Orpheus in de dessa
Orpheus in de dessa is een in 1903 verschenen roman van Augusta de Wit. Het verhaal speelt zich af in Nederlands-Indië.
De plot
[bewerken | brontekst bewerken]Hoofdpersoon van het boek is Willem Bake, die pas halverwege het boek met volle naam wordt gepresenteerd als “technisch ingenieur en millionair in spé”. Tot dan toe wordt hij met “Bake” aangeduid. Als deze Bake gedurende een warme dag de instructie voor een nieuw te bouwen machine leest, fascineert hem een zich herhalende fluittoon. Hij bevindt zich in een nederzetting op Java, in de tijd dat het eiland deel uitmaakt van Nederlands-Indië. Hij gaat op weg, langs een beek, op de rand van het in cultuur gebrachte gebied. Op een goed moment verstomt de fluittoon en keert Bake terug naar zijn werk.
’s Avonds hoort hij de fluittoon opnieuw. Langs een groep badende Javanen waagt hij zich in de richting van het woud. Onderwijl denkt hij aan zijn plannen voor een irrigatiesysteem, dat onder meer een stoommachine moet gaan aandrijven. In het donker fluistert er opeens iemand tegen hem. Een man die als “de Indo” wordt aangeduid, wijst hem op een leguaan in een meertje, die hij met het fluitspel van de overkant van het water wil lokken. De truc lukt. Hij slaat de leguaan dood en dan gaat hij samen met Bake naar de fluitspeler. Zo leert Bake Si-Bengkok kennen. Hij is kreupel en ook zijn naam betekent “de mismaakte”. Hij is de fluitspelende “Orpheus in de dessa”, die het boek zijn titel geeft. Betoverd door Si-Bengkoks fluitspel nodigt Bake hem voor de volgende avond naar zijn huis uit.
Si-Bengkok verschijnt de volgende avonden niet en pas avonden later wel en dan met duidelijke weerzin. “De Indo” legt die houding aan Bake uit, die blijkbaar relatief recent naar Indië is getrokken. Zijn verklaring is, dat “inlanders” alleen onder dwang iets voor “Hollanders” doen. Het leidt bij Bake tot overpeinzingen over de nawerkingen van de VOC-tijd en de hardhandige onderwerping van de Indonesiërs. Blijkbaar, stelt hij vast, zijn de verhoudingen nog altijd vergiftigd, ondanks een humanere koloniale politiek.
“De Indo” weet Si-Bengkok ertoe te brengen om toch naar Bake te gaan. Si-Bengkok wordt allengs opener en begint over het leven op de desa te vertellen. Het is eind april, de tijd van de rijstoogst. De rijstoogst valt goed uit, omdat de raad van een doekoen, Pak-Djono, een geestelijk dorpshoofd, wordt gevolgd, vertelt Si-Bengkok. De doekoen heeft voor de oogst ook een ritueel, de rijstbruiloft, laten doorvoeren, zoals die door de godin Dewi Sri wordt aanbevolen. Bake vraagt, of Si-Bengkok niet in Allah gelooft. Zeker, antwoordt die: “Allah is Heer over alles! maar Dewi Sri die zorgt voor de rijst!”Si-Bengkok vertelt vervolgens, hoe volgens hem het hele woud betoverd is. Hij vertelt, hoe Si-Djembar, een kluizenaar, spreuken gebruikt die voor een grote oogst van bijvoorbeeld suiker en palmsap zorgen. Gevraagd of Si-Djembar in de eenzaamheid niet bang is voor tijgers, antwoordt Si-Bengkok dat tijgers eigenlijk betoverde mensen zijn. Een vriendelijke omgang met ze maakt dat ze niet aanvallen.
De volgende dag gaat Bake weer aan het werk. Terwijl hij planningen voor de suikerplantage maakt, merkt hij hoe het denken van Si-Bengkok hem heeft beïnvloed. Gebouwen ziet hij als uitdrukkingen van liefde, zielsverhuizing als een mogelijkheid. Bake denkt terug aan een dag waarop hij aan een pier staand door duikers werd uitgenodigd om mee onder water te gaan. Hij ontdekte in de zee een andere wereld, die hij eerst niet kon bevatten. Om een andere werkelijkheid te bevatten is een andere manier van waarneming nodig, stelt hij terugdenkend vast. Zo verrijken de vertellingen van Si-Bengkok hem ook met een andere manier van waarnemen. Hij ziet zichzelf in eenheid met de natuur, die hem overrompelt en hem zichzelf als “een hoeveelheidje in de oneindigheid van leven” doet zien. Hij keert terug tot een manier van waarnemen, die die vertelster naïef-vroom, kinderlijk en dichterlijk noemt. Een plannende, wetenschappelijke manier van in het leven staan, ziet Bake ten slotte als “de meningen, de voornemens en de begeerten, die de zelfzucht hem pas als zo uiterst gewichtig voor zijn geluk had opdrongen”. Si-Bengkok vertelt op een volgende avond het verhaal van een godin, die het afwijst om nog meer macht te krijgen. Aansluitend speelt hij op aandringen van Bake een nieuw, eigen lied. Alle dieren in de omgeving reageren daarop. Ze dansen mee of worden juist rustig.
De suikerrietoogst is nu op zijn hoogtepunt, maar de stroopmachine die Bake heeft geïmporteerd, blijkt niet goed te werken. “De Indo” tipt hem dat het kan zijn dat “de mandoer”, iemand die met de machine werkt, die wellicht saboteert. Bake gaat op nachtelijke inspectie en betrapt “de mandoer” op heterdaad. Hij slaat hem uit woede neer en heeft later spijt van de agressieve daad, die hij vergeet omdat anderen er relativerend over spreken. Nu verloopt de verwerking van de oogst voorspoedig. Bake werkt aan één stuk door en droomt van het fortuin dat hem te wachten staat.
Op een avond vergist hij zich in zijn route en komt bij een meertje waar kinderen buffels naar het water leiden en spelen. Opeens breekt er onder hen groot enthousiasme uit, als Si-Bengkok eraan komt. Bake realiseert zich dat hij Si-Bengkok al bijna een maand niet heeft gezien. Hem wordt gezegd, dat Si-Bengkok wel degelijk naar zijn huis kwam, maar dat hij zo druk was, dat hij hem compleet uit het oog verloor. Daarmee vergat hij ook Si-Bengkok voor zijn muzikale diensten te betalen.
De komende weken is het dorp in de greep van voortdurende buffeldiefstallen. Bake wordt bang dat de oogst niet meer naar de fabriek kan worden getransporteerd. Hij merkt bovendien hoe indolent de dorpsbewoners met de diefstallen omgaan. Hij ergert zich in hoge mate over die houding. Het incident met de mandoer heeft hem negatiever over de houding van “de inlanders” doen denken. Als er weer buffels zijn gestolen, klinkt er een alarm in het dorp. “De Indo” en Bake gaan achter de dieven aan. Bake neemt een Sandelwood, een geweer, mee. “De Indo” zegt hoe hij een dief op een van de drie gesloten buffels zit te fluiten. Toch schiet Bake juist op hem om dan vast te stellen, dat hij Si-Bengkok heeft geraakt. Meteen voelt hij dat hij “in dat arme wezen ook zichzelven kwaad had gedaan”.
Op een kar die toevallig voorbijkomt, wordt Si-Bengkok – zijn hoofd in de schoot van Bake liggend – terug naar het dorp gebracht. Daar is op de fabriek een dokter. Bake wil zichzelf beschuldigen, maar vraagt in plaats daarvan werktuiglijk, hoe Si-Bengkok toch tot diefstallen kon overgaan. Die antwoordt dat hij een “al-te-arm mensch” is. Bake schaamt zich dat hij zelf aan groot fortuin dacht, maar nooit over het lot van “de inlanders” nadacht. Hij belooft om Si-Bengkok bij hem thuis op te nemen, nadat die door de dokter is behandeld, maar onderweg naar de fabriek sterft Si-Bengkok al. Het boek eindigt met zijn dood
Bekendheid
[bewerken | brontekst bewerken]Het boek omvat 152 dun bedrukte pagina's en was daarom een favoriet onder de Nederlandse scholieren van de twintigste eeuw. Ondanks het Nederlands uit het begin van de twintigste eeuw, gecombineerd met enkele Indonesische woorden, is het vanwege de duidelijke verhaallijn niet moeilijk te begrijpen.[1]
Boek(digitaal)
[bewerken | brontekst bewerken]- Hertaling naar modern Nederlands in 2025 door Rosanna Del Negro bij Uitgeverij kleine Uil.
- DBNL versie Orpheus in de Dessa