Provocatie (België)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Provocatie)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Provocatie of uitlokking van een misdrijf kan naar Belgisch strafrecht twee vormen aannemen. Bij politionele provocatie dragen politie of parket bij aan de wil van een ander om een misdrijf te plegen, waardoor het niet vervolgbaar is. Bij verschonende provocatie wordt de wettelijke strafmaat op doodslag en slagen en verwondingen verlaagd vanwege specifieke omstandigheden die de emotionele weerbaarheid van de dader hebben aangetast (namelijk zwaar geweld tegen personen of afwering van inbraak overdag).

Politionele provocatie[bewerken]

Van politionele provocatie is sprake wanneer bij iemand het voornemen om een misdrijf te plegen rechtstreeks is ontstaan of versterkt door toedoen van de politie, of wanneer de politie het misdadig voornemen heeft bevestigd terwijl de dader wilde ophouden (artikel 30 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering). Met de politie worden gelijkgesteld derden die handelen op hun uitdrukkelijk verzoek.[1]

Provocatie van een misdrijf is verboden.[2] Dit verbod is ingeschreven in het wetboek door de wet van 27 december 2005, nadat een eerdere regeling was vernietigd door het Arbitragehof.[3] Indien men toch provoceert, is de sanctie de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering met betrekking tot de uitgelokte feiten.[4] De feiten zijn eenvoudigweg niet meer vervolgbaar.

Het volstaat niet dat de politie een gelegenheid heeft geschapen om vrij een strafbaar feit te plegen (bv. het plaatsen van een 'lokfiets', het rondwandelen als 'lokvrouw'). Provocatie veronderstelt dat de politie bedrieglijke middelen heeft ingezet om aan te zetten tot het misdrijf. Zo zou het voor de opsporing van grooming nog een toelaatbare list zijn om in te loggen en te chatten onder een nickname die een minderjarig kind suggereert, maar niet om de als kind vermomde agent zelf avances te laten maken. Bij het gebruik van bijzondere opsporingsmethodes wordt soms een dunne grens bewandeld.

Het onderscheid tussen provocatie en proactieve recherche wordt steeds vager. Onder proactieve recherche wordt verstaan het opsporen, verzamelen, registreren en verwerken van gegevens en inlichtingen op grond van een redelijk vermoeden van te plegen of reeds gepleegde maar niet aan het licht gebrachte feiten in het kader van criminele organisatie, terrorisme en dergelijke met het doel tot het vervolgen van de daders van misdrijven te komen.[5] Het Hof van Cassatie oordeelde in 2010 dat het plaatsen van een voertuig met daarin een laptop in een probleemwijk in het kader van een antidiefstalcampagne geen provocatie betreft.[6]

Verschonende provocatie[bewerken]

Het Strafwetboek voorziet twee gevallen waarin uitlokking een strafverminderende verschoningsgrond vormt.[7] Het uitgelokte misdrijf blijft strafwaardig, maar krijgt een lagere maximumstraf. Die geldt enkel voor de daders en deelnemers die onder de invloed van de provocatie stonden (persoonlijk karakter).

Artikel 411 Sw. erkent dat zware gewelddaden tegen personen iemand kunnen provoceren tot opzettelijke doodslag of toebrenging van slagen en verwondingen. Het provocerende geweld moet wederrechtelijk zijn, maar niet noodzakelijk gericht tegen de pleger van het verschoonbare misdrijf. Vereist is voorts dat de uitlokking onmiddellijk is, wat inhoudt dat de verschoonbare handelingen geheel onder de invloed van de uitgelokte emoties zijn gesteld (direct causaal verband). Zelfs een moordenaar kan onder zulke invloed staan, ondanks de voorbedachtheid waarmee hij per definitie handelt. In de rechtspraak worden 'zware gewelddaden tegen personen' soms ruim opgevat: een beledigende kaakslag, een beschuldiging van incest, onophoudelijke bedreigingen, enz. Naast fysiek komt dus ook moreel geweld in aanmerking. Uitlokking door zware gewelddaden tegen personen is verwant aan andere concepten zoals onweerstaanbare dwang en wettige verdediging.

Wie overdag een inbraak in een bewoond huis met geweld afweert, wordt door art. 412 Sw. geacht geprovoceerd te zijn, behalve als hij niet kon geloven dat personen zouden worden aangerand (hetzij als directe bedoeling, hetzij in reactie op weerstand). Hier voorziet de strafwet dus een weerlegbaar vermoeden van uitlokking. Tot 1997 bestond er ook een vermoeden ten gunste van de bedrogen echtgenoot die geweld pleegde tijdens op heterdaad betrapt overspel.[8]

De rechter die de aanwezigheid van uitlokking vaststelt, is verplicht strafvermindering toe te staan. De minimum- en maximumstraffen worden gevoelig herleid overeenkomstig artikel 414 Sw. Ten aanzien van andere misdrijven dan doodslag, slagen en verwondingen is uitlokking geen verschoningsgrond, maar kan het worden ingeroepen als verzachtende omstandigheid. In het licht van de feiten kan de rechter dan een facultatieve strafvermindering verlenen (waarbij zelfs het aanvaarden van de uitlokking nog niet noodzakelijk tot strafvermindering moet leiden).