De domineesdochter

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De domineesdochter
Oorspronkelijke titel A Clergyman’s Daughter
Auteur(s) George Orwell
Vertaler Elizabeth Stortenbeker
Land Engeland
Taal Nederlands
Oorspronkelijke taal Engels
Uitgever Meulenhoff
Oorspronkelijk uitgegeven 1935
Pagina's 302
ISBN-code 90-290-0373-1
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De domineesdochter (A Clergyman’s Daughter) is een roman van de Engelse schrijver George Orwell uit 1935. Dorothy Hare was de 27-jarige dochter van een Anglicaanse dominee. Hoewel ze zich altijd uit de naad werkte, kon ze nooit goed doen voor haar vader. Het werd haar allemaal te veel.

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De domineesdochter[bewerken]

Dorothy Hare wijdde haar hele leven aan parochiewerk. Ze stond in voor het onderhoud van de kerk, deed de boekhouding van de kerkfondsen en hield de parochieregisters bij. Dorothy bezocht parochieleden aan huis, bracht het parochiekrantje rond, gaf kooklessen, las romans voor en zorgde voor de zondagsschool. Ze was ook verantwoordelijk voor oogstfeesten, schoolopvoeringen, toneelstukken, historische optochten, processies, bazaars en rommelmarkten.

De dominee[bewerken]

Haar vader Charles Hare was dominee van de Anglicaanse Sint-Athelstankerk in Knype Hill, Suffolk. Hij leidde de misdiensten op een onberispelijke manier, maar liet het parochiewerk volledig aan zijn dochter over. Zij moest het maar oplossen. Dominee Hare kon met niemand goed opschieten, waardoor het aantal kerkgangers slonk met de jaren. Hij was arm, zat tot aan zijn nek in de schulden en weigerde zijn rekeningen te betalen. Hij had veel geld verloren aan risicovolle beleggingen in koloniale ondernemingen. De dominee trok het zich niet aan, negeerde al zijn problemen. Hij nam een aristocratische houding aan en leefde in de wereld van zijn verbeelding. De weduwnaar reageerde zijn chronische ergernis af op zijn enige dochter met sarcastische opmerkingen. De karweitjes kwamen bijna altijd weer neer op haar schouders, maar het was nooit goed genoeg. Dorothy zonk steeds dieper in de put. Ze legde zichzelf straffen op, als ze niet haar best gedaan had. Ze nam koude baden en prikte zichzelf in de arm met een speld tot bloedens toe. Het was een schild tegen onchristelijke gedachten.

Het dorpsschandaal[bewerken]

Mr Warburton was een 48-jarige schilder. In het dorp werd hij beschouwd als een zondaar en godslasteraar wiens leven bestond uit één lange reeks van klinkende schandalen. Hij was volledig verstoken van enig gevoel van schaamte. Tot een jaar geleden had hij samengeleefd met zijn buitenlandse huishoudster, ze had hem verlaten en zijn drie “bastaardjes” woonden nu bij een familielid in Londen. Bij iedere acceptabele vrouw die hij ontmoette, waagde hij altijd een poging. Er was een soort vriendschap gegroeid tussen Mr Warburton en Dorothy. Ook bij haar maakte hij zo nu en dan avances. Maar Dorothy wilde niet gekust worden door een man; ze had een grondige hekel aan handtastelijkheden. Op de achtergrond loerde altijd de suggestie van die andere monsterachtigheden. Ze verafschuwde “al dat gedoe” (dat was haar benaming ervoor). Daarom zou ze nooit kunnen trouwen. Het was haar persoonlijk geheim.

Van huis weggelopen[bewerken]

Na een bezoek bij Mr Warburton voelde Dorothy zich 's avonds verschrikkelijk moe. Opeens stond zij in de straten van Londen. Ze had niet het flauwste idee wie ze was; ze kende zelfs haar naam niet meer. Haar verleden was uitgewist. Van de ene dag op de andere plonsde ze in een vreemde, vuile subwereld. Hij bracht haar naar de hopvelden van Kent, de daklozen van Londen en een particulier schooltje van de vierde rang.

Vertaling[bewerken]

George Orwell, “De domineesdochter”, vertaald door Elizabeth Stortenbeker, ISBN 90-290-0373-1