Desdochter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf DES-dochter)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Desdochters zijn vrouwen van wie de moeder tijdens de zwangerschap di-ethylstilbestrol, beter bekend als DES, heeft gebruikt. Dit is een verbinding met oestrogene activiteit, hoewel de chemische structuur niet verwant is aan die van het natuurlijke hormoon. Het trans-isomeer is actiever dan het cis-isomeer.

De stof is bekend geworden omdat hij van 1946 tot 1977 wel werd voorgeschreven aan zwangeren die eerder een of meer miskramen hadden gehad, in de hoop dat dit de kans op herhaling zou verminderen. Dat bleek echter niet het geval. De stof is naar schatting voorgeschreven aan tussen 189.000 en 378.000 Nederlandse zwangeren.

Wel ontstonden er met name bij vrouwelijke foetussen afwijkingen aan de inwendige geslachtsorganen, die tot een hogere kans op een anders zeldzame vorm van vaginakanker (clear-cell carcinoom) bleken te leiden. Die kans is overigens ook bij DES-blootstelling in de baarmoeder ca. 1 op 1000. Soms traden ook vormafwijkingen aan de baarmoeder op, waardoor de vruchtbaarheid van deze zogenaamde desdochters in sommige gevallen verminderd is. In sommige gevallen komen door de vormafwijkingen tijdens de zwangerschap afwijkingen van de ligging van de foetus voor, bijvoorbeeld een dwarsligging of een stuitligging. Deze problematiek is van afnemend belang omdat de meeste desdochters inmiddels de leeftijd waarop ze kinderen krijgen gepasseerd zijn.

Meestal is de enige bij desdochters waargenomen afwijking een wat grotere uitbreiding van het endocervicale epitheel (het slijmvlies in het kanaal van de baarmoederhals) dan normaal, tot over de hele ectocervix (dat deel van de cervix dat in de vagina zichtbaar is) en soms reikend tot op de vaginatop (ectropion). Dit heeft verder weinig consequenties, behalve een vaak iets overvloediger vaginale afscheiding dan gemiddeld. Wel wordt aanbevolen dat deze vrouwen geregeld een uitstrijkje laten maken.

Ook bij mannelijke foetussen komen afwijkingen aan de geslachtsorganen voor. Dit zijn met name knobbeltjes op de bijbal. In 1995 is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken, dat er geen verschil is tussen de vruchtbaarheid van deszonen en die van andere mannen. Ook is tot nu toe niet aangetoond dat deszonen meer dan gemiddeld kans hebben op zaadbalkanker of prostaatkanker.

In 2002 is gebleken dat zonen van desdochters een twee à drie maal hogere kans hebben op hypospadie, een aangeboren afwijking van de penis . Door het DES-verleden neemt de kans hierop van twee per duizend naar vier a zes per duizend toe.

Literatuur[bewerken]

  • Hans Emmering, DES-interesse. Amsterdam: Uitgeverij Augustus, 2008.

Externe link[bewerken]