Haat zaaien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Haat zaaien is het met woord of daad aanzetten tot haat jegens een individu of bevolkingsgroep, bijvoorbeeld op grond van ras, geslacht, leeftijd, land van herkomst, godsdienst, seksuele voorkeur, handicap, taalvaardigheid, levensbeschouwing, politieke overtuiging, sociaal-economische klasse, beroep, uiterlijk en dergelijke. De term heeft betrekking op geschreven en gesproken tekst en andere uitingen zoals spotprenten en op bepaalde gedragingen in het openbaar. Haat zaaien wordt in de meeste Europese landen opgevat als misbruik van de vrijheid van meningsuiting, een vrijheid die daar dan ook niet absoluut is, zij het dat het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens slechts een beperking toestaat onder strikte, in detail uitgewerkte voorwaarden, die door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ook nog een restrictief worden uitgelegd. De Nederlandse Grondwet is vager en garandeert een vrijheid van meningsuiting "behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet". In de Verenigde Staten daarentegen wordt de grondwettelijke (eerste amendement) vrijheid van meningsuiting wél als absoluut opgevat en zou een wet tegen haatzaaien daar dientengevolge ongrondwettig zijn.

Verschil met belediging[bewerken]

De bepalingen in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht die met "haat zaaien" worden geassocieerd staan Titel V. van het Tweede Boek van dit wetboek, onder de titel "Misdrijven tegen de openbare orde", terwijl "Belediging" (smaad, laster, etc.) aan de orde komt in Titel XVI. Kort gezegd gaat het in het eerste geval om een collectiviteit en in het tweede geval om individuen.

In de inventariserende studie "Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen" van Bas van Stokkom e.a. [1] wordt onderscheid gemaakt tussen belediging en haat zaaien:

Beledigende uitlatingen hebben een andere logica dan haatzaaiende uitlatingen. De belediging is in eerste instantie afgestemd op het neerhalen van de status van de opponent (zijn of haar goede naam, reputatie, rang of stand). In het geval van haat zaaien daarentegen is niet de status van de tegenstrever in het geding, maar zijn bestaansrecht. Op haatsites wordt de tegenpartij dan ook geen meningsvrijheid gegund. Zij is niet alleen ‘minder’ of ‘onder’ maar verdient überhaupt geen respect. Haat is dan ook niet ontvankelijk voor informatie die de tegenpartij van ‘schuld’ ontlast.

In de context van vrije meningsuiting geeft haat zaaien soms begripsverwarring tussen bedoelde (smalende, minachtende) beledigingen en onbedoelde beledigingen die het gevolg zijn van vrije en oprechte meningsvorming. Strafrechtelijk is beslissend of het opzettelijk gebeurt.

Wetboek van Strafrecht[bewerken]

In Nederland zijn de volgende artikelen in het Wetboek van Strafrecht gericht tegen haatzaaien:

  • Art. 137c: 1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, opzettelijk beledigend uitlaat over een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (...)
  • Art. 137d: 1. Hij die in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, aanzet tot haat tegen of discriminatie van mensen of gewelddadig optreden tegen persoon of goed van mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun geslacht, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie. (...)
  • Art. 147: Met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie wordt gestraft:
  1. Hij die zich in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende godslasteringen op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat.[2]

Zoals hierboven al aangegeven is haatzaaien iets anders dan belediging, o.a. in de vorm van smaad (art. 261 Sr) en laster (art. 261 Sr.)

Zie ter vergelijking zie de bepaling die "Volksverhetzung" in Duitsland verbiedt: [3]

"Recht op belediging"[bewerken]

Naar aanleiding van recente internationale reacties op islamkritiek en de moord op Theo van Gogh wegens vermeende beledigingen, ontbrandde er in Nederland een discussie over het zogenaamde recht op beledigen, dat wil zeggen: het recht om niet wegens belediging vervolgd te worden in geval van maatschappelijke discussies. In een toespraak in Berlijn[4] verdedigde Ayaan Hirsi Ali dit recht met als argument dat zelfcensuur grote gevolgen kan hebben voor het democratisch bestel.

Het recht om niet vervolgd te worden wegens belediging in maatschappelijke discussies is juridisch impliciet vastgelegd in dat er een algemene vrijheid van meningsuiting bestaat (die ook het recht omvat om kennis te nemen van meningen van anderen) die slechts in bijzondere gevallen mag worden ingeperkt. Volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht is bovendien geen sprake van smaad als - kort gezegd - een kwetsende uiting een maatschappelijk doel dient. De "vrijheid van meningsuiting" is in de eerste plaats bedoeld om te beletten dat overheden, groepen of particulieren voor hen onwelgevallige openlijke kritiek belemmeren, want dat zou een democratisch bestel ondermijnen.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Stokkum, van, B. e.a. Godslastering, discriminerende uitingen wegens godsdienst en haatuitingen. Een inventariserende studie, 2006
  2. [1] "Wetboek online"
  3. §130 Volksverhetzung in het Duitse strafwetboek
  4. Bron: Ayaan Hirsi Ali - Toespraak gehouden in Berlijn op 9 februari 2006 [2]