Jaap Dronkers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Jacob (Jaap) Dronkers (Amsterdam, 12 januari 1945Haarlem, 30 maart 2016) was een Nederlands onderwijssocioloog.

Biografie[bewerken | brontekst bewerken]

Dronkers was een zoon van Jacob Dronkers (1912-1994) en Johanna Moerman (1912-1992). Hij trouwde met Tonny Vlaming met wie hij een zoon en een dochter kreeg. Hij studeerde af in de sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam in 1969 waarna hij in 1976 in dienst trad van het SISWO waar hij tot 1986 aan verbonden bleef, laatstelijk als hoofd Onderzoek van onderwijs en sociologie. Hij promoveerde in 1976 op Studenten en hun onderwijs. Daarna trad hij in dienst van de Katholieke Universiteit Brabant (Tilburg). In 1990 werd hij benoemd tot gewoon hoogleraar onderwijskunde, in het bijzonder stratificatie- en mobiliteitsvraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam, hetgeen hij bleef tot 1994. Van 1999 tot 2001 was hij gewoon hoogleraar aan die laatste universiteit in de empirische sociologie. Van 2001 tot 2009 was hij hoogleraar aan het Europees Universitair Instituut in Florence, en tot slot vanaf dat laatste jaar aan de Maastricht University. Van 2011 tot 2013 was hij verbonden aan het Centraal Planbureau.

Dronkers heeft vooral veel onderzoek gedaan naar het onderwijs. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van het empirisch sociologisch onderzoek op dat terrein. Hij stond tevens in de jaren 1990 aan de basis van de vergelijking van de kwaliteit van scholen zoals die jaarlijks in het dagblad Trouw verschenen.

Dronkers heeft zich daarnaast vaak beziggehouden met elite-onderzoek, om te beginnen in 1984 met Nederlandse elites in beeld. Rekrutering, samenhang en verandering, (in 1995) met 'De besturen van studentencorpora en de toegang tot de Nederlandse elites' en 'A university degree as gateway to the Dutch political and administrative elites from 1815 to 1960' (1996), opnieuw in 1997 met 'Het lidmaatschap van besturen van drie verschillende studentenverenigingen (Corps, RK, SSR) tussen 1920 en 1960 en de toegang tot de Nederlandse elites tussen 1960-1980'. Daarbij hield hij zich ook bezig met sociale stratificatie en sociale mobiliteit, en daarmee met ongelijkheid. Op 22 juni 2000 hield hij zijn inaugurele rede onder de titel De maatschappelijke relevantie van hedendaagse Nederlandse adel; over de adel zou hij in de jaren daarna nog geregeld publiceren, onder andere in Virtus.

In 2002 stichtte Dronkers, samen met Matthijs Kalmijn en Michael Wagner, het European Network for the Sociological and Demographic Study of Divorce (www.eudiv.org). Het netwerk komt jaarlijks samen op een conferentie en betekende een belangrijke katalysator voor het Europese echtscheidingsonderzoek. Dronkers speelde niet alleen een leidende rol in dit netwerk maar publiceerde zelf ook uitvoerig over echtscheiding. Hierbij legde hij steevast de link met zijn onderwijskundig onderzoek. Als zIjn belangrijkste publicatie geldt het onderzoek Stability and Change in the Educational Gradient of Divorce (met Juho Härkönen) over het effect van opleidingsniveau op echtscheiding. Dronkers en Härkönen tonen hierin aan dat de invloed van opleidingsniveau niet alleen verschilt naar land maar ook wijzigt doorheen de tijd.

Dronkers werd geëerd met de Prof. Dr. J.M.G. Leune-penning, werd benoemd tot doctor honoris causa van de Finse Universiteit van Turku en was erelid van de Nederlandse Sociologische Vereniging. Hij werkte mee aan honderden artikelen, congresbundels en redactiewerk voor bundels.

Prof. dr. dr. h.c. J. Dronkers overleed in 2016 op 71-jarige leeftijd.

Bibliografie[bewerken | brontekst bewerken]

  • [met W.J. Klok] Het trainen van studenten in het begeleiden van werkgroepen. Amsterdam, 1971.
  • [met W.J. Klok] Ïntroduktiedagen van een subfakulteit. Amsterdam, 1971.
  • [met W.J. Klok] De basisinleidingsfase in het eerstejaars onderwijs. Amsterdam, 1971.
  • De themagroepen tijdens de basisinleidingsfase van het eerstejaarsonderwijs. Amsterdam, 1971.
  • Studenten, themagroepen, kolleges en tentamens. Amsterdam, 1971.
  • [met W.J. Klok] Het trainen van docenten in het werken met grote groepen. Amsterdam, 1971.
  • Experimenten in het propedeuse onderwijs. Amsterdam, 1972.
  • De themafase: werkgroepen, studiemethodiek en colleges. Amsterdam, 1972.
  • Studenten en hun onderwijs. Een onderzoek naar de wisselwerking tussen universitair onderwijs en studenten. Groningen, 1976 (proefschrift).
  • Studiebijeenkomst over maatschappelijke achtergronden van intellectuele ontwikkeling. Amsterdam, 1977.
  • [met M.M.M. Jungbluth] Schoolloopbaan en geslacht. De invloed van geslacht op de schoolloopbaan in het Nederlandse primaire en secundaire onderwijs. Amsterdam, 1979.
  • En zijn de kinderen niet de dupe? Een empirisch onderzoek naar de effecten van betaalde beroepsarbeid door vrouwen op de leerprestaties van hun kinderen. Tilburg, 1986.
  • [met H.G. van der Stelt] Economische groei en onderwijsdeelname. Een empirische macro-sociologisch analyse van de groei van het Nederlandse secundair en tertiair onderwijs sinds 1945. Tilburg, [1986].
  • De bijdrage van de groei in onderwijsdeelname aan de economische groei 1960-1980. Tilburg, [1987].
  • Het effect van de schoolkenmerken richting en co-educatie op de individuele prestaties en het vervolg-advies in de jaren vijftig. Tilburg, [1987].
  • Ouders, liefde en geld. De relaties tussen ouderlijk milieu, schoolloopbaan, beroep, huwelijk en gezinsinkomen bij vrouwen. Tilburg, [1987].
    • Parents, love and money. The relations between parental class, cognitive skill, educational attainment, occupation, marriage and family-income among Dutch women. Tilburg, [1987].
  • [met H. Ubachs] De arbeidsmarkt-positie van sociologen en antropologen. Verslag van de NSAV-enquete. Tilburg, [1988].
  • Veranderingen in samenleving en economie en de groei van de onderwijsdeelname sinds 1960. Tilburg, [1988].
  • Working mothers and the educational achievement of their children. Tilburg, [1988].
  • Educational expansion and economic output in an European industrial nation during 1960-1980: The Netherlands. Tilburg, [1988].
  • New forms of social and educational inequalities. Tilburg, 1989.
  • Vermindert het belang van het gezin? Een proeve van empirische toetsing. Amsterdam, 1991 (inaugurele rede, Amsterdam, Universiteit van Amsterdam).
  • [met J. Gijtenbeek] Heeft financiële armoede gevolgen voor het welzijn van kinderen en thuiswonende jongeren? Een inventarisatie van literatuur en databestanden. Amsterdam, 1997.
  • De stabiliteit van het intern rendement van scholen in hetvoortgezet onderwijs. Een analyse van de inspectiegegevens over de schooljaren 1995/96 en 1996/97. Amsterdam, [1998].
  • [met P. Deckers] De stabiliteit van de toegevoegde waarde van basisscholen. Amsterdam, [1998].
  • De maatschappelijke relevantie van hedendaagse Nederlandse adel. Amsterdam, 2000 (inaugurele rede, Amsterdam, Universiteit van Amsterdam).
  • [met Péter Robert] The effectiveness of public and private schools from a comparative perspective. San Domenico, 2003.
  • [met Péter Robert] Are the new established religious "gymnasiums" in Hungary more effective?. San Domenico, 2003.
  • Ruggengraat van ongelijkheid. Beperkingen en mogelijkheden om ongelijke onderwijskansen te veranderen. Amsterdam, 2007.