Vermogen (economie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het vermogen van een rechtssubject is de waarde van alle bezittingen, verminderd met de waarde van alle schulden. Bij bedrijven spreekt men van eigen vermogen.

Bezittingen kunnen bestaan uit spaargeld, aandelen en obligaties, antiek, auto's, sieraden, een eigen woning. Bezittingen die bij een normaal huishouden horen, zoals kleding, beddengoed, keukengerei, een PC, een televisie etc. worden soms niet bij het vermogen gerekend.

Vermogensaanwas kan worden beschouwd als sparen in de ruime zin van het woord.

Nederland[bewerken]

Het vermogen van een rechtssubject is de waarde van alle goederen, verminderd met de waarde van alle schulden.

Fiscale aspecten van particulier vermogen[bewerken]

Er is geen aparte, algemene vermogensbelasting, maar wel bijvoorbeeld de onroerendezaakbelasting. Voor de inkomstenbelasting valt de eigen woning in box 1, een aanmerkelijk belang in een bv in box 2, en overige beleggingen, spaargeld en bijvoorbeeld huizen waar de eigenaar niet in woont (voor eigen gebruik als vakantiehuis en/of verhuurd) in box 3.

Vermogen kan onder meer worden ondergebracht in een speciale eigen spaargeld-bv.[1] De winst is dan het werkelijke rendement op het spaargeld, verminderd met de kosten van de bv. Bij een winst tot € 200.000 is de vennootschapsbelasting 20%. De nettowinst kan direct als dividend worden uitgekeerd, of eerst nog in de bv blijven, maar vroeg of laat wordt de nettowinst als dividend, of vervreemdingsvoordeel bij vervreemding of liquidatie, in box 2 belast tegen een tarief van (nu) 25%. Dit is (als de kosten even buiten beschouwing worden gelaten) bij elkaar 40% van het werkelijke rendement op het spaargeld. Als het rendement bijvoorbeeld 1% is, is de belasting 0,4% van het vermogen, lager dan in box 3.

Geschiedenis[bewerken]

In Nederland werd over het vermogen van particulieren in het verleden vermogensbelasting betaald, naast een inkomstenbelasting op ontvangen rente. Met de herziening van het belastingstelsel op 1 januari 2001 is de vermogensbelasting vervallen en vervangen door een belasting op het fictieve rendement dat het vermogen oplevert, de vermogensrendementsheffing (box 3). Omdat het fictieve rendement wordt belast zou men ook kunnen stellen dat dit feitelijk wel een vermogensbelasting is, terwijl de (werkelijke) inkomsten zijn vrijgesteld van inkomstenbelasting. Men zou dan kunnen stellen dat de 4% en de 30% afzonderlijk niet van belang zijn, en dat het alleen gaat om het product, 1,2%. Echter, voor inkomensafhankelijke regelingen is de 4% wel van belang, zie verderop.

Vermogenstoetsen[bewerken]

Een vermogenstoets in de sociale zekerheid houdt in dat vermogen een beletsel kan zijn voor een recht op uitkering. In ruimere zin kunnen eronder gerekend worden regelingen volgens welke men minder ontvangt of meer eigen bijdrage betaalt naarmate men meer vermogen heeft.

Vermogenstoetsen verschillen onder meer ook in de soorten vermogen die worden meegerekend.

In de sociale zekerheid in Nederland zijn er de volgende vermogenstoetsen:

  • Niet alleen box 3 vermogen maar ook overwaarde van het eigen huis en de waarde van een auto tellen mee:
    • Kwijtschelding gemeentelijke belastingen.
    • Vermogenstoets in de Participatiewet; per 1 januari 2013 voor een alleenstaande € 5.795, voor samenwonenden in totaal het dubbele.
    • Vermogenstoets in de IOAZ; per 1 januari 2013 telt bij de berekening van de IOAZ-uitkering het eigen vermogen tot € 127.400 niet mee. Als de zelfstandige een pensioentekort heeft, telt bovendien een bedrag tot maximaal € 114.131 voor aanvullende pensioenvoorzieningen niet mee. Bij een groter vermogen telt 4% van het meerdere als inkomen.[2][3]
  • De bezittingen min de schulden in box 3 tellen mee (box 3 vermogen), plus de (in box 3 vrijgestelde) groene beleggingen:
    • Als dit vermogen groter is dan het heffingvrije vermogen van box 3 is er geen recht op Overbruggingsregeling AOW[4]
    • Als dit vermogen groter is dan het heffingvrije vermogen van box 3 is er geen recht op huurtoeslag (dit is de standaardvermogenstoets van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen; deze is echter alleen ongewijzigd van toepassing op de huurtoeslag).
    • Als dit vermogen groter is dan het heffingvrije vermogen van box 3 plus € 80.000 is er geen recht op zorgtoeslag en kindgebonden budget. Bij fiscale partners gaat het om het gezamenlijke vermogen en het gezamenlijke heffingvrije vermogen, maar geldt de € 80.000 maar één keer.
  • Alleen het box 3 vermogen telt mee (in box 3 vrijgestelde bezittingen dus niet):
    • Als dit vermogen groter is dan het heffingvrije vermogen van box 3 is er geen recht op rechtsbijstand volgens de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).
  • Er is geen expliciet maximaal vermogen waarboven men het betreffende recht niet heeft, maar het betreft een "inkomensafhankelijk" recht, waarbij het inkomen wordt onderworpen aan een vermogensinkomensbijtelling (VIB), dit is een vermogensafhankelijke opslag op het inkomen, naast het forfaitaire rendement van 4% dat meetelt als inkomen:
    • De verschuldigde eigen bijdragen worden voor de Wlz geregeld in het Besluit langdurige zorg (Blz) en voor de Wmo in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Artikel 3.3.2.3, lid 1, Blz, regelt het bijdrageplichtig inkomen; onderdeel c bepaalt dat het inkomen waarmee wordt gerekend wordt vermeerderd met 8% van de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Voor gehuwden is dat 8% van de gezamenlijke grondslag voor sparen en beleggen. Samen met de 4% forfaitair inkomen in box 3 is dit 12%. Als een alleenstaande blijvend verblijft in een verzorgingstehuis (zie eigen bijdrage Wlz) is het marginale tarief volgens welke vermogen moet worden afgestaan per jaar dan ook 12% per jaar. Als bijvoorbeeld het werkelijke bruto rendement op het vermogen 2% is moet men dus boven het vrijgestelde vermogen per jaar 10% interen. Wie nog niet de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt heeft en in een Wlz-instelling verblijft wordt een extra vermogensvrijstelling van € 10.000 verleend bij het bepalen van de eigen bijdrage.[5]
  • Er is geen expliciet maximaal vermogen waarboven men het betreffende recht niet heeft, maar het betreft een inkomensafhankelijk recht, waarbij het forfaitaire rendement van 4% meetelt als inkomen (impliciete vermogenstoets). Voorbeeld:
    • Binnen bepaalde grenzen voor wat betreft het verzamelinkomen veroorzaakt inkomen een verlaging van het kindgebonden budget van 7,6% van dat inkomen. Vermogen boven de heffingsvrije voet veroorzaakt dus (gezien het forfaitaire rendement van 4%) per jaar een verlaging van het kindgebonden budget van 0,304% van dat vermogen.

Bij veel regelingen tellen dus de eigen woning en de eigenwoningschuld en de kapitaalverzekering eigen woning niet mee voor het vermogen; als er geen eigenwoningschuld is telt de eigen woning ook niet mee voor het inkomen. Al of niet ingegane lijfrente en tweedepijlerpensioen tellen vaak ook niet mee voor het vermogen; als ze zijn ingegaan vormen ze wel inkomen.[6]

Bij de bijstand telt wegens het wettelijke afkoopverbod tweedepijlerpensioenvermogen niet als vermogen, maar derdepijlerpensioenvermogen wel. De regering werkt echter aan een Wetsvoorstel facilitering pensioenregeling zelfstandigen dat een pensioenfonds mogelijk maakt los van werknemerschap, waarbij het kapitaal voor de bijstand niet als vermogen telt.[7][8] Er zal een maximum (jaarlijkse pensioenuitkering niet hoger dan 2 x AOW) komen aan het totaalbedrag aan pensioenvermogen dat niet wordt meegeteld.[9] Er wordt gedacht aan een "pensioenregeling" zonder verzekeringselement, namelijk een soort lijfrentebeleggingsrecht (bancaire lijfrente op basis van beleggen), maar dan met de speciale uitsluiting bij de vermogenstoets van de Participatiewet.[10][11] In december 2014 zijn nadere plannen bekendgemaakt.[12][13]

Er is een internetconsultatie over een concept Wetsvoorstel tot wijziging van de Participatiewet in verband met de bescherming van lijfrenteopbouw, en van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de stimulering van pensioenopbouw (Wet bescherming lijfrenteopbouw en stimulering pensioenopbouw)[14], dat onder meer bepaalt dat in de Participatiewet onder het kunnen doen van een beroep op een voorliggende voorziening, of het redelijkerwijs kunnen beschikken over vermogens- en inkomensbestanddelen, niet wordt verstaan het op verzoek van het college:

  • Indienen door de belanghebbende van een aanvraag tot vervroeging van de ingangsdatum van een ouderdomspensioen, zolang belanghebbende nog niet de AOW-leeftijd heeft bereikt.
  • Benutten van de mogelijkheid om te beschikken over een lijfrente overeenkomstig bepaalde voorwaarden.

Vrijstellingen[bewerken]

Soms wordt bij een vermogenstoets een speciale uitzondering gemaakt.[15]

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, artikel 9bis (Overgangsrecht vermogenstoets letselschade-uitkeringen) bepaalt dat voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget als vermogen is vrijgesteld een schadevergoeding voor een letselschade waarvan de hoogte is vastgesteld vóór 11 oktober 2010. Zo'n vrijstelling geldt ook voor de VIB. Bij een later vastgestelde schadevergoeding kon of kan rekening gehouden worden met de vermogenstoetsen en de VIB.

De vrijstellingen hebben betrekking op de vermogenstoetsen en de VIB, niet op het box 3 inkomen.[16]

De Wet van 21 november 2015 tot wijziging van de Participatiewet in verband met de bescherming van lijfrenteopbouw en de vrijlating van inkomsten uit arbeid en wijziging van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met de bevordering van vrijwillige voortzetting van pensioenopbouw (Wet vrijlating lijfrenteopbouw en inkomsten uit arbeid en bevordering vrijwillige voortzetting pensioenopbouw) regelt dat bij de vermogenstoets in de Participatiewet lijfrentevoorzieningen buiten beschouwing worden gelaten onder de volgende voorwaarden:

  • De totale waarde ten tijde van de aanvraag om bijstand bedraagt minder dan € 250.000.
  • Vermogen afkomstig van inleg tijdens de toetsingsperiode van vijf jaar voor de aanvraag om bijstand, is slechts vrijgesteld als in elk van deze vijf jaar ten minste enige inleg is gedaan en voor zover deze niet meer heeft bedragen dan € 6000 per jaar.
  • Voor de afbakening van de lijfrentevoorzieningen waarop deze vrijlatingsregeling van toepassing is, wordt aangesloten bij de begripsomschrijving in de belastingwetgeving van de lijfrenten die in aanmerking komen voor fiscale faciliëring. Daarbij gaat het uitsluitend om de aard van de lijfrenten en niet om de vraag of in het individuele geval de lijfrente voldoet aan de voorwaarden voor belastingfaciliteiten. Een pensioentekort als reden van inleg is dus geen vereiste, en er wordt naast het al genoemde geen maximum gesteld aan de gedane inleg per jaar.

Lijfrente-uitkeringen tellen wel als inkomen. Als tijdens de genoemde toetsingsperiode wordt overeengekomen dat deze later ingaan dan eerder overeengekomen, dan tellen de lijfrente-uitkeringen die volgens de eerdere afspraken zouden zijn uitgekeerd als inkomen.

Toekomst[bewerken]

De Commissie Van Dijkhuizen heeft voorgesteld de vermogenstoets voor de huurtoeslag te versoepelen tot die van de zorgtoeslag en het kindgebonden budget.

Beleidsoptie 9 van het IBO Inkomen en vermogen van ouderen is het meetellen van de overwaarde van het eigen huis bij vermogensinkomensbijtelling, eventueel in combinatie met een systeem zoals de Ierse Nursing Home Loan: het geld voor de eigen bijdrage wordt geleend, en afbetaald na overlijden.

Beleidsoptie 10 is het meetellen van de overwaarde van het eigen huis bij andere vermogenstoetsen.

De regering is van plan geweest vanaf 2015 bij de dan in te voeren ouderencomponent huishoudentoeslag en bij de zorgtoeslag en het kindgebonden budget een gestaffelde vermogenstoets toe te gaan passen.

Gedragseffecten[bewerken]

Gedragseffecten zijn onder meer dat mensen schenkingen gaan doen.[17]

Geschiedenis[bewerken]

De Overgangswet verzorgingshuizen (bij indiening nog getiteld Overgangswet bejaardenoorden) uit 1996 bracht verzorgingstehuizen onder de toenmalige AWBZ, waarbij de expliciete vermogenstoets verviel. Voordien was er wel een expliciete vermogenstoets bij verzorgingstehuizen, maar niet voor verpleegtehuizen.

De Wet hervorming kindregelingen heeft een extra tegemoetkoming voor alleenstaande ouders in onder meer de IOAW, Anw, TW en AOW vervangen door een alleenstaande-ouderkop in het kindgebonden budget, wat voor deze gevallen een vermogenstoets introduceerde.

Externe links[bewerken]