Iepziekte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Iepziekte op goudiep (let op de dode takken) (6 september 2006)
Iepziekte op goudiep (let op de dode takken) (6 augustus 2007)
Iepziekte op goudiep (let op de dode takken) (11 mei 2008)
Iepziekte op goudiep (let op de dode takken) (4 mei 2009)

De iepziekte is een ziekte onder iepen, veroorzaakt door de schimmels Ophiostoma ulmi (syn. Ceratocystis ulmi) en Ophiostoma novo-ulmi. Ophiostoma novo-ulmi is pas in de jaren zeventig voor het eerst waargenomen en tast ook de tegen Ophiostoma ulmi resistente rassen 'Commelin' en 'Groeneveld' aan.

De schimmel groeit in houtvaten van de boom. De boom produceert als reactie thyllen, een gomblaas om de groei van de schimmel te stoppen, maar daardoor raken die vaten ook verstopt. De schimmel kan van het ene houtvat in het andere komen waardoor er zoveel houtvaten verstopt raken dat de boom afsterft. De schimmel wordt verspreid door de grote en de kleine iepenspintkever (Scolytus scolytus en S. multistriatus).

Ophiostoma ulmi op voedingsbodem van Mout Extract Agar (MEA)

De volwassen kevers voeren een rijpingsvraat uit aan de okselknoppen van gezonde bomen. Ze brengen zo een infectie tot stand. In zieke, reeds aangetaste bomen, zogenaamde broedbomen, leggen ze hun eieren in een gang onder de bast.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste vorm van de ziekte is waarschijnlijk afkomstig uit Oost-Azië en werd voor het eerst geconstateerd in 1918 in Noord-Brabant en Noord-Frankrijk. Omdat Bea Schwarz (Marie Beatrice Schol-Schwarz, 1898-1969) en Christine Buisman (1900-1936) werkzaam onder leiding van Johanna Westerdijk, die ziekte voor het eerst beschreven, wordt die in het buitenland de 'Dutch Elm Disease' genoemd. [1][2]

In Noord-Amerika ontwikkelde zich een agressievere variant die er in de jaren zeventig voor zorgde dat veel bomen afstierven. Na het jaar 2000 kwam er een nieuwe ziektegolf in Nederland die onder de overgebleven bomen en nieuwe aanplant flink huishoudt.

Bestrijding[bewerken]

De iepziekte is zeer besmettelijk; ook dood hout (zoals meegenomen brandhout) kan een besmettingshaard zijn.

Om deze ziekte onder controle te krijgen is het belangrijk dat de aangetaste bomen gekapt, geschild en restanten verbrand worden. Tot midden jaren tachtig was het beleid in heel Nederland om alle zieke bomen onder toezicht van de Plantenziektenkundige Dienst (PD) op kosten van de staat op te ruimen. Vanwege financiële overwegingen en omdat het beleid in Duitsland en België anders is, heeft men dit beleid losgelaten. Opruiming is nu een initiatief van gemeenten zelf. Sommige gemeenten doen dit gratis en gebruiken indien nodig bestuurlijke dwang.

De ziekte kan ook bestreden worden door de bomen preventief te enten. Het gaat dan om een verticilliumschimmel die ingespoten wordt in de bomen. Dit veroorzaakt een afweerreactie. Maar deze methode is tamelijk prijzig en moet elk jaar herhaald worden. Daarom wordt deze alleen toegepast bij monumentale bomen.

Ook zijn er rassen (cultivars) ontwikkeld met een zeer goede weerstand bijvoorbeeld 'Columella'. Ze hebben wel een wat andere habitus dan de meeste rassen. Ook wordt aanplant van uit zaad opgekweekte fladderiepen (Ulmus laevis) aanbevolen. De uit zaad opgekweekte bomen hebben een grotere genetische variatie dan de bij aanplant meer gebruikelijke klonen, waardoor de kans dat bepaalde exemplaren beter tegen de ziekte opgewassen zijn groter is.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Schwarz, M. B., Das Zweigsterben der Ulmen, Trauerweiden und Pfirsichbaume, Mededelingen Phytopathologisch Laboratorium "Willie Commelin Scholten" 1922;5:1-73
  2. Buisman, C., De oorzaak van de iepenziekte, Tijdschr Ned Heidemaatsch 1928;40:338-345