Orde van Oranje-Nassau (bij bevordering)
- 1903: Officier de l'Instruction Publique
- 1907: Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw
- 1907: Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje
- 1913: Eremedaille voor Kunst en Wetenschap van de Huisorde van Oranje in goud
- 1914: commandeur 2e klasse in de Orde van de Dannebrog van Denemarken
- 1914: commandeur 2e klasse in de Orde van de Italiaanse Kroon
- 1927: doctor honoris causa van de Columbia Universiteit New York
- 1932: commandeur in de Kroonorde en de Orde van Leopold II van België
- 1932: commandeur in de Orde van Isabella de Katholieke van Spanje
- 1932: commandeur in de Orde van het Legioen van Eer van Frankrijk
- 1934: bijzonder hoogleraar in de reproductieve toonkunst aan de Universiteit Utrecht
- 1939: Grootofficier in de Orde van Sint-Gregorius de Grote van de Heilige Stoel
Hij verloor tijdens de eigen zuiveringsactie van de Huisorde van Oranje door Koningin Wilhelmina in 1947 zijn exclusieve eremedaille in een door haar genomen illegitiem besluit en wel op grond van een, in haar ogen, "eerloze daad". Ook zijn twee onderscheidingen van de Nederlandse staat - de Orde van Oranje-Nassau en de Orde van de Nederlandse Leeuw - moest hij in 1948 inleveren na de wettelijk geregelde zuivering van de staatsorden. Mengelberg heeft nooit begrepen waarom er zulke ernstige maatregelen tegen hem genomen werden. Voor zijn gevoel had hij nooit iets tegen zijn vaderland ondernomen en had hij zich nergens mee bemoeid. De buitenlandse onderscheidingen kon Mengelberg echter wel behouden, zelfs de onderscheidingen van staten die geallieerd waren geweest en geen lid van de Asmogendheden. De binnenlandse afrekening met Mengelberg kon niet op begrip van buitenlandse musici rekenen, aangezien Mengelberg nooit zelf een politieke uitspraak had gedaan of politiek actief geweest was geweest.
Postuum [bewerken]
Na de bevrijding kreeg hij in 1945 bij de zuivering van de Centrale Ereraad voor de Kunst een dirigeerverbod voor zes jaar. Eduard van Beinum, die al "eerste dirigent" was naast Mengelberg, werd nu de enige chef-dirigent. Kort voordat de periode van zes jaar zou aflopen, overleed Mengelberg in zijn chalet (Chasa Mengelberg) in Zuort in het Zwitserse kanton Graubünden. Op zijn 80e geboortedag werd hij begraven op Friedhof Friedental (zijn vrouw Mathilde Mengelberg-Wubbe rustte hier al sinds 1943) in de plaats Luzern waar hij in 1892 zijn muzikale carrière begon. Een goed jaar later (7 juni 1952) werd het echtpaar herbegraven; van een tamelijk onpersoonlijk 'Hallengrab' (ligplaatsen HF 504 en 505) naar een persoonlijker plek (nr. 1323, vak 36)[1].
Willem Mengelberg wordt tot op de dag van vandaag beschouwd als één van de grootste dirigenten van de 20e eeuw. Zijn dirigeerstijl is gedateerder en minder 'modern' dan die van tijdgenoten als Felix Weingartner en Arturo Toscanini - vooral door zijn romantische voorkeur voor veel rubato. De herinnering aan hem wordt levend gehouden door de Willem Mengelberg Vereniging die (anno 2010) in Nederland ongeveer 90 leden telt. In 1971 en 1995 werden in het Gemeentemuseum Den Haag tentoonstellingen gewijd aan zijn leven en werk.
Hij werd door de dirigent Riccardo Chailly - vijftig jaar na zijn dood - geëerd als de man die het Concertgebouworkest groot had gemaakt. Chailly, die hem zeer bewondert, legde een krans op Mengelbergs graf en bezocht in de zomer van 2010 de Chasa Mengelberg.
In 1993 werd in het dagblad Trouw de vraag gesteld of het niet tijd werd voor rehabilitatie van de grote musicus Mengelberg.[2][3]
Een postume beoordeling van de rechtsgang [bewerken]
In 2012 reconstrueerde mr. Frederik Heemskerk (oud-advocaat, Officier van justitie en Raadsheer in het Gerechtshof van 's-Gravenhage) de naoorlogse zuivering en rechtsgang. Mr. Heemskerk, die ook bestuurslid van de Willem Mengelberg Vereniging is, noemde de leden van de Ereraad die in 1945 een eerste oordeel over Mengelberg gaven "beunhazen". Zij oordeelden dat Mengelberg zich "zo schuldig had gemaakt aan ontoelaatbare handelingen in strijd met de nationale eer" dat hij een levenslang dirigeerverbod binnen Nederland kreeg opgelegd. De in Zwitserland verblijvende Mengelberg werd niet gehoord of opgeroepen. Hij kreeg geen gelegenheid zich te verdedigen en ontving geen afschrift van de uitspraak van de Ereraad.
Over het hoger beroep dat in 1947 op de nieuwe "Wet Zuivering Kunstenaars" was gebaseerd, merkte mr. Heemskerk op dat er 23 getuigen werden gehoord, maar dat Willem Mengelberg zélf geen verklaring af kon leggen en de zitting niet kon bijwonen. De Nederlandse regering had hem zelfs een paspoort, waarmee hij naar Nederland en weer terug naar Zwitserland kon reizen, geweigerd. Mr. Heemskerk kwam tot het oordeel dat de advocaat de afwezige Mengelberg "slecht had verdedigd".
De Raad van Beroep sprak Mengelberg vrij van de beschuldiging dat deze een glas champagne had gedronken op de Nederlandse capitulatie. Met het verdere oordeel was mr. Heemskerk het eens. Mengelberg had door zijn grote roem een voorbeeldfunctie moeten vervullen, maar dat heeft hij niet gedaan. In plaats daarvan hield hij zich aan het verbod op het uitvoeren van composities van "joodse componisten" en het spelen van "joodse muziek". Mr. Heemskerk kwam tot het oordeel dat er sprake was van een "grote mate van schuld"[4].
Trivia [bewerken]
- Willem Mengelberg wordt vermeld als aanwezige in het lied "Concertgebouw" (1937) door de bekende liedtekstschrijver Jacques van Tol.
- De echtgenote van Mengelberg, Mathilde Wubbe, was een volle tante van Nora Wubbe, de eerste echtgenote van Rudolf Mengelberg, een achterneef van Mengelberg.
Literatuur [bewerken]
- Hugo Tutein Nolthenius: Willem Mengelberg. Hollandia, Baarn, 1920
- Paul Cronheim (red.): Gedenkboek Mengelberg. Martinus Nijhoff, ’s Gravenhage, 1920
- A. van den Boer: De psychologische beteekenis van Willem Mengelberg als dirigent. L.J. Veen, Amsterdam, 1925
- Edna Richolson Sollit: Mengelberg and the symphonic epoch. Ives Washburn, New York, 1930. In het Nederlands vertaald als Mengelberg. Tjeenk Willink, Haarlem, 1931
- Edna Richolson Sollit: Mengelberg spreekt. Kruseman, ’s Gravenhage, 1935
- Wouter Paap: Willem Mengelberg. Elsevier, Amsterdam-Brussel, 1960
- A.F. Bax, R. Beins, K.A. Burgmeijer, C.C.J. von Gleich: Willem Mengelberg. Herdenkingstentoonstelling 20 maart - 9 mei 1971, Gemeentemuseum, Den Haag, 1971. ISBN 90-6114 003 X
- E. Bysterus Heemskerk: Over Willem Mengelberg, Heuff, Amsterdam, 1971
- Frits Zwart, Katja Brooijmans, Onno Mensink: Willem Mengelberg dirigent conductor. Tentoonstelling 3 mei t/m 25 juni 1995, Gemeentemuseum, Den Haag, 1995. ISBN 90-6730-101-9
- Frits Zwart: Willem Mengelberg, een biografie 1871-1920, Prometheus, Amsterdam, 1999. ISBN 90-5333 7407
Bronnen, noten en/of referenties
|