Lieshout en zijn molens (Badings)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Lieshout en zijn molens
Componist Henk Badings
Soort compositie Suite voor blaasorkest
Gecomponeerd voor harmonieorkest, fanfareorkest
Toonsoort I: F groot;
II: b klein;
III: As groot;
IV: F groot
Andere aanduiding (The Windmills of Lieshout)
Compositiedatum 1976
Première 21 augustus 1976
Duur 15 minuten
Lieshout, Windmolen "De Leest"
Lieshout, Windmolen "De Leest"
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

Lieshout en zijn molens is een compositie voor harmonieorkest (symfonisch blaasorkest) en voor fanfareorkest van Henk Badings.

Geschiedenis[bewerken]

In het voorjaar van 1976 werd de componist Badings opgebeld door de burgemeester van het Brabantse dorpje Lieshout, met het verzoek om ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de plaatselijke harmonie "St. Caecilia" een werk te schrijven. Toen Badings, wellicht wegens gebrek aan tijd, in eerste instantie ietwat terughoudend reageerde, werd hem enige tijd later door het complete harmonieorkest voor zijn huis in de bossen van Maarheeze een serenade gebracht. En in een gesprek met de voorzitter, dirigent en burgemeester groeiden bij Badings de contouren van wat uiteindelijk Lieshout en zijn molens zou worden. Als officiële opdrachtgever werd het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk gevonden. Twee maanden later stond het werk al op de lessenaars.

De première van dit werk werd verzorgd door het jubilerende Harmonieorkest St. Caecilia Lieshout op zaterdag, 21 augustus 1976.

Muziek[bewerken]

Lieshout en zijn molens is het eerste werk dat Badings schreef voor een Nederlands harmonieorkest, waarvan hij eveneens een versie voor fanfareorkest maakte. In dit werk geeft Badings op eigen wijze een suggestieve sfeer- en natuurschildering van het Brabants landschap en het dorpje Lieshout, dat hij op een van zijn verkennende wandelingen beschreef als ...een sieraad in een nog ongeschonden natuur. Hij wandelde door de Ruweeuwsels, een klein maar waardevol natuurmonument nabij Lieshout en bracht uiteraard een bezoek aan de twee molens die het dorpje rijk is, De Leest en Vogelenzang geheten. Toch leidde dit niet tot een werk met een programmatisch karakter, daar Badings in principe geen componist is van programmamuziek. Het blijft bij een muzikale weergave van de lettergrepen van Lies-hout en Ba-va-ri-a, welke ritmisch door het werk heen klinken en of men bijvoorbeeld het slagwerk moet interpreteren als het geluid van een malende molen, blijft voor ieders eigen rekening.

Elk deel van deze vierdelige suite heeft een specifiek karakter, dat wil zeggen geheel verschillend van elkaar. Badings weet hiertoe te komen, dankzij een zorgvuldig gevolgd plan en samenstelling van tonaliteits- en klankaspecten, keuze van tempi, maatsoorten en ritme, enzovoort. Het werk is daarom zeer rijk aan afwisseling. Nog grotere verdienste echter is ongetwijfeld de eenheid in verscheidenheid die de suite kenmerkt, dankzij het gehanteerde cyclisch principe en de onderlinge samenhang van de toonsoorten in de afzonderlijke vier delen: F groot, b klein, As groot, F groot (overwegend kleine tertsrelaties, met als synthese de verminderde drieklank). In de eerste drie delen overheerst de thetische, in deel IV. de arsische thematiek.

I. Ouverture - Lieshout (Allegro)[bewerken]

Deel I in F groot. Wat de structuur betreft, ligt hieraan de zogenaamde hoofdvorm ten grondslag, met het daarvoor meest geëigende tempo Allegro. Alleen de even maatsoorten komen aan bod. Het karakter is overwegend markant, geladen met energie.
Het deel begint met een inleiding. Het eerste hoofdgegeven uit de expositie (1) getuigt ervan, welk een overdonderende indruk de Lieshoutse gemeenschap met hun bruisende vitaliteit en energie, op de componist heeft gemaakt. Dit gegeven, dat heel wat bouwstenen opleverde voor de verdere thematiek, duurt tot (2).
Overeenkomstig de principes van dit vormtype met nog altijd de wet van actie - reactie, heeft de componist gezorgd voor een tegenpool, geconcretiseerd in de gestalte van een 2e hoofdgegeven, dat een meer gedifferentieerd en rijker geschakeerd beeld oproept. Dit 2e, meer samengestelde gegeven en beginnend in de vierde maat na (2), wordt onder andere gekenmerkt door een meer open klank als gevolg van de horizontale grote tertsen. Het doet, hoewel het bepaalde trekken met het eerste gegeven gemeen heeft, toch nieuw aan, in aanzienlijk knapper van constructie, speelser van geest en vooral rijker van coloriet en aan dynamiek.
Daarbij maakt de componist gebruik van contrasterende tooncentra. Voor de scheiding van deze twee hoofdgedachten en met het oog op reliëfwerking, heeft Badings een in de HaFa-wereld tot toen nog niet aangewende zeer originele korte brug geslagen (2), nl. een klankenmodel van 3 maten, uitdijend van unisono tot octaaf met alle daartussenliggende chromatische tonen. Het zal duidelijk zijn, dat daarbij elke toonproductie even belangrijk is, bijgevolg elke gemiste toon de beoogde dichtheid van dit klankveld aantast, respectievelijk tenietdoet.
Zoals aan de gebezigde hoofdvormtype eigen, volgt na de volgt na de expositie de doorwerking. Het thematische materiaal uit de expositie ligt aan deze doorwerking ten grondslag. Het is in deze (bewerkings)techniek dat Badings zijn superieure vindingsvermogen en scherpzinnig constructieve meesterschap, op wel bijzondere wijze ten toon spreidt. Het "hart", beginnend bij vijf maten na (6) van deze doorwerking, wordt ontegenzeglijk gevormd door wat men zou kunnen noemen; het zeer "harmonische huwelijk" tussen de belangrijke partners, het beginmotief en het motief van het tweede hoofdgegeven uit de expositie. Het weerspiegelt een oase van rust. Dit samengroeien van twee motieven heeft als het ware een nieuwe zelfstandige gestalte "gebaard", die echter niet te loochenen familietrekken vertoont. Aan deze, in parallelle tertsen verlopende en in klank gesublimeerde eenheid van gedachten en gevoelens lyrische episode, verleent de toegepaste sequenstechniek de nodige stuwing en spanning. De lyrische hoedanigheid compenseert ruimschoots het gemis aan meer krachtige factoren, terwijl toch geheel wordt voldaan aan de eisen van contrastwerking t.o.v. de flankerende exposities.
Het hierboven omschreven nieuwe schepsel wordt kennelijk omringd en gevoed door een gelijkgezindheid van zijn begeleiders. Men proeft deze tendens in het geconcentreerde en in complementaire beweging verlopende muzikaal gebeuren. (De zogenaamde diagonale lijn) een doorzichtig gehouden instrumentatie laat hierop alle licht vallen. De derde in het bond, de contrabassist, verleent onder andere met zijn pizzicatospel, de nodige impulsen aan klank en beweging. De in de boog getekende lijn, een speels weergegeven muziekfenomeen, mondt ten slotte uit in de bij (8) opnieuw en dezelfde constructie vertonend, geslagen brug naar de reëxpositie, waarin de volgorde in optreden van de twee hoofdgegevens, omgekeerd is aan die in de expositie.
Met een korte coda (12), en sterk gecomprimeerde samenvatting van de kernen uit het gebruikte materiaal, wordt dit deel besloten.

II. Scherzo - De molens van Lieshout (Allegro molto)[bewerken]

Tenderend naar middeleeuwse tinten (bijvoorbeeld frygisch) heeft b klein als centrale. De scherzo-vorm is zeer terecht gekozen. Het tempo is snel en de maatsoort is driedelig. Dit deel heeft een wervelend karakter en krijgt een bijzonder illustratieve tekening.
De gekozen scherzovorm dekt volkomen de lading van dit deel. Badings' eigen woorden in de partituur (directiepartij) illustreren op wel zeer overtuigende wijze de impressies die in dit muzikaal portret gestalte kregen. Een bijzonder illustratieve en suggestieve rol krijgt de zeer gedifferentieerde slagwerksectie toebedeeld, waarmee deze sector opeens de gelegenheid wordt geboden meer solistisch voor de dag te komen, vooral tot genoegen van de bespelers zelf. Met een feilloos gevoel voor tekening laat de componist de, in vertraagde beweging opgebouwde arpeggio's (2), in drie pentatonische reeksen, respectievelijk op b, a en g en waarbij elke toon zijn specifieke, onmisbare rol vervult, groeien tot klankzuilen.
Tegen deze achtergrond en erbovenuit komt de in cirkelende beweging verlopende fluitpartij. De piccolo illustreert als het ware telkens het hoogste punt in de omwenteling van de wieken. De gestalte van het hiertegen geplaatste hoofdthema, dat aan het zachte koper toebedeeld is en archaïserend van werking is door de frygische modaliteit, komt tot tweemaal toe, gesepareerd door de illustratieve neerwaartse gang van de "wieken" partijen, bij (4) geheel volgroeid, in een sonoor, fraai harmonisch kleed tot klinken. Op dat punt draagt ook de hier op slechts één pentatonische reeks gebaseerde harmonische klankzuil, in niet geringe mate er toe bij, dat een volkomen ontspannen klank tevoorschijn komt.
Na (5) suggereert de harmonisch meer gecompliceerde achtergrond als het ware een confrontatie met de stroef in elkaar grijpende tandwielen. Tegen dit harmonisch patroon wordt alleen maar het eerste segment van het hoofdthema, de drietonige kop: sol, fa, mi, gebruikt, daarna een kleine terts lager herhaald. Door een verdere motiefsplitsing wordt deze melodische kop bij (6) zelfs teruggebracht tot slechts twee tonen (Frygische secunde). Ook die verkleinde gestalte wordt dan sequensmatig herhaald. Van de daarbij naar voren tredende, chromatisch dalende gang in de middenstemmen, gaat een ietwat melancholische werking uit.
Terwijl dit spel nog bezig is zich te voltrekken, tekenen zich reeds, als het ware in de verte, de contouren van het volgende, lichtere object af. Dit nieuwe hoofdgegeven, durend van (7) tot (9) en toebedeeld aan klarinet en dwarsfluit, heeft een totaal ander karakter nl. dartel en rank van aard.
Het is veelal in 5/4 beweging gedacht en wordt gesecondeerd (geïmiteerd) door de altsaxofoon tot aan (8), daarna tot (9) door een duellerende fagot. Van dit gehele gegeven mag een grote contrastwerking worden verwacht, aangezien alleen het hout (zelfs de contrabas doet met zijn "col legno" met het hout van de strijkstok mee) hierbij aan bod komt.
Zeer karakteristiek daarin is het tonaliteitsvoorkomen. Terwijl het hoofdgegeven, hoewel pentatonische trekken vertonend, toch als geheel de aeolische (kerktoon) tonaliteit aanhangt, houden de twee in afwisselende beweging en ostinato motieven verlopende tegenpartijen, zich elk bezig met een andere tonaliteit. In de onderregisters komt namelijk in een twee maten stijgende toonsgamma, de tonaliteit; in de alternerende bovenstemmen daarentegen een eveneens over twee maten verdeeld motief van overwegend reine kwarten, dat de pentatoniek representeert, aan de orde. In een wervelende beweging als het ware op hol geslagen wieken illustrerend, komt deze episode bij (9) tot plotselinge stilstand. Niet minder raak van weergave is de hierna volgende schildering met behulp van speciaal donkere orkesttinten, van het arcadische landschap met zijn diepgewortelde canadabomen (nostalgisch). Ten slotte wordt met een korte terugblik (11), op voornamelijk het eerste hoofdgegeven, dit deel besloten.

III. Notturno - Ruweeuwsels (Molto adagio)[bewerken]

In welgekozen driedelige liedvorm; staat in As groot. Een Adagio tempo in een overwegend 4/4 maat, met een alternatief, waarin eveneens de 5/8 aan bod komt. Van karakter zeer poëtisch-elegisch, maar ook hartstochtelijk bewogen, in een zeer fascineren klankbeeld met dramatische hoogtepunten.
De raak gekozen toonsoort As groot schept het ideale klimaat, waarin Badings is gekomen tot een verrukkelijk en imponerend muziekgebeuren. De vier maten slagwerk, gevolgd door een in eveneens vier maten, zeer sfeervolle innige, in donkere tinten gehouden episode, liefst door uitsluitend hout uit te voeren, vormen de inleiding tot de hoofdschotel van dit deel, beginnend bij (1). Een zwaarmoedige, in twee perioden verdeelde melodie met een enorme spankracht. Een zeer bewogen klankstuk in prachtvolle harmonieën, aangrijpend van karakter.
Het omringende polymelodische weefsel bij (1), maar meer nog in de episode (2) tot (3), is ongemeen boeiend. Aan het klankreliëf worden de hoogste eisen gesteld. Als alternatief fungeert een ritmisch, zeer markant gegeven in afwisselende maatsoorten. Dit gegeven staat in de minder donkere toonsoort Bes, met een hypofrygisch-melodische tendens. Eerst gebracht door alleen koper (3) tot (4), daarna met figurerend hout, gebaseerd op het beginmotief van het werk om met het intreden van het imiterende spel in de hoorngroep in een enorme spanning uit de monden bij (6). Op dat punt aangekomen, begint de herhaling van het eerste hoofdgegeven uit dit deel, maar nu tutti en omgeven door een rijk polyfoon stemmenweefsel. De episode (7) rondt dit deel in dezelfde sfeer af, als waarin werd begonnen.

IV. Rondo - 't Molenarinneke (Vivace)[bewerken]

Een finale in rondovorm, 6/8 maat en snel van tempo. Toonsoort F groot. Qua karakter overwegend speels, luchtig ongecompliceerd, naar het einde toe onstuimig, uitdagend.
Ook in dit deel zijn vorm en inhoud eveneens geheel op elkaar afgestemd, waarbij de gekozen toonsoort F groot niet alleen het juiste klimaat voor dit verhaal schept, maar tevens fungeert als afrondingstoonsoort (synthese) van heel deze suite. Na een inleiding van 8 maten, waarin speciaal de bongo's zorgen voor de juiste cadans, volgt het refrein in regelmatig gebouwde frasen van vier maten. Voor wat betreft de in dit refrein gebezigde taal kan het boven gedocumenteerde herhaald worden. In de verbindende schakel - twee maten vóór (4) tot vier maten na (4) - komt het eigentijdse klankbeeld weer tot gelding, terwijl in het hierop aansluitende couplet, waarin de componist een ruim gebruikmaakt van de sequens-techniek, de aandacht bijzonder op de verticale grote tertsen wordt gevestigd.
Dit couplet is als volgt geconstrueerd: eerst een gegeven tot aan (6) met duidelijke reminiscenties aan het tweede hoofdthema van deel I. Dit overwegend in tertsparallellen, maar in de slotformule afgewisseld met sexten verlopende melodische gegeven, een beetje uitdagen, frivool, koketterend van karakter en liefst door twee hobo's te spelen, krijgt in het lagere octaaf een canonisch tegenspel geboden door twee klarinet-partijen. Een derde (begeleidings)partij werd aan de hoorns toebedeeld (driestemmig).
Bij (6) volgt verder een gegeven met een ernstiger ondertoon melodisch gebaseerd op het eerste hoofdgegeven uit deel I. Het wordt door cornet gecontrapunteerd met gedachten die ontleend zijn aan het hoofdthema uit deel III. De prachtvolle harmonie die dit vergezelt, geeft zeer veel te genieten. Uiteindelijk wordt met een climax het hoogtepunt bij (8) bereikt. Na enige maten neemt de spanning af, mede door de dalende tonladderfiguren.
Nog eenmaal komt de refrein opnieuw tot leven (9). Twee overgangsmaten leiden daarna het volgende couplet in, dat, uiterst zacht beginnend, met een geleidelijk crescendo zijn climax bereikt (16). In dit couplet, waarvan de ingrediënten uitsluitend afkomstig zijn van thematisch materiaal uit de gehele compositie, viert de octotoniek hoogtij! Structureel is dit ook buitengewoon knap. Als in een legpuzzel worden de acht zelfstandige bewegingspartijen met bovendien rijkgeschakeerd vijf-partijig slagwerk, samengevoegd om bij (16) enkele maten lang te verwijlen en zich op te maken voor een laatste optreden van het refrein bij (17).
Deze laatste keer ondergaat het refrein een complete metamorfose. Als een nieuw klankfacet komt hierbij ook de mixtuur aan de orde. Tegen de bij poco meno lento optredende akkordiek in achtsten notenwaarden en waarin uitsluitend de tonen uit de octotonische toonladder op g, of zo men wil op bes, cis of e tot klinken komen, in een zodanige formatie dat majeur telkens afwisselt met mineur, plaatst Badings een begeleidende harmoniek, waarin een lydische tendens onmiskenbaar is. Hierbij zorgen de voortdurend doorgaande splitsing van lange notenwaarden in korte, plus een stringendo sin al fine voor een enorme dynamische climax, met een verrassende ontknoping tot besluit.

Discografie[bewerken]

Het werk werd op langspeelplaat opgenomen door Harmonie Excelsior Gemert onder leiding van Berry van Oort, Eurosound 46.315.

Orkestratie[bewerken]

Harmonieorkest[bewerken]

Houtinstrumenten Koperinstrumenten Strijkinstrumenten Slagwerk (Percussie)
piccolo in c trompetten I(div)+II(div) contrabassen pauken
dwarsfluiten I+II cornet I+II(div)+III(div) buisklokken, glockenspiel
hobo's I+II hoorns I+II+III+IV grote trom, kleine trom
fagotten I+II trombones I+II+III crashbekkens, hangende bekkens
esklarinet bariton (vioolsleutel) I+II+III tamtam, triangel
klarinetten in bes I+II+III+IV eufonium woodblock, bongo's
basklarinet tuba's I+II Brakedrums, Yazz-drums
altsaxofoons I+II
tenorsaxofoon
baritonsaxofoon

Externe link[bewerken]