Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Disambig-dark.svg Zie Nederland (doorverwijspagina) voor andere betekenissen van Nederland.
Nederland

Vlag van Nederland
(Details)

Wapen van het Koninkrijk der Nederlanden
(Details)

Locatie van Nederland

Basisgegevens
Officiële landstaal: Nederlands[1]
Hoofdstad: Amsterdam[2]
Regeringsvorm: constitutionele monarchie - parlementaire democratie
Staatshoofd: Koningin Beatrix
Regeringsleider: Jan Peter Balkenende
Religie: (lees verder):
29% rooms-katholiek,
9% hervormd,
6% PKN,
4% gereformeerd,
4% moslim,
42% geen gezindte
Oppervlakte: 41.528 km² [3] (18,41% water)
Inwoners: 16.105.285 (2002)[4]
16.515.057 (2009)[5] (397,7/km² (2009))
Bijv. naamwoord: Nederlands
Inwoneraanduiding: Nederlander
Overige
Motto: Je maintiendrai
(Nederlands: Ik zal handhaven)
Volkslied: Wilhelmus
Munteenheid: Euro (EUR)
UTC: +1 (zomer +2)
Nationale feestdag: 30 april (Koninginnedag)
5 mei (Bevrijdingsdag)
Web | Code | Tel. .nl | NLD | +31
Voorgaande staten
 Verenigd Koninkrijk der Nederlanden 1830 (Belgische Revolutie)
Topografie
Map of the Netherlands nl.png
Zie ook
Portal.svg   Portaal Nederland

Nederland van A tot Z

Logo portaal   Portaal Landen & Volken

Nederland is een land binnen het Koninkrijk der Nederlanden op het vasteland van West-Europa. Het wordt in het westen en noorden begrensd door de Noordzee, langs de oostgrens door Duitsland en in het zuiden door België. De hoofdstad van het land is Amsterdam, de regeringszetel is Den Haag.

Nederland heeft een inwonertal van 16.515.057 (2009) en met een oppervlakte van 41.526 km² een hoge bevolkingsdichtheid van 397,7/km² (2009). Terwijl ruim 18% van het oppervlak bestaat uit water, ligt een groot deel van het land en de bevolking onder zeeniveau. Het land wordt beschermd tegen het water door middel van een systeem van dijken en waterwerken. Door landwinning zijn polders gecreëerd. Bestuurlijk is het land is verdeeld in twaalf provincies.

Met de Acte van Verlatinghe van 1581 werd de onafhankelijkheid van de Republiek uitgeroepen, die na afloop van de Tachtigjarige Oorlog ook werd erkend. Vanaf de Franse tijd aan het begin van de negentiende eeuw groeide Nederland met het ontstaan van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden in 1815 en de Belgische Revolutie in 1830 uit tot het land dat het nu is: een moderne natie, een van de meest ontwikkelde landen en de zestiende economie ter wereld.

Nederland is een constitutionele parlementaire monarchie, een staatsvorm waarbij de macht gedeeld wordt door de koning(in), de ministers en het parlement, al is de invloed van eerstgenoemde beperkt. Nederland is een van de oudste parlementaire democratieën en was medeoprichter van onder meer de EU, de NAVO en de Wereldhandelsorganisatie. Met België en Luxemburg vormt het de Benelux. Den Haag speelt een internationale rol op juridisch gebied, als locatie voor vier internationale tribunalen en Europol.

Inhoud

Algemeen

Naam

Etymologie

De benamingen Nederland en de Lage Landen verwijzen naar een historische tweedeling. Zij gaan terug op de Bourgondische tijd, de periode in de geschiedenis van de Lage Landen tussen 1384 en 1494. Filips de Goede, hertog van Bourgondië (1396-1467), bracht het grootste deel van het grondgebied van de huidige Benelux samen met delen van het noorden van Frankrijk onder zijn bestuur. Zijn bezittingen werden aangeduid vanuit het oogpunt van de hertog zelf, die meestal in Vlaanderen of Brabant verbleef: les pays de par deça, 'de landen van herwaarts over'. Dat wilde niet veel meer zeggen dan 'deze landen hier, direct om ons heen'.

Het straatje in Delft door Johannes Vermeer ca. 1657-1658 (Rijksmuseum)

Dit in tegenstelling tot les pays de par delà, 'de landen van derwaarts over, de landen daar', namelijk het eigenlijke Bourgondië.[6] Zijn latere opvolger keizer Karel V hanteerde een soortgelijke tweedeling, maar keerde als Habsburger het perspectief om en duidde zijn Nederlandse gewesten aan als les pays d'em bas (oftewel les Pays-Bas).

Opeenvolgende benamingen

Het huidige Nederland bestaat pas sinds 1830, na de afscheiding van België. Daarvoor werden er verschillende namen gebruikt om het huidige land of voorlopers daarvan aan te duiden, zoals de Lage Landen (in het Frans Pays-Bas), de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, de Bataafse Republiek en het Koninkrijk Holland in de Franse tijd. Het Souvereine Vorstendom der Verëenigde Nederlanden was de oorspronkelijke naam van het Koninkrijk der Nederlanden, toen eind 1813 de overwinnaars van Napoleon een staatkundige herinrichting van Europa bewerkstelligden.

Variatie in namen

Dit heeft tot gevolg dat verschillende namen voor Nederland worden gebruikt:

  • Variaties van "Nederland", zoals The Netherlands in het Engels (letterlijk: de Nederlanden)
  • Variaties van "Holland" (het gewest Holland was lange tijd dominant)
  • Als bijvoeglijk naamwoord: Dutch in het Engels (afgeleid van Diets)

Nationale symbolen

Nationale symbolen bestaan op verschillende niveaus. Zo wordt bijvoorbeeld vaak het portret van het staatshoofd aangebracht op munten en postzegels. Vooral bij regerende vorstenhuizen is dit het geval. Nederland vormt daarop geen uitzondering. Geijkte officiële symbolen zijn met name de volgende:

  • De vlag van Nederland bestaat uit drie horizontale banen van gelijke hoogte in de kleuren rood, wit en blauw. De vlag dateert uit 1579, toen de onafhankelijkheid van Nederland werd uitgeroepen en werd officieel goedgekeurd in 1796 en bevestigd als nationaal embleem in 1937. Het wit en blauw zijn de livreikleuren van het Franse vorstendom Orange, waar het Huis Nassau, het latere Nederlandse koningshuis, mee verbonden raakte (zie René van Chalon). Het rood was oorspronkelijk oranje, naar de naam van het vorstendom, maar werd in de loop van de 17e eeuw vervangen door vermiljoenrood, dat tijdens zeeslagen makkelijker te herkennen was. Op feestdagen die te maken hebben met het koningshuis of tijdens diplomatieke reizen naar het buitenland wordt ook wel een oranje wimpel boven de vlag gehangen.

Informeel geldt tegenwoordig de kleur oranje in het algemeen als een symbool voor Nederland. Dit komt, behalve in de kleur van de kleding der vertegenwoordigende sportteams, ook tot uitdrukking in de wijze waarop supporters zich in en aan het buitenland tonen.

Rol van het koningshuis

Bij al deze symbolen speelt expliciet of impliciet het koningshuis een rol. De vorst en het koninklijk huis vervullen zelf echter ook een belangrijke symbolische functie voor Nederland, zowel institutioneel als in personam. Dit is te meer het geval omdat het Huis van Oranje al meer dan vier eeuwen zijn geschiedenis deelt met het volk van Nederland. Het was de prins van Oranje die Nederland naar de zelfstandigheid leidde.

Als monarchie onder de Oranjes echter bestaat Nederland nog geen twee eeuwen. De rol van de vorst is bovendien constitutioneel ingeperkt. In het zogenoemde revolutiejaar 1848 werd een nieuwe grondwet ingevoerd, ontworpen onder leiding van Johan Rudolph Thorbecke. Deze nieuwe grondwet, die met enkele kleinere aanvullingen nog steeds de Nederlandse grondwet is, maakte een einde aan de persoonlijke regeermacht van de koning en voerde de koninklijke onschendbaarheid in. Voortaan waren de ministers verantwoordelijk voor hun beleid en niet meer de koning.

Imago in het buitenland

Rotterdam: Erasmusbrug (1996), architect Ben van Berkel

Nederland staat wereldwijd bekend om zijn waterbeheer (water management) en grote waterbouwkundige werken, zijn handelsgeest en om traditionele producten en symbolen als windmolens, tulpen, klompen, kaas, Delfts blauw en de fiets. De hoofdstad Amsterdam geniet internationale bekendheid, maar ook Rotterdam en Den Haag zijn welbekend. Op cultureel gebied heeft vooral de Nederlandse schilderkunst door de eeuwen heen veel aanzien. Onder meer het Nederlandse landschap, stadsgezichten, de zee en zelfs de Nederlandse lucht zijn bekende motieven.
Nederland maakt thans ook naam door zijn vernieuwende architectuur, stadsontwikkeling, planologie en industriële vormgeving. Naast het traditionele beeld van Nederland als kleinschalig polderland in permanent gevecht met het water, geldt Nederland als een modern Westers land, industrieel en technologisch ontwikkeld, met een sterke economie, zeer goede sociale voorzieningen en een stabiel politiek bestel. Tegenwoordig is Nederland daarnaast bekend om zijn vooruitstrevende en liberale beleid op het gebied van drugs, prostitutie, euthanasie en het homohuwelijk.
Op sportief terrein neemt Nederland in tal van sporten deel aan vele internationale toernooien. Voormalige voetballers als Johan Cruyff en Marco van Basten, alsmede de in het buitenland werkende trainer-coach Guus Hiddink droegen bij aan de wereldwijde bekendheid van Nederland.

Geschiedenis

Geschiedenis van Nederland

Tijdlijn
Bibliografie

Pieter Bruegel d. Ä. 093.jpg
Winterlandschap met schaatsers en vogelknip, Pieter Bruegel de Oude, 1565
..Naar overzeese gebiedsdelen
..Naar voormalige koloniën
1rightarrow.png Zie geschiedenis van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De bewoningsgeschiedenis van Nederland is sterk verbonden met het ontstaan van de Nederlandse ondergrond. De omgeving veranderde niet alleen door de verdrinkingsgeschiedenis van de Schelde, Rijn, Maas en Eems tijdens het Holoceen, maar andersom is bewoning van grote invloed geweest op het huidige Nederlandse landschap met polders en dijken, met name in de laatste 1000 jaar.
De noodgedwongen collectiviteit zorgden voor een bestuur en mentaliteit die mede bijdroegen tot het latere succes van de Nederlandse handel, waarbij ook de geografisch gunstige ligging aan zee en waterwegen van groot belang was. De Nederlandse gewesten hebben door de geschiedenis heen wisselende onderlinge relaties gehad, soms samenwerkend, soms rivaliserend. Belangrijke keerpunten zijn de Opstand met zijn onafhankelijkheidsverklaring die vooraf ging aan een periode van grote voorspoed en de Franse inval die het einde betekende van de Republiek en kwam na een lange periode van verval. Als het Koninkrijk der Nederlanden bestaat Nederland sinds 1814 en in min of meer de huidige vorm vanaf 1830 na de Belgische revolutie.

Prehistorie

1rightarrow.png Zie prehistorisch Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Inherent aan deze periode is het gebrek aan kennis van wat er zich afspeelde. Waar later persoonlijke verhalen inzicht geven in beweegredenen, is men hier alleen in staat om culturen te onderscheiden, voor zover deze al teruggevonden zijn. Enerzijds is het aantal doorzochte locaties niet uitputtend, anderzijds zijn sporen verdwenen door natuurlijke oorzaken, maar ook door menselijk ingrijpen of bevinden deze zich in formaties die bedekt worden door recentere afzettingen.

Steentijd

Lang voor er sprake zou zijn van een herkenbare Nederlandse identiteit bestond de bewoning in dit gebied uit passerende jager-verzamelaars. Vondsten uit de vroegste periodes zijn spaarzaam en ontbreken bij een aantal periodes volledig. Niet goed duidelijk is in hoeverre menselijke bewoning het ritme van glacialen-interglacialen en stadialen-interstadialen volgde. De oudst bekende sporen dateren uit het Midden-Paleolithicum, ca. 250.000 BP, en zijn resten van een kamp in de Belvédère-groeve bij Maastricht en de groeve Kwintelooijen bij Rhenen. Of er oudere artefacten uit het Vroeg-Paleolithicum zijn, is omstreden door de moeilijkheden bij de datering. Neanderthalers verbleven aan het einde van het Midden-Pleistoceen (0,465 - 0,128 Ma) en het Laat-Pleistoceen (0,128 - 0,0115 Ma) in Noordwest-Europa.

Tijdens het laatglaciaal (14.650 - 11.650 BP) zijn er vijf culturen te onderscheiden: Magdalénien, Hamburg, Creswell, Federmesser en Ahrensburg. Vanaf het begin van het Holoceen (0,0117 Ma - heden) steeg de temperatuur. Dit had een zeespiegelstijging tot gevolg en het volstromen van de Noordzee heeft mogelijk mesolithische jagers naar het vasteland doen trekken, maar continue bewoning kwam waarschijnlijk pas later. Uit deze periode komt de kano van Pesse, voor zover bekend de oudste boot ter wereld. Met het stijgen van de temperatuur, trokken de rendieren naar het noorden, gevolgd door de rendierjagers. De achtergebleven groepen pasten zich aan het veranderde klimaat aan. Naast de jacht werd de visserij en het verzamelen van veldvruchten van belang. Doordat men niet meer meetrok met de kuddes rendieren, werden de nederzettingen permanenter.

Hierna werd tijdens het Vroeg-Neolithicum de overgang gemaakt van nomadisch jagen en verzamelen naar sedentaire landbouw en veeteelt, ook wel neolithische revolutie genoemd. Men begon planten en dieren te domesticeren, zoals de hond, schaap, geit, rund en varken. Daarnaast begon men ook het landschap te veranderen. De landbouw had een ontbossing tot gevolg, maar door de voedseloverschotten ook een toename van de bevolking. Uit deze periode zijn de bandkeramische cultuur (ca. 5500 - 4400 v.Chr.) en de Rössencultuur (ca. 4500 – 4000 v.Chr.) in het lössgebied en boven de rivieren de Swifterbantcultuur (ca. 5300 - 3400 v.Chr.) bekend. In het zuiden van Nederland zijn uit de periode daarna, het Midden-Neolithicum, sporen gevonden van de Michelsbergcultuur (ca. 4400 - 3500 v. Chr.), terwijl de Trechterbekercultuur (ca. 4350 - 2800/2700 v.Chr) in het noorden de hunebedden achterliet en de Vlaardingencultuur (ca. 3500 - 2500 v.Chr.) in het westen te vinden was.

In het Laat-Neolithicum zijn de Standvoetbekercultuur (ca. 2850-2450 v.Chr.) en daarna de Klokbekercultuur (ca. 2700 - 2100 v.Chr.) te onderscheiden en begon de overgang naar de bronstijd. Rond 2600 v.Chr. werd het wiel geïntroduceerd, waardoor de handel over land toenam. De Hilversumcultuur (ca. 1800 - 1200 v.Chr.) stamt uit deze periode waarin de landbouw zich verder ontwikkelde en men onder andere gebruik ging maken van mest, stro en wintervoeding voor het vee. Deze cultuur had als kerngebied Zuid-Nederland en Vlaanderen, terwijl de Elpcultuur ten noordoosten daarvan wordt onderscheiden en in West-Friesland de Hoogkarspelcultuur. Deze culturen hadden veel overeenkomsten en maakten onderdeel uit van verschillende uitwisselingsnetwerken in Noordwest-Europa.

IJzertijd

In de IJzertijd waren deze gewesten een randgebied van Keltische expansie die zijn oorsprong vond in Centraal-Europa. Zij hadden een klasse van edelen die hun macht deelden met stamhoofd en druïde en heersten over de plaatselijke bevolking. In het zuiden introduceerde de mogelijk Keltische Hallstatt-cultuur (ca. 800 - 500 v.Chr.) het gebruik van ijzer, om opgevolgd te worden door de La Tène-cultuur (ca. 450 v.Chr. tot de Romeinse periode in de 1e eeuw v.Chr.). Waar de eerdere culturen relatief egalitair waren geweest, bestond de Keltische samenleving uit verscheidene sociale klassen met een aristocratisch bestuur. Het bezit van vee gold als rijkdom en gaf meer status dan bereikt kon worden met landbouw. De hoogste status hadden de krijgers die over hun chiefdoms heersten. Deze samenlevingsvorm werd waarschijnlijk mogelijk gemaakt werd door de toegenomen handel. Dit had ook een toename van de ambachten tot gevolg en men begon harnassen, wapens en gereedschappen te verkopen in marktplaatsen die uitgroeiden tot versterkte nederzettingen. Aangetrokken door Keltische welvaart, trokken in de tweede eeuw voor Christus Germanen naar het westen, hierbij geholpen door het gebrek aan samenhang in de Keltische samenleving. Ook de Germanen kenden een standenmaatschappij van edelen, vrijen, half-vrijen (liten) en slaven. Boven de rivieren kreeg men door transgressies te maken met verslechterde woonomstandigheden en ging daarop onder andere raatakkers gebruiken en terpen bouwen, terwijl in het westen veengronden ontgonnen werden.

Bij dit alles moet worden opgemerkt dat het onderscheid tussen Kelten en Germanen niet goed duidelijk is. De benamingen werd gegeven door de Grieken en Romeinen en worden tegenwoordig vooral als taalkundig begrip beschouwd die onafhankelijke volken beschrijven zonder gezamenlijke identiteit.

Over de godsdiensten die aangehangen die de Kelten en Germanen aanhingen is weinig bekend. De Romeinse beschrijvingen zijn oppervlakkig en gekleurd en het is onwaarschijnlijk dat de Germaanse mythologie van die tijd overkwam met de Noordse en Germaanse mythologie zoals die in de dertiende eeuw door Snorri Sturluson in Proza-Edda beschreven werd.

Romeinse tijd

Een villa rustica was een grote herenboerderij te midden van een uitgestrekt landbouwgebied. De Romeinen verbouwden vaak één product in grote hoeveelheden, dat vervolgens verhandeld werd, onder andere met de steden. Naast akkerbouw en veeteelt vonden hier ambachtelijke activiteiten plaats, waarbij villa Voerendaal langs de via Belgica een van de grootste teruggevonden villa's van Europa is.
1rightarrow.png Zie Romeinen in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De eerste ooggetuigenverslagen die Nederland beschrijven zijn het gevolg van de komst van de Romeinen. Deze zouden hier uiteindelijk enkele honderden jaren blijven. In de Commentarii rerum in Gallia gestarum beschreef de generaal Julius Caesar zijn gevechten in 57 v.Chr. tegen de Belgae in de zuidelijke Nederlanden. Deze Gallische oorlog markeert daarmee de overgang van de prehistorie naar de protohistorie van de nog niet bestaande Nederlanden. Overleveringen uit deze periode zijn echter nog steeds schaars, waarbij vermoedelijk ook veel verloren is gegaan. Pas vanaf de twaalfde eeuw neemt het aantal bronnen toe.

Caesar noemde enkele 'Belgische' stammen, waaronder de Menapii als bewoners van het kustgebied van het huidige Vlaanderen en Zeeland en het deltagebied van de grote rivieren. Ten oosten van hen woonden de Eburones, door hem gerekend tot de Germani cisrhenani. Hoewel de eersten aanvankelijk een succesvolle guerrillastrijd voerden, moesten zij zich uiteindelijk overgeven. De Eburones werden verslagen en vrijwel volledig uitgeroeid. Met de oorlog die de Rijn tot noordgrens van het Romeinse Rijk maakte, kwam een einde aan de eigen ontwikkeling van deze volken.

In een periode van relatieve rust vestigden de Batavi zich daarna in onder andere de Betuwe, terwijl de Cananefates naar het huidige Zuid-Holland trokken. Ten noorden daarvan woonden de Frisii. Het gebied van de Eburones werd in het noorden opnieuw bevolkt door de Frisiavones.

Door de burgeroorlog in Rome, en nog meer door opstanden en andere moeilijkheden liet een doeltreffende organisatie van het gebied op zich wachten tot Augustus (27 v.Chr. - 14 n.Chr.), de eerste keizer. Deze deelde het gebied aan de linkerzijde van de Rijn in bij Gallia Belgica. Tijdens de regering van Augustus was men begonnen met de uitbreiding van het wegennet, vooral gericht op de pacificatie van Noord-Gallië en de verovering van Brittannië en Germanië. Drusus moest voor Augustus het gebied tot aan de Elbe veroveren en wist de Frisii te onderwerpen en met hun hulp de Chauken te verslaan. Na de Varusslag in 9 n.Chr. trokken de Romeinen zich terug tot de Rijn. Het gebied daarboven bleef een militaire zone, maar na een belastingmaatregel kwamen de Frisii in 28 n. Chr. in opstand, waarna zij en de Chauken vrijwel onafhankelijk werden van de Romeinen. Daarbij werden zij geholpen door het verschuiven van de Romeinse aandacht naar de verovering van Brittannië. De Rijn werd hierna de noordgrens of limes van het rijk.

Onder de keizers Tiberius (14 - 37) en Claudius (41 - 54) werd het gebied van wingewest omgevormd tot onderdeel van het rijk. Onder Claudius werd romanisering als politiek instrument bevorderd. Romeinsgezinde stammen kregen schijnbaar een onafhankelijke status; aan hen werd het statuut van civitas libera of civitas foederata — vrije of verbonden burgers — toegekend. Ook werd een deel van de lokale bevolking ingedeeld bij de hulptroepen. De Romeinse verdraagzaamheid ten opzichte van de lokale godsdiensten droeg bij aan pacificatie van de stammen.
Desondanks kwamen in het vierkeizerjaar (68 - 69) de Bataven in opstand onder leiding van Julius Civilis, hierin gevolgd door andere stammen. Vooral in het binnenland gaven de stammen echter de voorkeur aan de pax Romana boven de Germaanse vrijheid. Cerialis wist het gebied weer onder Romeins bestuur te brengen, waarna Germania Inferior in 89 het statuut van volledig onafhankelijke provincie verkreeg. Tijdens de Flavische dynastie (69 - 96) werd ook het grensgebied geromaniseerd en namen de handel en de landbouw rond de villae rusticae sterk toe. De nieuwe geromaniseerde Romeinse stedelijke nederzettingen — ook civitates genaamd — lagen gewoonlijk dichtbij de oudere voor-Romeinse centra. Soms, meestal in het zuiden, vielen ze samen met die oude hoofdsteden. Bij gebrek aan een dergelijke oorspronkelijke hoofdstad stichtten de Romeinen er zelf een. Stond de lokale bevolking zeer wantrouwig tegenover de Romeinse administratie, dan werd soms de civitas buiten het stamgebied geplaatst. Ze werden verbonden met heerwegen die de handel bevorderden.

Aan deze periode van economische expansie en sterke bevolkingstoename kwam pas een einde rond 250. Onder keizer Marcus Aurelius (161 - 180) werd de Germaanse druk op de limes groter en begon ook een periode van interne onrust; een negatieve handelsbalans met het oosten verergerde de crisis. Tijdens de crisis van de derde eeuw verdween het centrale gezag vrijwel geheel. Er begon een regionalisatie op te treden die de eenheid van het rijk onder druk zette. Zo verenigden een aantal provincies zich tegen de Frankische invallen tot het Gallische Rijk. In deze periode nam de autochtone bevolking in het grensgebied af, wat waarschijnlijk ten dele werd gecompenseerd doordat Franken zich hier vestigden. Aan het einde van de derde eeuw stabiliseerde de situatie zich; de Salische Franken verdedigden voortaan als bondgenoten de grens.

Aangenomen wordt dat voordat het christendom de overheersende godsdienst werd in de Nederlanden, er een mengelmoes van heidense geloven bestond. Onder de Romeinen werd het Romeinse pantheon geïntroduceerd en vond ook de zogenaamde eerste kerstening plaats, vooral in de steden. De invloed hiervan was echter beperkt en verdween vrijwel na de volksverhuizingen.

Van Oudheid naar Middeleeuwen

1rightarrow.png Zie Grote Volksverhuizing voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de vierde eeuw was er al regelmatig sprake van Germaanse invallen. Het einde van de Romeinse overheersing kwam toen Stilicho in 402 de Romeinse troepen terugtrok van de grensgebieden om Italië te verdedigen tegen de Goten. In 406 werden de Ripuarische Franken verslagen in de slag bij Mainz door de voor de Hunnen vluchtende Vandalen, Sueven, Alanen, Alemannen en Bourgondiërs, die daarna de Rijn overstaken en Gallië overspoelden. De meningen verschillen over in hoeverre dit gevolgen had voor het Nederlandse deel van het grensgebied en daarmee het belang van het jaartal 406 voor dit gebied. Nadat het Romeinse bestuur en de legertroepen verdwenen waren, vormden zich kleine rijkjes naast elkaar. De beschrijvingen van de gebeurtenissen in de vierde en vijfde eeuw zijn geheel afkomstig uit Romeinse bronnen en daarmee gekleurd. De voornamelijk Germaanse bewoners zullen echter waarschijnlijk nog wel enige tijd het idee hebben gehad tot het Romeinse Rijk te behoren.

Vanaf het midden van de vijfde eeuw begon echter een neergang. Veel steden en oppida werden verlaten. De bevolking nam vrijwel zeker aanzienlijk in aantal af, terwijl er ook sprake was van economische achteruitgang. De Romeinse heerwegen werden verwaarloosd, zodat reizen moeilijker werd en ook gevaarlijker. Door dit alles nam ook de handel af en raakte geld in onbruik. Ruilhandel kreeg de overhand. Geld werd in deze tijd nog wel als middel gebruikt om de waarde van te ruilen goederen inuit te drukken. De agrarisch-urbane samenleving van de Romeinen maakte plaats voor een agrarische samenleving waarin vrijwel alles zich op het platteland afspeelde. In het westen heeft het Romeinse Rijk zich nadien niet meer kunnen herstellen; wel hield het Oost-Romeinse Rijk nog eeuwenlang stand.

Een aanzienlijk aantal nederzettingen bleef echter bewoond, waar de achtergebleven Gallo-Romeinen zich schikten onder de heersende Germanen. Uiteindelijk gingen zij in de nieuwkomers op. Met de hergermanisering ontstond een Germaans-Romeins menggebied, waar de talen van de verschillende stammen zich uiteindelijk ontwikkelden tot een Germaanse eentaligheid in het noorden en een Romaanse eentaligheid in het zuiden, met als gevolg dat er vanaf de achtste eeuw een taalgrens viel waar te nemen. Ten noorden van de taalgrens ontstond het Oudnederlands uit het Oudwestnederfrankisch. Deze taalgrens stond echter economische, politieke en culturele verbanden niet in de weg.
In deze periode nam ook de geletterdheid af en konden alleen de geestelijken nog lezen en schrijven. Zij waren daardoor van groot belang bij het bestuur van het land.

De Romeinse landbouw met villae verdween volledig om vervangen te worden door Germaanse hoeves. Er is dan ook doorgaans sprake van Raumkontinuität, aangezien de gronden wel opnieuw werden bewerkt, maar niet van Ortskontinuität. Enige continuïteit werd wel gerealiseerd doordat de Heerkönige — de Duitse benaming voor de Frankische stamhoofden of legerleiders — probeerden hun bestuur te legitimeren door zich te vestigen in de oude Romeinse civitates. Ook sloegen ze naar Romeins voorbeeld munten; dit gebeurde voor het eerst in Soissons aan het einde van de vijfde eeuw. De Gallo-Romeinse en Germaanse adel gingen via huwelijken na verloop van tijd in elkaar op. Slavernij, zoals op de markt van Kamerijk, zou blijven bestaan totdat het christendom algemeen aanvaard was. Hoewel het nieuwe geloof nog niet sterk in de samenleving was doorgedrongen en moest concurreren met andere godsdiensten, bleek de Kerk als organisatie in staat om de overgang te overleven.

Franken, Friezen en Saksen

De volksverhuizingen, die al met al zo'n twee eeuwen duurden, luidden een periode van instabiliteit in. Aanvankelijk woonden er in Nederland vele verschillende stammen met weinig cohesie. Er voltrok zich een proces dat we etnogenese noemen. In de zesde en vroege zevende eeuw hadden zich drie groepen gevormd die zich van de andere onderscheidden. De Friezen woonden langs de kusten, de Saksen in het oosten en de Franken in het zuiden van Nederland.
Clodowech uit de dynastie van de Merovingen wist de Franken te verenigen en een groot deel van Gallië te veroveren. Zijn bekering tot het katholicisme (497) was politiek gezien een slimme zet, die hem verzekerde van steun van de paus en de Gallo-Romeinse elite.

De Friezen trokken nu profijt van hun positie; hun woongebieden bleken centraal gelegen tussen de opkomende Germaanse koninkrijken van de Franken, de Angelsaksen in Engeland en de Scandinaviërs. Zij beheersten daardoor de handelsroutes in het noordwesten van Europa. Waar de Franken aanvankelijk zeer weinig belangstelling hadden voor de scheepvaart, waren de Friezen er in hun land van terpen en water op aangewezen. Hoewel langeafstandshandel en een geldeconomie in deze periode op veel plaatsen vrijwel waren verdwenen, gold dit niet voor de Friezen. Dorestad was het economisch hart van een groot netwerk. Veel wijst erop dat de Friese invloed zich in de zesde eeuw een stuk verder naar het zuiden uitstrekte, mogelijk tot het huidige Antwerpen. Hun positie werd vanaf ongeveer 550 nog versterkt door het verbreken van de handelsroute van noord naar zuid tussen de Oostzee en de Middellandse Zee ten gevolge van migratiebewegingen van Slavische volkeren in Oost-Europa.

Vanaf de zevende eeuw breidde de Frankische invloedssfeer zich in noordelijke richting uit. Friesland werd door de Franken een aantal maal onderworpen, maar de bevolking wist zich ook meerdere keren te bevrijden; vaak na het overlijden van een Frankische koning en de daaropvolgende machtsstrijd onder zijn zonen.

Miniatuur uit de Très riches heures.
De domeinen werden bewerkt door horige boeren en bezaten een grote mate van autarkie.

Karolingen

Karel Martel was de stamvader van de Karolingen die de macht overnamen van de Merovingen. Karel de Grote wist naast de Friezen uiteindelijk ook de Saksen en de Longobarden aan zich te onderwerpen in de Saksenoorlogen. Hiermee vond de zogenaamde frankisering plaats, zoals de introductie van het hofstelsel en de zogenaamde tweede kerstening, die deels door vooral Engelse en Ierse missiebisschoppen werd uitgevoerd en door hen bekeerde Friezen, maar ook met harde hand door Karel de Grote. Door beide veranderde het cultuurlandschap in belangrijke mate, hoewel het hofstelsel boven de rivieren vrijwel niet werd toegepast door de aard van het landschap.

Bisdommen waren deels gebaseerd op de oude civitates. Kloosters en kerken werden gesticht en om het land efficiënter te exploiteren werden nederzettingen verplaatst, anders ingericht en nieuw gesticht. Ook ging Karel weer over op een actieve wetgeving met het uitvaardigen van capitularia die deels het bestaande gewoonterecht vervingen. In de eeuwen daarna zou het christelijke geloof zich aanpassen en volledig doordringen in de samenleving. Onder Karel de Grote werden de Nederlanden geen randgebied meer, maar lagen nabij het centrum daarvan. Voor de Friezen betekende de opname in het Frankische rijk een grote stimulans voor de handel. Met de Karolingische renaissance zag deze periode een opleving van cultuur en wetenschap.

Karel de Grote werd in 800 gekroond werd tot Imperator Romanorum, 'Keizer van de Romeinen'. Hoewel hiermee geprobeerd werd het gezag te legitimeren op het Romeinse rijk, was er geen sprake van een abstracte staatsbegrip of res publica. Het rijk gold als persoonlijk gebied en kon als zodanig ook verdeeld worden, wat dan ook gebeurde na de dood van Lodewijk de Vrome. Macht (bannus) bleef vooral afhankelijk van veroveringen, geweld en Geblütsrecht, waarbij deze in stand werd gehouden door van de ene palts naar de andere te trekken. In de ruileconomie van die tijd konden leenmannen alleen beloond worden door hen gronden (beneficium, vanaf de tiende eeuw feodum) en het vruchtgebruik daarvan te geven. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme. De leenmannen streefden naar erfelijkheid van hun pagus, wat steeds meer regel werd en in 877 gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hiermee werd het onmogelijk nog een groot rijk te vormen.

IJzeren eeuw

Codex Egberti.
De adel hielp mee aan de kerstening en gebruikte de verbondenheid met de paus om de onafhankelijkheid ten opzichte van de keizer te bevorderen.

De periode tussen ongeveer 850 en 950 wordt wel de ijzeren eeuw genoemd. Na de dood van Karel de Grote begon een neergang die onder andere veroorzaakt werd door invallen van de Vikingen, versterkt door de verdeling van het rijk na de dood van Lodewijk de Vrome, uiteindelijk resulterend in het verdrag van Meerssen. Hierbij werd Francia Media verdeeld tussen Francia Occidentalis, het latere Frankrijk, en Francia Orientalis, het latere Heilige Roomse Rijk, wat een eeuwenlange strijd tussen deze twee tot gevolg had. De Schelde was hierbij de grens. Desondanks waren de rivieren zowel scheidingslijn als bindend element, doordat deze transport en communicatie vereenvoudigden. Uiteindelijk groeide het gebied hierdoor langzaam naar elkaar toe. In het noorden was de feitelijke macht in handen van de Vikingen en Friezen. In 826 werd Friesland een Deens rijk onder de Vikingen Harald en Rorik, dat daarna maar in leen werd gegeven door de keizer. Na 900 verdween dit gevaar echter.

Aken werd opgevolgd als belangrijkste stad van de Karolingen door Orléans en later Parijs, waardoor het zwaartepunt naar het zuiden verschoof. Het zwaartepunt van de macht van de Duitse koningen verschoof afhankelijk vanuit welke dynastie ze kwamen. De heersers van West- en Oost-Francië verloren hierdoor grotendeels hun interesse voor het gebied van de Nederlanden, dat weer een randgebied werd. De invallen van de Vikingen werden weerstaan door lokale gouwgraven die daarmee het gezag usurpeerden, uiteindelijk nog slechts in naam afhankelijk van de keizer. Een uitzondering was Friesland, waar het feodalisme nooit echt wortel schoot. In hoeverre dat een gevolg was van de Friese Vrijheid, dat door Karel de Grote middels het Karelsprivilege aan de Friezen verleend zou zijn, is niet bekend.

Landsheerlijkheden en de opkomst van steden

Zeven werken van barmhartigheid, Meester van Alkmaar, 1504.
In de eeuwen na de gedwongen bekeringen vond een verinnerlijking van het geloof plaats. De gepredikte naastenliefde speelde hierbij een centrale rol. Daarnaast werd met de groei van de steden binnen de drie standen de burgerij steeds invloedrijker.
1rightarrow.png Zie voor geschiedenis van de afzonderlijke gewesten in de Middeleeuwen: de Nederlandse gewesten.

De periode tussen ongeveer 925 en 1350 zag de ontwikkeling van wereldlijke en geestelijke landsheerlijkheden uit een onoverzichtelijke lappendeken van gebiedjes. In de tiende eeuw was er een einde gekomen aan de invasies van Europa door Vikingen, Moren en Aziatische steppevolkeren. De hierop volgende stabiliteit had vanaf de elfde eeuw een expansiebeweging tot gevolg. Venen en moerassen werden drooggelegd, bossen gerooid en grond werd ontgonnen. Nu de dreiging van buitenaf was weggevallen, richtte de klasse van krijgers die aanvankelijk de Vikingen en andere binnenvallende volken bestreden had, zich tegen elkaar en de lokale bevolking. Een aantal feodale heren wist hun gezag uit te breiden ten koste van hun buren. Vlaanderen, dat onder de aanvankelijk zwakke koning van Frankrijk viel, was aanvankelijk en ook nog lange tijd daarna het belangrijkste gewest. In Lotharingen was de Duitse keizer een stuk machtiger, doordat hij met het rijkskerkenstelsel bisschoppen zoals in het Sticht Utrecht met wereldlijke macht bedeelde en daarmee dynastievorming tegenging. Desondanks groeiden de wereldlijke landsheerlijkheden zoals Brabant, Gelre en Holland vanaf ca. 1100 uit tot praktisch onafhankelijke vorstendommen, daarbij geholpen door de strijd tussen de Welfen en Hohenstaufen, twee Duitse geslachten die streden om de heerschapij in het Duitse Rijk, en het Concordaat van Worms van 1122. Daarbij verloor de keizer het beslissingsrecht over de bisschopsbenoemingen.

De verovering van Rhenen door Jan II van Kleef in 1499, Meester van Rhenen.
De hertogen, graven en andere heren betwistten de zwakke macht van de keizer, maar vooral elkaar. De relatieve onafhankelijkheid ten opzichte van de keizer was voor het gewone volk niet noodzakelijkerwijs een zegen.

Aanvankelijk beschouwden de vorsten de gebieden die onder hen vielen slechts als bron van inkomsten en macht. Met het toenemen van hun onafhankelijkheid en de groei van de economie veranderde deze rol. De vorsten begonnen hun gezag te beschouwen als potestas publica, dat door God gegeven was. Daarmee kwam de plicht zich te bekommeren om het welzijn van de onderdanen, het handhaven van recht en vrede (defensio pacis) en de bescherming van de Kerk (defensio ecclesiae). Zij werden volgens Filips van Leiden de hoeders van de belangen van het volk (procurator rei publicae). Deze ontwikkeling was het begin van het ontstaan van de moderne staat.

Rond 1050 brak een periode van economische groei aan. Niet alleen hielden de aanvallen van de Vikingen op, maar door een landbouwkundige innovatie, het drieslagstelsel, werd een grotere voedselproductie mogelijk, waardoor meer mensen zich aan het primaire productieproces konden onttrekken. De bevolkingsgroei in deze periode had zijn weerslag op de handel en daarmee op de steden (communitas), die vooral door hun muren een machtsfactor van betekenis werden. Uiteindelijk leidde dit vooral in Vlaanderen tot het ontstaan van machtige steden, die daarmee een instrument werden voor de landsheer om de macht van adel en geestelijkheid in te perken. Dit was het begin van de afbraak van het feodale stelsel. Binnen de steden ontstond namelijk een nieuwe sociale structuur van gilden, die geen feodale banden hadden. De steden verkregen langzamerhand een autonome positie, die begon met juridische privileges, uiteindelijk uitgroeiend tot stadsrechten. De steden waren niet alleen een inkomstenbron voor de landsheer, maar werden later ook een concurrerende machtsfactor, wat zich dikwijls uitte in opstanden. In gebieden met weinig steden als Gelre en Kleef, waar ook de Duitse invloed groter was, bleef de adel echter nog eeuwenlang een belangrijke rol spelen. Met de groeiende macht van de burgerij, de poorters, werd het culturele monopolie van de Kerk doorbroken. De culturele opleving in deze periode, waarin ook de eerste scholen en universiteiten werden gesticht, wordt wel de renaissance van de twaalfde eeuw genoemd. Aan de universiteiten werden de zeven vrije kunsten onderwezen.

Hoewel de landsheer de hoogste macht in handen had, was het gewone volk vooral afhankelijk van de lokale heer. In deze periode ontstond ook een klasse van ridders, aanvankelijk grotendeels gerekruteerd uit de klasse van ministerialen. Deze klasse met relatief lage sociale status zou zich ontwikkelen tot de ridderstand, die uiteindelijk vergelijkbaar zou zijn met de adel. Hun opkomst droeg bij aan het ontstaan van een hoofse cultuur.
Bevolkingsgroei leidde ook tot kolonisatie, waarbij tijdens de grote ontginning in Zeeland en Holland een klasse van vrije boeren ontstond. Door de toename van de landbouw konden hier nu ook steden ontstaan, terwijl er ook een structuur ontstond om het werk aan de dijken en sluizen te coördineren, waartoe naar voorbeeld van de Vlaamse wateringen waterschappen en heemraadschappen werden opgericht. Door dit alles veranderde de sociale en economische structuur en kon men zich ook gaan richten op de visserij, de lakennijverheid en overzeese handel. De belangrijkste steden lagen echter in het oosten, waar de IJsselsteden grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond.

Consolidatie

Sint Elisabethsvloed in 1421, ~1490-1495, Meester van de Heilige Elisabeth-Panelen.
De strijd tegen het water was een moeizaam en taai gevecht. Mede omdat de effecten van de ingrepen niet altijd ingeschat konden worden. Bedijking van kwelder- en kustveengebieden zorgde ervoor dat tijdens stormen het zeewater niet meer over de kwelders kon uitstromen. Hierdoor steeg de stormvloedhoogte, waardoor de kans op dijkdoorbraken toenam. Deze vonden dan ook veelvuldig plaats.

De veertiende eeuw was voor Europa een periode van crisis in velerlei opzicht, met onder andere de Zwarte Dood (1347-1351) en de Honderdjarige Oorlog. In economisch opzicht was er zelfs sprake van een algemene malaise die tot ca. 1475 duurde. Voor de Nederlanden ging dit echter niet op en was er eerder sprake van economische expansie, hoewel ook hier de nodige problemen waren. Waar de positie van de Franse koning in de voorgaande eeuwen versterkt was en Frankrijk een eigen identiteit ontwikkelde, ontwikkelde een sterke Duitse identiteit zich pas láng nadat dit in de Lage Landen was opgetreden. Deze ontwikkeling was een van de factoren die maakte dat de Nederlanden uiteindelijk geen deel meer zouden uitmaken van het Heilige Roomse Rijk.

De uit de vele kleine gebieden gegroeide gewesten ondergingen een interne consolidatie van onder andere de rechtspraak, terwijl een proto-nationaal bewustzijn vooral werd gestimuleerd door aanvallen van buitenaf. De expansiedrang van de landsheren uitte zich in verscheidene onderlinge oorlogen, maar vooral de huwelijkspolitiek zorgde ervoor — vaak door toevalligheden — dat grote delen van de Nederlanden onder buitenlandse vorstenhuizen vielen. Gezien de voortdurende oorlog probeerden zowel de Engelsen als de Fransen dit proces zoveel mogelijk te sturen in dit economisch belangrijke gebied. Holland kwam onder de invloedssfeer van de graven van Henegouwen, en beiden samen onder invloed van het geslacht Wittelsbach uit Beieren. Het succes van de huwelijkspolitiek bleek echter vooral bij de hertogen van Bourgondië. In 1384 verwierf hertog Filips de Stoute door zijn huwelijk met Margaretha van Male het beheer over de graafschappen Vlaanderen en Artesië. Zijn kleinzoon Filips de Goede wist hier nog een aantal gewesten aan toe te voegen. In 1428 moest Jacoba van Beieren na een opleving van de Hoekse en Kabeljauwse twisten met de Zoen van Delft haar gewesten afdragen aan Filips. Hij verwierf Namen, Brabant, Limburg, Holland, Zeeland, Henegouwen en Luxemburg. Hiermee waren een aantal noordelijke en vrijwel alle zuidelijke gebieden voor het eerst sinds de Karolingische tijd verenigd in een personele unie. De gebiedsuitbreiding naar Utrecht, het Oversticht en Friesland was in feite een voortzetting van de Hollandse politiek. Voorlopig bleef de expansie naar het noorden zonder blijvend resultaat. Holland was het enige gewest ten noorden van de rivieren dat voor de zestiende eeuw permanent deel uitmaakte van het Bourgondische, later Habsburgse landencomplex.

Bourgondiërs

Onder de Bourgondiërs werd vooral door hertog Filips de Goede (1419-1467) getracht meer greep te krijgen op de particularistische gewesten, die elk hun eigen staten hadden. Dit gebeurde door in de gewesten stadhouders aan te stellen, maar ook door een politiek van centralisatie. De vierlander werd als eenheidsmunt ingevoerd; men streefde naar uniformiteit van de centrale instellingen in alle gewesten. De gezamenlijke staten werden bijeengeroepen in de Staten-Generaal en uit de hertogelijke hofraad ontwikkelde zich de Grote Raad van Mechelen. Hieruit ontstond een ambtenarenapparaat met aan het hoofd de kanselier. Van deze ambtenaren werd verwacht dat ze het staatsbelang boven dat van de afzonderlijke gewesten zouden stellen. Niet alle pogingen tot centralisatie slaagden echter. Zo ondervond de indirecte belasting op het gebruik van zout veel weerstand, omdat dit zou betekenen dat de gewesten hun onderhandelingspositie verloren. Deze vond dan ook geen doorgang.

Ondanks de interne zwakheden en lokaal opspelende onrust profiteerden de gewesten van het wegvallen van de onderlinge rivaliteit van de voorgaande eeuwen en begon er een periode van welvaart. Het gebrek aan een koningstitel compenseerden de hertogen met een overdadige hofcultuur, wat er onder andere voor zorgde dat de Lage Landen een belangrijk aandeel hadden in het Europese artistieke leven.

Brugge was in de periode 1380-1480 de belangrijkste handelsmetropool in het meest verstedelijkte gebied in Noordwest-Europa van die tijd. Het aandeel stedelingen bedroeg in 1470 in Vlaanderen 36% en in Brabant 31%, terwijl in Holland in 1514 in de weliswaar relatief kleine steden 45% van de bevolking woonde. De Hollandse zeevaart kende in deze tijd ook een opvallend sterke groei, vooral die op de Oostzee, welke expansie ten koste ging van de Hanze.

De aankomst van Frederik V van de Palts en Elizabeth Stuart te Vlissingen op 29 april 1613, Hendrick Cornelisz. Vroom, ca. 1623.
Walcheren werd door Lodovico Guicciardini (1567) al het maritieme middelpunt van Europa genoemd. Hij roemde onder andere de hoge mate van alfabetisering, zowel in de steden als op het platteland. Ook het humanisme had een gunstige invloed op het onderwijs, zodat aan het einde van de zestiende eeuw in elke stad en in veel dorpen een school was te vinden.

Karel de Stoute wist Gelre te veroveren, maar zijn expansiedrang had uiteindelijk zijn dood tot gevolg. In 1477 sneuvelde hij bij Nancy. Waar aanvankelijk nog de huwelijkspolitiek de Nederlanden in Franse handen had kunnen brengen, dreef Lodewijk XI de erfgename Maria van Bourgondië in de armen van Maximiliaan van Habsburg, waarna na haar vroege dood de Nederlanden aan hun zoon Filips de Schone toevielen.

Habsburgers

Hoewel het grootste deel van de Nederlanden formeel deel uitmaakte van het Duitse Rijk, kwamen deze gewesten pas onder de Habsburgers onder een landsheer die ook koning van Duitsland was. Opmerkelijk hierbij is dat van de gewesten die formeel onder de Franse koning vielen, de meeste ervoor kozen deel uit te blijven maken van de personele unie. Wel maakten de gewesten gebruik van de situatie door te proberen de centralisatie althans ten dele terug te draaien middels het Groot Privilege, dat nog lang daarna aangehaald zou worden om de rechten van de onderdanen ten opzichte van de heer te benadrukken. Maximiliaan van Oostenrijk wist de druk te weerstaan, evenals een grootschalige opstand tegen hem. Het waren wederom genealogische toevalligheden die het gebied daarna onderdeel zouden laten worden van het Spaanse wereldrijk van keizer Karel V (1515-1555), de kleinzoon van Maximiliaan.

De Bourgondiërs hadden uiteindelijk de strijd om de macht in Frankrijk opgegeven en zich mede door hun gebiedsuitbreiding naar het noorden op de Nederlanden gericht. Onder Karel V en vooral onder zijn zoon Filips II verschoof het zwaartepunt echter naar de overige gebieden, vooral Spanje, waarbij het bestuur werd overgelaten aan een landvoogd. Dat de Nederlanden deel uitmaakten van het Habsburgse rijk betekende ook dat deze gewesten betrokken raakten in de strijd met Frankrijk — dat zich plotseling omsingeld zag door het Habsburgse Huis. Deze strijd beheerste de politiek gedurende een groot deel van de zestiende eeuw. In die strijd wist Karel ook de gewesten in het noorden van de Nederlanden te veroveren, waarna deze zogenoemde XVII Provinciën uiteindelijk tot een formele eenheid werden gemaakt.

De reformatie sloeg aan in een gebied dat al lang een kritische houding aannam ten opzichte van de wereldlijke uitspattingen van de geestelijkheid en de structuur van de rooms-katholieke Kerk. Uit de mystiek had zich de moderne devotie ontwikkeld, die sterk de nadruk legde op scholing. In dit klimaat kon het bijbels humanisme zich ontwikkelen met de schrijver Erasmus als voorvechter van de tolerantie. Hoewel Erasmus allerlei kerkelijke misstanden hekelde, kon hij de breuk die ontstond ten gevolge van het optreden van Luther niet accepteren. Luther verwierf al met al betrekkelijk weinig aanhang in de Nederlanden; het aanzienlijk rechtlijniger calvinisme kreeg wel grote aanhang, in alle vrijwel lagen van de samenleving, afgezien van de hoge adel.

De centralisatie werd voortgezet met de instelling van de Collaterale Raden. Het hoogtepunt van deze politiek was de pauselijke bul Super universas, waarmee de Nederlanden niet meer slechts een onderdeel waren van de aartsbisdommen Keulen en Reims, maar voortaan één kerkprovincie vormden. De bul was bijzonder impopulair, vooral door het gerucht dat de hier bestaande inquisitie vervangen zou worden door de gevreesde Spaanse. De centralisatiepolitiek leidde ook bij de stadhouders en de hoge adel tot grote ontevredenheid, aangezien zij veel van hun macht hadden moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Dit verklaart wellicht waarom de adel zich tijdens het bewind van Filips II deels bij de opstandelingen aansloot; dit in tegenstelling tot eerdere onrustige perioden.

De Triomf van de Dood, c. 1562, Pieter Bruegel de Oude.
Mogelijk is dit schilderij een verwijzing naar het verslechterende politieke klimaat in de jaren voor de Opstand, mogelijk ook naar de vele oorlogen onder Karel V. In ieder geval ondervond het economisch centrum van de Habsburgse bezittingen een crisis vanaf de jaren zestig, waarbij zich naast de economische malaise en de hongersnood de godsdienstonderdrukking voegde. Deze ging lijnrecht in tegen de heersende open mentaliteit in de Nederlanden.

In economisch en demografisch opzicht was er vanaf het einde van de vijftiende eeuw een sterke groei. De kerngewesten hiervan waren Brabant en Holland, maar vooral Vlaanderen en de stad Antwerpen, die in 1563 meer dan 100.000 inwoners telde. De oorlogen met Frankrijk, met hoge belastingen en handelsblokkades als gevolg, drukten echter zwaar op de bevolking. In 1565 bevond de economie zich in een zorgwekkende toestand.

Onrust door economische problemen en particularistische tendensen was er eerder geweest en hadden de vorsten uiteindelijk altijd kunnen onderdrukken. Een probleem werd nu dat de landsheer zich sinds Karel V nog maar zelden liet zien, wat een afnemende loyaliteit bewerkstelligde in de als wingewest gebruikte Nederlanden. Deze keer kwam er door de reformatie en vooral de harde vervolging daarvan nog een nieuwe factor bij. Dit explosieve mengsel zou leiden tot de Opstand.

Opstand

1rightarrow.png Zie Nederlandse Opstand en Tachtigjarige Oorlog voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Vanuit Spanje regeerde Filips II op een autoritaire wijze, waarbij hij zichzelf beschouwde als de leider van de contrareformatie. Dit viel slecht in de tolerante Nederlanden, waar de Raad van State onder leiding van Willem van Oranje om verzachting van de plakkaten vroeg. De weigering daarvan vervreemdde de gematigde oppositie van Filips. In het 'wonderjaar' 1566 vond de Beeldenstorm plaats, waarop Filips reageerde met het sturen van de hertog van Alva. De grote afstand tussen Spanje en de Nederlanden bleek een probleem: toen Alva arriveerde, was de rust al maanden weer teruggekeerd. De harde lijn van Alva en zijn Raad van Beroerten wakkerde de onrust vooral aan. Velen ontvluchtten de Nederlanden en zwierven rond als geuzen, die het Spaanse gezag ondermijnden door zeeroverij en guerrilla.

De behandeling van de indianen in de Nieuwe Wereld had in Spanje zelf al voor kritische geluiden gezorgd, zoals de Brevísima relación uit 1552 van Las Casas. Dit werk werd in 1578 ontdekt in de Nederlanden en nog datzelfde jaar vertaald als vorm van propaganda om de Opstand te rechtvaardigen. Het versterkte de negatieve beeldvorming van de Spanjaarden, ook doordat het was geschreven door een Spaanse geestelijke. In Den spiegel der Spaensche tijrannije uit 1620 zijn gravures van De Bry toegevoegd die dit negatieve beeld versterkten.

De eerste opstand in 1567-1568 kon Alva nog de kop indrukken. In de jaren daarna probeerde Alva met harde hand de tiende penning in te voeren, wat opnieuw veel weerstand opriep. Oranje probeerde in de strijd tegen Europa's sterkste monarchie steun te verkrijgen in Duitsland, Engeland en vooral bij de Franse hugenoten. Nog voordat dit succes had, werden de watergeuzen gedwongen te vertrekken uit Engeland. Op 1 april 1572 slaagden zij erin Den Briel in te nemen. Uiteindelijk sloten zesentwintig stadsbesturen zich bij de volksopstand aan en begon een tweede opstand.

Tijdens de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland werd Oranje bevestigd als stadhouder, waarbij men deed voorkomen alsof dit geen strijd was tegen de koning, maar tegen de slechte, door hem gestuurde vertegenwoordigers. Alva begon een tegenoffensief, dat enig succes had. Na het Leids Ontzet slaagden de koningsgezinden er nooit meer in Holland binnen te vallen. Na de Spaanse furie, de zoveelste plundering van Antwerpen door onbetaalde muitende Spaanse troepen, werd in 1576 de Pacificatie van Gent gesloten. Alle gewesten ondertekenden deze. Er was eerder sprake van een scheiding tussen west en oost — aangezien in de oostelijke provincies minder protestanten leefden en er dus minder sprake was van onderdrukking, waardoor zij positiever tegenover de koning stonden — dan het uiteindelijke uiteengaan van noord en zuid zou doen vermoeden.
De eerste breuk kwam in 1579 met de Unie van Atrecht, gesloten door de Waalse gewesten, en de Unie van Utrecht van de overige. In 1581 zworen de opstandige gewesten de Spaanse koning af met het Plakkaat van Verlatinghe, terwijl Parma de zuidelijke Nederlanden wist te heroveren voor de Spaanse kroon. Bij gebrek aan een geschikte andere landsheer ontstond in 1588 de Republiek waarvan de iure de macht bij de Staten-Generaal zou liggen. Hoewel Italië al de nodige stadsrepublieken kende, was deze staatsvorm voor een gebied van deze omvang een novum. Zelfs nog na de Franse revolutie werden landen over het algemeen beschouwd als eigendom van de vorst en konden als zodanig vererfd, samengevoegd en verdeeld worden.

Republiek

De berouwvolle Judas brengt de zilverlingen terug, 1629, Rembrandt van Rijn
Van alle kunstvormen die tijdens de Gouden Eeuw tot bloei kwamen, was de schilderkunst de belangrijkste en daarbinnen is het werk van Rembrandt het hoogtepunt van de Hollandse meesters. Onder andere gebruik makend van clair-obscur legde hij de nadruk meer op de emotie dan op het verhaal.

Hoewel de Unie van Utrecht slechts een samenwerking was tussen verschillende steden en gewesten om de Spaanse dreiging te weerstaan, bleek het uiteindelijk de basis te zijn voor de Republiek. Deze was ondertussen door Parma behoorlijk in het nauw gebracht. Stadhouder Maurits wist dit tij te keren tijdens wat wel de Tien Jaren is gaan heten, daarbij geholpen doordat Spanje op meerdere fronten moest vechten (imperial overstretch).

Economisch ging het voor de wind dankzij de handel en scheepvaart, maar ook de visserij, nijverheid en land- en akkerbouw. De vluchtelingen na de val van Antwerpen — meer dan de helft van de honderdduizend inwoners verliet de stad, de meeste naar de noordelijke provincies — brachten een uitgebreid netwerk mee dat de handel bevorderde. Amsterdam nam na de val en blokkade van Antwerpen de plaats over als handelscentrum van Europa, terwijl Holland de scheepvaart in Europa beheerste.

Hoewel de overheid protestants was, bestond er vrijheid van geweten. Dit gold niet voor de erediensten, maar dit werd over het algemeen niet strikt nageleefd. De tolerantie was een opportunistische die voorkwam dat men te maken kreeg met een exodus zoals het dogmatische Spanje had meegemaakt.

De politieke macht was in de Republiek overgegaan van de Raad van State naar de Staten-Generaal die onder de soevereine provinciale staten viel. Door het economische overwicht kon Holland de Staten-Generaal domineren en kon Oldenbarnevelt als landsadvocaat van Holland bij gebrek aan politieke ambities van Maurits optreden als regeringsleider. Daarnaast benoemden de staten een stadhouder, in de praktijk altijd een Oranje. Zolang de belangen van Holland en Oranje overeenkwamen, bleek deze gekunstelde situatie wonderwel te werken, maar daarbuiten kon dit het bestuur volledig verlammen, zoals tijdens het Twaalfjarig Bestand voor het eerst zou blijken. Een bestuurlijke hervorming bleef echter steken bij de vraag of de uiteindelijke macht bij Oranje dan wel bij Holland lag. Slechts Spinoza behandelde de fundamentele vraag over waar de soevereiniteit lag op universele wijze.

Twaalfjarig Bestand

De zielenvisserij, Adriaen Pietersz van de Venne, 1614.
Allegorie op de ijver van de religies tijdens de Treves. De rivier tekent de vanaf nu duidelijke scheiding tussen noord en zuid, met links de protestanten en rechts de katholieken die beiden naar mensen vissen.

Toen het Twaalfjarig Bestand in 1609 werd afgesloten, was er al een bepaalde mate van verbondenheid tussen de gewesten die niet heroverd waren door Spanje, maar het bestand bracht ook de tegenstellingen aan het licht die tot het einde van de Republiek zouden spelen. Holland werd door de andere gewesten gezien als te machtig en arrogant, hoewel zij dit gewest wel nodig hadden voor de verdediging. Ook was er een verschil tussen de belangen van de kustprovincies, die meer hechtten aan een sterke zeemacht, en de landprovincies, die de nadruk legden op het leger. Daarnaast stonden de handelsbelangen soms tegenover die van de strijd tegen Spanje. Dit resulteerde in een groepering die aansluiting zocht bij Frankrijk, hoewel dat katholiek was, en een groep die toenadering zocht tot de protestantse zeemacht Engeland.

Naast al deze tegengestelde belangen was er ook nog een godsdienstige tegenstelling die politiek gebruikt zou worden en waarbij stellingen werden ingenomen die niet noodzakelijk overeenkwamen met de religieuze overtuigingen. Maurits, die tegen een vrede was die zijn invloed zou doen verminderen, sloot zich aan bij de contra-remonstranten of preciezen nadat Oldenbarnevelt de remonstranten of rekkelijken steunde om te voorkomen dat de staat de controle verloor op de kerk en er slechts ruimte zou zijn voor één kerkstroming. Oldenbarnevelt werd uiteindelijk in 1619 onthoofd op beschuldiging van landverraad, waarna op de Synode van Dordrecht — waar ook besloten werd tot de Statenvertaling te komen die een sterke consoliderende invloed had op het Nederlands — de contra-remonstrantse stroming de officiële leer in de Gereformeerde Kerk werd. Het bestand liep daarna in 1621 af en werd niet verlengd. Daar Maurits slechts geïnteresseerd was in militaire macht, trok hij geen politieke macht naar zich toe en bleven de Zeven Provinciën republikeins. De tegenstellingen tussen de staatsen en de orangisten zouden daarna nog regelmatig opspelen.

Gouden Eeuw

Adolf en Catharina Croeser aan de Oude Delft, 1655, Jan Steen.
De aristocratie werd in de op de handel gerichte Republiek naast de oude adel vooral gevormd door regenten die uit de rijkere koopmansfamilies afkomstig waren. De overdaad die hen eerder had gekenmerkt, werd door het calvinisme getemperd. Naast deze rijkdom was er ook in de Gouden Eeuw nog veel armoede. De burgerij van toen wordt zowel calvinistisch als erasmiaans genoemd.

Hoewel de metafoor wellicht het te simplistische beeld oproept van een periode waarin de Zeven Provinciën een vredig land van melk en honing vormden, was de Gouden Eeuw wel een periode met een grotere politieke, culturele en economische betekenis dan ooit daarvoor of daarna in de Nederlanden. In een periode waarin Engeland en in mindere mate Frankrijk werden geplaagd door interne problemen, wist de Republiek het al bestaande overwicht in vooral de scheepvaart verder uit te bouwen. De graanhandel op de Oostzee werd wel de moedernegotie genoemd, waarnaast de handel op Frankrijk en het Iberisch schiereiland en de grote visserij erg belangrijk waren. Het embargo op de handel met de Spaanse landen zorgde ervoor dat men de specerijen dan maar direct uit Azië ging halen via de VOC, waardoor er uiteindelijk ook ver buiten Europa werd gehandeld. Hoewel de VOC grote winsten wist te bereiken voor de aandeelhouders, droeg de handel op Indië slechts in beperkte mate bij tot de winsten, die vooral in de Europese handel werden bereikt. De WIC moest het Spaanse en Portugese monopolie op de handel in Amerika en Afrika doorbreken. De WIC moest zijn winst vooral halen uit de slavenhandel en de kaapvaart.

De burgerij werd de dominerende klasse, terwijl de invloed van de adel en al eerder van de geestelijkheid verminderde. Regenten begonnen het politieke klimaat te beheersen. In vergelijking met de omringende landen was de heersende elite echter opvallend bescheiden. Hoewel het calvinisme de staatsgodsdienst werd, waren er verschillende andere godsdiensten die gedoogd werden, waaronder vooral de rooms-katholieke. Het naast elkaar bestaan van bevolkingsgroepen van verschillende gezindte, waarvan de belangrijkste in omvang niet veel voor elkaar onderdeden, zou in later eeuwen gaandeweg leiden tot de zogeheten verzuiling.

Kunst en wetenschap bloeiden in het spoor van de economische voorspoed. Deze opbloei kwam vooral tot uiting in de schilderkunst van de Hollandse meesters, zoals Rembrandt, Vermeer, Frans Hals en vele anderen. In de literatuur traden onder anderen P.C. Hooft en Vondel op de voorgrond, terwijl onder meer Huygens en Leeuwenhoek belangrijke wetenschappers waren.

Frederik Hendrik volgde Maurits op en terwijl zijn militaire reputatie als stedendwinger die van zijn halfbroer evenaarde, was hij politiek verreweg diens meerdere. Hij wist de onderdrukking van de remonstranten te beëindigen zonder de contraremonstranten van zich te vervreemden. Holland kon hij in toom houden met behulp van de meerderheid in de Staten-Generaal van de overige gewesten, wat een verwijdering tot gevolg had tussen de Hollandse regenten en de prinsen van Oranje die zich steeds meer als monarchen begonnen te gedragen. In 1648 werd de oorlog met Spanje beëindigd, tegen de zin van stadhouder Willem II. Zijn pogingen de macht naar zich toe te trekken resulteerden na zijn onverwachte dood in 1650 tot het eerste stadhouderloze tijdperk.

Eerste stadhouderloze tijdperk

De bedreigde zwaan, Jan Asselijn.
Een zwaan verdedigt haar nest tegen een hond. Het is later geïnterpreteerd als allegorie voor Johan de Witt die Holland beschermt tegen de vijand.

Dit tijdperk werd binnenlands gekenmerkt door de Ware Vrijheid — de heerschappij van de regenten die geen vrijheid in de moderne zin van het woord was, maar het bezit van bepaalde privileges en rechten — en buitenlands door handelsoorlogen. Johan de Witt zou als raadpensionaris van Holland de belangrijkste staatsman zijn van de Zeven Provinciën, maar altijd ondergeschikt aan de Staten. Over het algemeen bekommerden de regenten zich weinig om politieke draagvlak. De Oranjes konden daardoor na beide stadhouderloze tijdperken terugkeren, hoewel dit afgezien van de toevoeging van een stadhouder aan de bestuursvorm niets veranderde. In deze voor Europese begrippen tolerante periode trok onder andere Descartes eerder al naar de Nederlanden, maar het werk van Spinoza ging zijn tijdgenoten te ver en werd verboden.

Engeland en Frankrijk waren ondertussen bevrijd van hun interne problemen en eisten hun deel van de welvaart. Cromwell stelde een unie tussen het Engelse Gemenebest en de Zeven Provinciën voor, wat werd afgeslagen, waarna de Akte van Navigatie uit 1651 restricties oplegde aan de vaart op Engeland. De daaropvolgende Eerste Engelse Oorlog werd verloren door de Republiek. Onder Lodewijk XIV legde ook Colbert restricties op aan de handel op Frankrijk. Hoewel de Tweede Engelse Oorlog overtuigend werd gewonnen en de Staatse vloot oppermachtig maakte, werd het steeds duidelijker dat de Republiek in de problemen zou komen zodra men de grootmachten niet tegen elkaar wist uit te spelen. Dit bleek in het Rampjaar nadat Karel II en Lodewijk XIV elkaar hadden gevonden in het Verdrag van Dover. Terwijl de buitenlandse troepen met een verbijsterende snelheid optrokken tot aan de waterlinie, werden de gebroeders de Witt gelyncht in Den Haag, waarna Willem III tot stadhouder werd benoemd.

Willem III

De crisis gaf de orangisten de overhand. Onder Willem III wist men uit de benauwde situatie te komen, waarbij Michiel de Ruyter de gezamenlijke zeemacht van Frankrijk en Engeland wist te verslaan. Hierna zou Willem III zich blijven richten op het vormen van een Europese coalitie tegen het expansionisme van Lodewijk XIV. Hoewel hij hier successen bij boekte, begon de teruggang van de macht van de Republiek zich af te tekenen.

Onder druk van het Franse expansionisme en de Franse invloed op de Engelse troon kwam de Glorious Revolution tot stand, waarmee de al sinds Willem II bestaande verbinding tussen Oranje en de Stuarts bevestigd werd. Nu Willem III ook in Engeland aan de macht was, kon hij zich nog sterker richten op het bestrijden van de Franse hegemonie.

Tweede stadhouderloze tijdperk

Het IJ voor Amsterdam met de 'Gouden Leeuw', het voormalige vlaggeschip van Cornelis Tromp, 1686, Willem van de Velde de Jonge
De Nederlandse handelsvloot bleef van grote omvang, maar kon de Engelse en Franse groei niet evenaren. Ook de Staatse vloot bleef een macht om rekening mee te houden, maar verloor na de Derde Engelse Oorlog het overwicht. In de achttiende eeuw bleef de Republiek welvarend, maar het was een periode van consolidatie die de opwinding van de expansie van de eeuw daarvoor miste. De regentenklasse werd een steeds geslotener oligarchie, waar de komst van een stadhouder niets aan veranderde.

Door het hardvochtige bestuur van Willem III koos men buiten Friesland en Groningen na zijn kinderloos overlijden geen nieuwe stadhouder. De handel en scheepvaart kenden niet meer de groei kenden van de vorige eeuw, maar bleef substantieel. De handel van Frankrijk en vooral Engeland groeide echter wel sterk, zodat het Nederlandse aandeel relatief kromp. De Republiek had nog wel een belangrijke financiële sector, waarbij buitenlandse regeringen grote leningen aangingen bij Amsterdamse bankiers.

Politiek en militair zat de Republiek in het tweede stadhouderloze tijdperk op de tweede rang. Economisch speelde na veertig jaar oorlog met Frankrijk de enorme staatsschuld een grote rol, waarbij vooral na de Spaanse successieoorlog bleek dat de Republiek boven haar macht werkte. Zeventig procent van het inkomen van Holland ging op aan rente. Het gevolg was een afhankelijkheid van Engeland, de nieuwe maritieme macht waaronder de Staatse vloot zou vallen. De Oostenrijkse Nederlanden werden met het barrièretractaat een bufferstaat waar Staatse garnizoenen gelegerd lagen. De Zeven Provinciën werden een nachtwakersstaat waarin afgezien van de hervormingsgezinde Slingelandt geen grote namen naar voren kwamen, terwijl de orangistische tendens veel minder sterk was dan in het eerste stadhouderloze tijdperk. De paniek die de inval van Franse troepen in het zuiden van de Republiek in 1747 echter veroorzaakte, leek een herhaling van het rampjaar en bracht Willem IV de functie van stadhouder, voor het eerst in alle gewesten. Internationaal kon de politiek lange tijd gebaseerd worden op het uitspelen van de Frans-Engelse tegenstellingen, maar na de Zevenjarige Oorlog had zich in Europa een nieuw machtsevenwicht gevormd, waardoor dit niet meer werkte en de Republiek steeds meer werd overgeleverd aan de welwillendheid van de grootmachten.

Patriottentijd

Het Pruisische leger trekt Amsterdam binnen via de Leidsepoort

Waar het bestuur van het land eerder weliswaar geen democratie was geweest, maar het volk wel invloed uit kon oefenen, was het nu in handen van een regentenklasse die zich steeds meer afsloot. De onvrede kwam het eerst tot uiting in de pachtersoproer in 1748. De doelisten zagen Willem IV als degene die het bestuur kon hervormen, maar toen hij aan de macht kwam bleek hij niet van plan de bestaande structuur te veranderen.

De vroege dood van Willem IV liet het stadhouderschap toekomen aan de driejarige Willem V die in 1766 meerderjarig werd. Ook hij wist daarna niet de politieke vernieuwing te brengen waarop gehoopt werd. Ondertussen begon de verlichting ook invloed te krijgen in de Republiek, waar een goed onderwijs bestond en daarmee een relatief grote groep geletterden. Israel betoogt daarentegen dat de wisselwerking begon in de Nederlanden, waar de radicale verlichting ontstond uit het radicale cartesianisme. De Patriottenbeweging was volgens hem de enige grote Europese democratische massabeweging voor de Franse revolutie.

Internationaal waren de verhoudingen gewijzigd en was er na eeuwen niet langer een Frans-Habsburgse tegenstelling, waardoor de barrièresteden verloren gingen. Bij de Staten van Holland en de Staten-Generaal ontstond onvrede over het stadhouderlijk stelsel die gedeeld werd met de regenten die in de pro-Engelse koers van de stadhouder een bedreiging voor de handel zagen. De Amerikaanse revolutie werd toegejuicht door de democraten, maar ook door de regenten die een vermindering van de Engelse macht zagen.

De steun aan de Amerikanen was de aanleiding tot de Vierde Engelse Oorlog waarmee een einde kwam aan een eeuw van bondgenootschap. De onvrede richtte zich op het patronagestelsel waarbij de regenten zich keerden tegen het afnemen van hun invloed, terwijl de democratische beweging bezwaar had tegen het oligarchische karakter van het bestuur. Hoewel de motieven dus van verschillende aard waren, noemden de anti-orangisten zich allen patriotten. Men greep hierbij terug op de Opstand en de Gouden Eeuw, waarbij men onder het mom van Grondwettelijke Herstelling de oude rechten en privileges terug wilde. Willem V werden zijn speciale bevoegdheden ontnomen, waarna zich op lokaal niveau een revolutie begon af te tekenen, waarbij vrijkorpsen een belangrijke rol speelden. De aanhouding bij de Goejanverwellesluis van Wilhelmina leidde tot de Pruisische inval die de Oranjerestauratie af zou dwingen, waarbij regenten die te veel democratie vreesden zich zouden aansluiten. Veel patriotten vluchtten naar Frankrijk waar zij een niet onbelangrijke rol hadden in de Franse revolutie die hen terug zou brengen naar de Republiek tijdens de Bataafse revolutie.

Bataafse tijd

Een jongen op straat aangevallen door een slagersjongen met een hakmes, 22 november 1806, Christiaan Andriessen. Wat scheeld er aan jongen? Wel die jongen snijd me daar met een hakmes in mijn smoel.
Hoewel zinloos geweld een recente term is, is het fenomeen niet beperkt tot deze tijd. Het kwam ook voor in Amsterdam tijdens de Bataafse tijd waar door de oorlog met het Verenigd Koninkrijk de handel tot stilstand kwam en de bevolking uit armoede wegtrok, terwijl andere steden vervielen tot slechts marktplaatsen.
1rightarrow.png Zie Franse tijd in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de voorgaande eeuwen was in de Republiek een notie van de moderne staat bereikt. De Staten hadden een soevereiniteit die bij andere Europese landen door middel van een revolutie bereikt moest worden. Dat gold ook voor de politieke en religieuze tolerantie, de gelijkheid van alle burgers en de verdeling van de welvaart over de bevolking. Dat betekende niet dat er geen sociale ongelijkheid was en met de neergang van de Republiek kwam het institutioneel onvermogen aan het licht.

Door de bestaande situatie was deze periode veel minder gewelddadig dan in Frankrijk en kon vooral aandacht besteed worden aan de vorming van een land waarin het provinciale overwicht van Holland vervangen werd door een centraal geleid bestuur. Het betekende wel dat men een vazalstaat van de nieuwe Franse republiek werd en volgens het Verdrag van Den Haag een schadeloosstelling van honderd miljoen gulden moest betalen voor de bevrijding.

Binnenlands was er aanvankelijk enige onafhankelijkheid en werden de Rechten van de Mens en Burger ingevoerd, waarmee onder andere alle religies gelijk werden gesteld. De Nationale Vergadering was de eerste democratische volksvertegenwoordiging in Nederland, maar bleek niet in staat het staatsbestel te hervormen door de tegenstellingen tussen de unitarissen, voorstanders van de eenheidsstaat, en de federalisten die provinciale soevereiniteit voorstaan. Na drie jaar leidde de frustratie met Franse steun tot twee staatsgrepen waarna met de Staatsregeling van 1798 de eerste Nederlandse grondwet werd ingevoerd, wat een radicale breuk was met het provincialisme. Dit was op staatkundig gebied de belangrijkste verandering sinds de Opstand.

Het volk had zich echter afgekeerd van de politiek, waarbij ook nog de economische achteruitgang kwam door de oorlog met Engeland. Nederland veranderde in een agrarische samenleving van Jan Salie waarbij zelfs Amsterdam een groot deel van zijn bevolking verloor. Rond 1800 wist men tot nationale verzoening te komen, waarbij de Fransen ook steeds meer als bezetters in plaats van bevrijders werden gezien. In 1801 was er wederom een staatsgreep waarmee de Bataafs Gemenebest werd ingesteld dat weer een federaler karakter kreeg. Ook dit bewind voldeed niet aan de verwachtingen, waarna Napoleon Schimmelpenninck aanstelde als raadpensionaris. Hoewel deze een jaar later al aan de kant werd geschoven ten gunste van Lodewijk Bonaparte wist Schimmelpenninck belangrijke hervormingen door te voeren.

Lodewijk Bonaparte zette de lijn van Schimmelpenninck door, maar identificeerde zich volgens zijn broer te veel met het Koningrijk Holland, onder andere door een gebrekkige naleving van het continentaal stelsel. In etappes werd het land daarna ingelijfd door het Franse Keizerrijk. Vooral de invoering van de Franse wetgeving was van blijvende betekenis. Na de desastreus verlopen veldtocht naar Rusland en volkerenslag verlieten de Franse troepen in 1813 het land. Vooral door Hogendorp lag het initiatief voor een nieuwe staat niet bij de geallieerden. Hoewel de rol van Oranje in de jaren daarvoor voorbij leek te zijn, werd de zoon van de overleden Willem V gevraagd soeverein te worden.

Verenigd Koninkrijk

Een neger, levend aan zijn ribben opgehangen in een vertaling van Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam van Stedman uit 1796. Het boek — vooral door de illustraties aangrijpend — was belangrijk in de vroege fase van het abolitionisme.

De honderd dagen van Napoleon trokken de Belgen over de streep om zich aan te sluiten bij het Verenigd Koninkrijk. Hoewel Willem I wel wordt vergeleken met de verlichte despoten had hij wel degelijk te maken met de grondwet en de Eerste en Tweede Kamer. Dit weerhield hem er niet van om buiten de kamers om te regeren en zo het land te herstellen van de verwoestende Franse overheersing.

De in het zuiden in de Franse tijd florerende industrie werd gestimuleerd, terwijl in het noorden de nadruk lag op het herstel van de handel en scheepvaart. In het gehele land werd de infrastructuur aangepakt, terwijl een reeks nieuwe instellingen waaronder de NHM de welvaart moesten verbeteren om Nederland zo uiteindelijk weer een grote mogendheid te worden. De grotendeelse teruggave van de koloniën door de Britten hielp hierbij, hoewel het tot de invoering van het cultuurstelsel in Nederlands-Indië in 1830 zou duren voor er sprake was van een batig slot.

Zo voortvarend als Willem de economie stimuleerde, zo conservatief was zijn politiek. De taaldwang zorgde voor de nodige weerstand in het zuiden, terwijl de katholieken vrijheid van onderwijs en godsdienst eisten en de liberalen bezwaren hadden tegen de autoritaire regeeerstijl van Willem I. Dit leidde tot het Monsterverbond en uiteindelijk de Belgische afscheiding.

Koninkrijk der Nederlanden

De weigering van Willem I om de afscheiding te accepteren, resulteerde in hoge financiële lasten. Daarnaast werkte het systeem niet meer waarbij de in het zuiden gefabriceerde producten door noordelijke schepen vervoerd werden. Het was nu duidelijk dat Nederland tot de kleine mogendheden behoorde en noodgedwongen begon men een neutraliteitspolitiek te volgen.

Parlementaire democratie

Het revolutiejaar 1848 verliep in Nederland relatief rustig doordat Willem II een nieuwe grondwet liet ontwerpen door Thorbecke waardoor de ministers voortaan verantwoordelijk voor het beleid waren in plaats van de koning en Nederland een constitutionele monarchie werd. Thorbecke kon dit daarna invullen met de nodige hervormingen, maar kwam ten val na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie en de daaropvolgende Aprilbeweging.

De schoolstrijd zou daarna een belangrijk onderdeel van de politiek vormen, waarin zich confessionele partijen begonnen te vormen in oppositie tegen het jarenlange overwicht van de liberalen, met de protestantse Anti-Revolutionaire Partij als eerste landelijke politieke partij.

Modernisering

De fabriekskinderen: "Leve mijnheer van Houten", 1874, Elias Spanier.
Het kinderwetje van Van Houten was de eerste sociale wet in Nederland. Langzaam begon de overheid een grotere rol te spelen na de eerdere terughoudendheid van de liberalen.

Aan het einde van de negentiende eeuw kwam vooral in het oosten en het zuiden de industrialisatie op gang die belangrijk bijdroeg aan de economische groei. Hierdoor werden de onderste sociale lagen van de samenleving zichtbaar als arbeidersklasse. Hieruit ontstond een arbeidersbeweging die zich organiseerde in politieke partijen en vakbewegingen. Naast de schoolstrijd werden uitbreiding van het kiesrecht en verbetering van de sociale omstandigheden van de arbeiders belangrijke politieke thema's. Er begon zich een verzuiling af te tekenen die met het burgerlijk karakter tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw de Nederlandse samenleving zou kenmerken. De gestegen welvaart ging gepaard met een grote opbloei van kunsten en wetenschappen. Geleidelijk verdween de echte armoede, terwijl arbeidsvoorwaarden een wettelijke basis kregen.

Hoewel de neutraliteit voortkwam uit onvermogen, begon Nederland zich te profileren als gidsland. Dit stond in tegenspraak met het beleid in de koloniën, waardoor een ethische politiek ontstond. Onder andere door de economische belangen kwam dit niet verder dan het financieren van volksonderwijs en een beperkte mate van politieke participatie van de koloniale bevolking.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog wist Nederland neutraal te blijven, maar het was wel het einde van de sterke economische groei. Onder druk van de oorlogsomstandigheden kwam men tot de pacificatie van 1917 waarmee niet alleen de angel grotendeels uit het conflict werd gehaald, maar ook de verzuiling officieel bevestigd werd. Er kwam een einde aan de schoolstrijd en voor mannen werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, twee jaar later gevolgd door het vrouwenkiesrecht. De sociale kwestie werd echter niet opgelost en na de vergissing van Troelstra was de positie van de socialisten ernstig verzwakt.

Burgerlijk-verzuilde samenleving

De ontwikkelingen hadden er ondertussen toe geleid dat Nederland duidelijk te herkennen was als natiestaat. In de periode na de Eerste Wereldoorlog werd de bestaande ontwikkeling versneld. De infrastructuur werd uitgebreid, de Afsluitdijk voltooid en in de industriële sector groeiden enkele zeer grote bedrijven, terwijl in de wetenschap en kunsten grote namen naar voren kwamen. Ook begon er langzaam een sociaal stelsel te ontstaan.

Internationaal bleef men neutraal ondanks de toetreding tot de Volkenbond en de vestiging van het Permanent Hof van Internationale Justitie in Den Haag. De relatie met België dat zwaar had geleden onder de oorlog was gespannen. Nederland onthield zich van steun aan de Vlaamse Beweging ondanks de toespelingen op de onderlinge band vanuit het Grootneerlandisme.

Hoewel er met de NSB en de CPN wel antiparlementaraire bewegingen waren, was de parlementaire democratie tot de Tweede Wereldoorlog nooit in gevaar. Na de gespannen verhoudingen met het koningshuis in de negentiende eeuw, groeide de populariteit van de koninginnen, waarbij meetelde dat zij geen directe politieke invloed meer nastreefden.

Vooral de politiek, de vakbeweging, scholen, omroep, pers en jeugdbeweging waren sterk verzuild. Ideologische tegenstellingen werden getracht op te lossen met een pacificatiepolitiek, wat vooral bij levensbeschouwelijke kwesties niet altijd lukte. Aangezien de confessionelen van 1918 tot 1994 altijd deel uitmaakten van de regering, had dit de nodige invloed.

De crisis van de jaren dertig bracht na een periode van voorspoed grote werkloosheid en duurde in Nederland bijzonder lang om te worden gevolgd door de Tweede Wereldoorlog. Dit zou uiteindelijk een toenemende invloed van de staat op de samenleving tot gevolg hebben.

Waar de Nederlandse neutraliteit in de vorige oorlog strategische voordelen had voor beide strijdende partijen, veroverde het Duitse leger op weg naar Frankrijk deze keer Nederland wel, waarna het kabinet met koningin Wilhelmina naar het Verenigd Koninkrijk vluchtte. Het nationaalsocialistische bestuur gebruikte Nederland als wingewest om de oorlog te ondersteunen en probeerde daarnaast de bevolking te nazificeren, terwijl ruim honderdduizend Joden — 75% van de Joodse bevolking in Nederland — werd omgebracht in vernietigingskampen. Slechts een klein deel kon overleven door onder te duiken. Na een aanvankelijke gematigde benadering, verhardde de bezetter al snel. Hoewel er zowel verzetsbewegingen als collaborateurs waren, was de algemene houding er echter een van inschikken door vergaande aanpassing, ook wel accommodatie genoemd.

Door de bezetter werden veel instellingen uit de verzuiling vervangen door algemene. Maar hoewel in het verzet de verschillende zuilen samenwerkten en na de bevrijding de doorbraakgedachte heerste, keerde men al snel terug naar de verzuiling van voor de oorlog. Daarmee was de oorlog minder een breuk dan verwacht zou kunnen worden. Wel werd afstand gedaan van de falende neutraliteitspolitiek met het lidmaatschap van de VN, de EG en vooral de NAVO tijdens de Koude Oorlog.

Ook ging het door Japan bezette Nederlands-Indië na een onafhankelijkheidsstrijd verloren. Dit gold tot zwarte Sinterklaas in 1957 niet voor de economische banden met Indonesië die met het Marshallplan van groot belang waren voor de wederopbouw. Willem Drees regeerde tijdens deze periode waarin de verzorgingsstaat werd uitgebreid.

Ontzuiling

Ontruiming van een kraakpand op het Damrak in Amsterdam op 31 oktober 2007.
Met het verdwijnen van de verzuiling ontstond een jeugdcultuur met verschillende subculturen. In de jaren tachtig ontstond door de woningnood gecombineerd met langdurige leegstand de kraakbeweging. Met de kroningsoproer begon een zeer gewelddadige krakersperiode die de politie naar een andere benadering van groepsgeweld liet zoeken.

Hoewel er na de oorlog in de kunst wel bewegingen waren als de Vijftigers en Cobra, ontstond er pas in de jaren zestig een beweging van verandering die maatschappijbreed was. Hoewel bestaande structuren en normen en waarden niet direct verdwenen, werden deze vanaf toen wel ter discussie gesteld.

In de jaren vijftig was de concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland verbeterd door de geleide loonpolitiek. Het decennium daarop zag de ontdekking van de aardgasbel en grote loonsverhogingen die een luxe mogelijk maakten die daarvoor niet gekend was, het begin van de consumptiemaatschappij. De individuele ontplooiing werd geleidelijk belangrijker dan het voldoen aan de verwachtingen van de zuil. Er ontstond een jeugdcultuur die zich juist afzette tegen de oudere generatie, terwijl de seksuele moraal vrijer werd. Ook de vrouwenbeweging liet sterk van zich horen, al loopt de emancipatie tot op heden achter ten opzichte van omringende landen.

Parallel daaraan speelde zich vanaf deze periode de ontkerkelijking af. Met de secularisering groeide het deel van de bevolking dat zich niet rekende tot een van de zuilen. Ook de burgerlijke waarden veranderden, waarbij gezag niet langer vanzelfsprekend was, maar afhankelijker van vaardigheid.

In de jaren zeventig moest dan ook de politiek volgen met een vernieuwing tijdens het kabinet-Den Uyl. Dat dit grotendeels mislukte, lag onder andere aan de oliecrisis en de economische neergang daarna. Vooral de arbeidsintensieve industrie bleek hierna weg te trekken naar lagelonenlanden. De daarop volgende grote werkloosheid sloeg vooral toe onder laag opgeleiden, waaronder veel gastarbeiders die tijdens de economische voorspoed waren binnengehaald. Uiteindelijk bleek de verzorgingsstaat hierdoor niet in volle omvang houdbaar te zijn. Het idee van de maakbare samenleving zorgde ook voor toenemend overheidsingrijpen met een toename van de bureaucratie die de overheid niet slagvaardiger maakte.

In de jaren negentig trok de economie aan en groeide de milieubeweging. In 1972 had het rapport De grenzen aan de groei van de Club van Rome vooral in Nederland grote indruk gemaakt, waarop de overheid weliswaar direct reageerde, maar het bleek een moeilijk internationaal probleem, waarop men niet direct greep kreeg. Een ander moeilijk probleem, de bezorgdheid over de groeiende groep van etnische minderheden, werd aanvankelijk vooral genegeerd, tot Pim Fortuyn toetrad tot de politiek en het integratiebeleid een verplicht onderdeel werd van de politiek. Frustratie over het vermeende falende overheidsbeleid bleek nadat negen dagen na de moord op Fortuyn zijn partij een ongekende verschuiving teweeg bracht in de Tweede Kamerverkiezingen.

Waar in de jaren zestig universele waarden voorrang moesten krijgen, werd vanaf nu weer aandacht gevraagd voor de nationale cultuur die gevaar zou lopen door enerzijds de Europese eenwording en anderzijds de grote groepen etnische minderheden. Het Grondwettelijk verdrag voor Europa werd dan ook afgewezen. En na 11 september 2001 verminderde de tolerantie ten opzichte van de islamitische minderheden, die zich op hun beurt in het gedrang voelden komen. De moord op Theo van Gogh leek de bevestiging van het multiculturele drama van een etnische onderklasse die niet integreert en op den duur radicaliseert. Terwijl op dit vlak de traditionele tolerantie verminderde, zorgde het toestaan van het homohuwelijk en onder voorwaarden abortus, euthanasie, prostitutie en softdrugs ervoor dat die indruk naar buiten wel bleef bestaan.

Nationaal is er na de ontzuiling voor vele mensen geen ideologische stroming meer waar zij zich naar kunnen richten, terwijl het einde van de Koude Oorlog de internationale verhoudingen niet duidelijker heeft gemaakt. Daarnaast zijn er de kernproblemen die Fortuyn door de benoeming ervan zijn grote aanhang gaf en die nog steeds actueel zijn. Desondanks is Nederland een zeer welvarend land met een goede sociale zorg en een stabiele samenleving, dat ondanks de recente moorden een relatief geweldsarme ontwikkeling heeft meegemaakt.

Ligging en inrichting

Nederland zonder dijken. Ongeveer 27% van het oppervlakte van Nederland, waaronder grote delen van het dichtbevolkte en economisch belangrijke westen, ligt beneden NAP.
De Oosterscheldekering, die de Oosterschelde afsluit, gezien uit de lucht. In het midden ligt het kunstmatige eiland Neeltje Jans. Deze stormvloedkering is onderdeel van de Deltawerken.
1rightarrow.png Zie Geografie van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland ligt in het noordwesten van Europa en wordt begrensd door de Noordzee, Duitsland en België. De lengte van de landsgrens bedraagt 1027 km, terwijl de kustlijn 451 km lang is.

Water

Nederland wordt zowel in het noorden als westen omringd door de Noordzee. In het noorden wordt een duinenrij gevormd door een de Waddeneilanden, een serie barrière-eilanden waarachter zich de ondiepe Waddenzee bevindt. Middenin het land ligt het IJsselmeer, de voormalige Zuiderzee, een grote binnenzee die sinds de voltooiing van de Afsluitdijk in 1932 van de Waddenzee is afgesloten en sindsdien zoetwater bevat. Andere zee-armen en estuaria zijn de Dollard en de Lauwers in het noorden en het Hollandsch Diep, het Haringvliet, het Grevelingenmeer en de Ooster- en Westerschelde in het zuidwesten. Een groot deel van Nederland is gevormd uit de delta van de Rijn, de Maas en de Schelde. De Maas en de Rijn vormen samen met met de Waal, de Lek en de Merwede bovendien de grote rivieren, een rivierengebied dat een natuurlijke barrière tussen het noorden en zuiden van het land is. De IJssel, soms ook tot de grote rivieren gerekend, is een vertakking van de Rijn die noordwaarts stroomt en uitmondt in het IJsselmeer.

De eeuwenlange strijd tegen het water heeft een duidelijke invloed gehad op de inrichting van Nederland. Door overstromingen en menselijk ingrijpen is de kustlijn in de loop van de geschiedenis aanzienlijk veranderd. Ingrijpende rampen waren de stormvloed van 1134, waarbij Zeeland in een archipel veranderde, de Sint-Luciavloed (1287), de Sint-Elisabethsvloed (1421) en als laatste de watersnoodramp van 1953. Bij overstromingen ontstonden nieuwe zee-armen of getijdengebieden op de plek waar eerder land lag. Al sinds de Middeleeuwen worden langs de kust en de rivieren dijken aangelegd om het land tegen het water te beschermen.[7] Een ander project in de strijd tegen het water zijn de Deltawerken, die zijn aangelegd tussen 1958 en 1997. Het hele Deltaplan omvatte het ophogen van meer dan 3000 kilometer zeedijk en meer dan 10.000 kilometer binnendijk langs kanalen en rivieren tot deltahoogte. Ook werden de zee-armen die in de loop der tijd in het zuidwesten van Nederland waren ontstaan door dijken van de zee afgesloten.

Grote stukken land zijn door de mens drooggelegd en gewonnen op het water, de zogenaamde polders. Bij voormalige meren of plassen worden deze nieuwe stukken land droogmakerijen genoemd. De grootste polders zijn de Zuiderzeewerken, die in de 20e eeuw zijn aangelegd en gezamenlijk meer dan 2500 vierkante kilometer nieuw land beslaan.

Ruimtelijke ordening

De grootste vier steden zijn Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, allen gelegen in het westen van het land, maar geen enkele telt meer dan een miljoen inwoners. Wel zijn er 21 steden die meer dan 100.000 inwoners hebben. Dit gebied van de vier grote steden vormt een grote stedelijke agglomeratie die de Randstad wordt genoemd. Hiertoe worden onder andere ook de steden Delft, Leiden, Haarlem en Dordrecht gerekend. De Randstad bevat ook een aantal forensensteden, waaronder Almere en Zoetermeer die thans tot de tien grootste steden van het land behoren.

In het zuiden is er de Brabantse Stedenrij. Met een verzorgingsgebied van 1,5 miljoen mensen en 20% van de industriële productie van Nederland vormen de vijf steden van BrabantStad een van de belangrijkste stedelijke regio's van Nederland. In het oosten zijn Arnhem-Nijmegen en Twentestad twee agglomeraties van kleinere omvang. Daarnaast zijn er nog enkele steden die een belangrijke regionale functie hebben, zoals Leeuwarden en Groningen in het noorden en Maastricht in het uiterste zuiden.

Fysische geografie

1rightarrow.png Zie ontstaan van de Nederlandse ondergrond voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Fysische geografie beschrijft en verklaart de fysische of natuurkundige processen die het landschap vormen en hebben gevormd. De conditionele factoren hierbij zijn het substraatgesteente en reliëf — het klimaat en de mens. Deze hebben een grotere invloed op water, bodem en vegetatie dan andersom. Het tegenwoordige Nederlandse landschap is grotendeels gevormd in de laatste 150.000 jaar.

Klimaat

Langjarige gemiddelden en extremen, tijdvak 1971 - 2000, De Bilt[8]
Maand jan feb mar apr mei jun jul aug sep okt nov dec Jaar
Gem. hoogste temp. (°C) 5,2 6,1 9,6 12,9 17,6 19,8 22,1 22,3 18,7 14,2 9,1 6,4 13,7
Gem. laagste temp. (°C) 0,0 -0,1 2,0 3,5 7,5 10,2 12,5 12,0 9,6 6,5 3,2 1,3 5,7
Gem. temp. (°C) 2,8 3,0 5,8 8,3 12,7 15,2 17,4 17,2 14,2 10,3 6,2 4,0 9,8
Gem. neerslag (mm) 67 48 65 45 62 72 70 58 72 77 81 77 793
Gem. aantal uren zon 52 79 114 158 204 187 196 192 133 106 60 44 1524
1rightarrow.png Zie klimaat van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland heeft een zogenaamd Cfb-klimaat, een gematigd zeeklimaat met milde winters en koele zomers.

Het klimaat wordt beïnvloed door de Noordzee die het gehele jaar de temperatuur matigt, waarbij zowel de dagelijkse als jaarlijkse temperatuursschommelingen toenemen richting het oosten. Hoewel er de laatste een stijging van de gemiddelde temperatuur is waar te nemen, is door de grote natuurlijke temperatuursfluctaties nog niet met zekerheid te zeggen of dit het gevolg is van een versterkt broeikaseffect.

Met ca. 1600 zonuren heeft de kust de meeste zonuren, terwijl de Achterhoek met ca. 1450 uur de minste zonneschijn heeft. Ondanks het imago van regenland, regent het gemiddeld slechts 7% van de tijd. In de zomer is er vooral op grasland een verdampingsoverschot, maar gemiddeld is er jaarlijks een neerslagoverschot, het grootst op de Veluwe. Het natst zijn de Veluwe, Drenthe en Zuid-Limburg, het droogst het centrale deel van Limburg met minder dan 700 mm.

Het weer is sterk afhankelijk van de luchtsoort en de fronten die de verschillende luchtsoorten scheiden.

Substraat

Gesteenten

1rightarrow.png Zie geologie van Nederland en Vlaanderen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De geologische structuur van de Nederlandse ondergrond wordt gekenmerkt door een serie horsten en slenken, die onderdeel vormen van een grote tektonische structuur die dwars door Europa loopt, van de Middellandse Zee bij Marseille tot onder de Noordzee. Het zuidoosten van het land ligt boven het Beneden-Rijnslenkensysteem, waar nog steeds verzakkingen in de aardkorst plaatsvinden. In 1992 (Roermond) en 2002 (Aken) vonden hier nog kleine aardbevingen plaats. De Beneden-Rijnslenk gaat in het westen van Nederland over in het West-Nederlands Bekken, dat op zijn beurt overgaat in vergelijkbare slenkstructuren in de ondergrond onder de Noordzee.

Zoals de naam van het land al aangeeft, is Nederland laag gelegen. Het grootste gedeelte van Nederland bestaat uit een kustvlakte die geologisch gezien tot het Noordzeebekken behoort, een groot geologisch bekken waarvan de Noordzee zelf het centrale deel vormt. Het Noordzeebekken vormde zich vanaf het Krijt, ca. 60 miljoen jaar geleden. Hoewel er actievere en minder actieve fasen waren, vond gedurende deze tijd in dit bekken bodemdaling en sedimentatie plaats.

De randen van het Noordzeebekken vormden, tot de mens de laatste duizend jaar een belangrijke invloed op het landschap werd, een voorbeeld van een zich op natuurlijke wijze ontwikkelend kustgebied. Terwijl het centrale deel van de Noordzee bedekt is door de zee zelf, worden de randen opgeëist door delta's van de grote rivieren die in de zee uitmonden. Op de overgang tussen water en land vormden zich door de werking van de zee stranden, duinen en waddengebieden. De kustvlaktes, die zich door de afzetting van het riviersediment vormden, bevatten ook moerassen en meren.

Verreweg het meeste gesteente dat in Nederland dagzoomt is afgezet tijdens het Kwartair. De formaties van de Boven-Noordzee Groep vormen het grootste deel van het oppervlak van Nederland. Belangrijke formaties zijn de Formatie van Naaldwijk, waarvan het zand en de klei in een groot deel van het westen en het noorden van Nederland aan de oppervlakte ligt, en de uit veen bestaande Formatie van Nieuwkoop. Het zand van de Formatie van Boxtel is te vinden in het oosten en zuiden, terwijl rond de rivieren de afzettingen van de Formatie van Echteld zijn te vinden.

Alleen op kleine plekken komen oudere gesteenten aan het oppervlak. Een uitzondering is Zuid-Limburg, waar het Krijt op veel plekken aan het oppervlak ligt. Alle gesteenten uit de laatste 65 miljoen jaar, het Kwartair en Tertiair samen, worden in Nederland de Noordzee Supergroep genoemd. Deze kan in de slenken vele tientallen kilometers dik zijn en is op de horsten ook nog steeds kilometers dik.

Zoals in grote delen van West-Europa, bevindt zich in het Nederlandse Carboon steenkool, die in Zuid-Limburg tot halverwege vorige eeuw door de mijnbouw gewonnen werd. In de ondergrond van het West-Nederlands Bekken en onder de Noordzee wordt ook aardolie gewonnen, hoewel dit beperkt is vergeleken met de veel grotere Noorse reserves onder de noordelijke Noordzee. Er zijn twee soorten aardgas in de Nederlandse ondergrond te vinden: droog aardgas, dat samen met de steenkool is ontstaan (voornamelijk in het Carboon) en nat aardgas, dat samen met aardolie is ontstaan, voornamelijk in het Krijt. De eerste soort komt vooral onder het land voor, de tweede soort onder de Noordzee en in het West-Nederlands Bekken. Het grootste Nederlandse gasreservoir is het aardgasveld van Slochteren in het noorden van het land. De Slochteren Formatie maakt onderdeel uit van de Boven Rotliegend Groep.

Reliëf

Het landschap van Nederland is bijna overal vlak. Geringe hoogteverschillen komen voor in het oosten en zuiden van het land, grotendeels veroorzaakt tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien van 238.000 tot 128.000 jaar geleden. De ijskap reikte zo ver naar het zuiden, dat het noorden van Nederland door gletsjers bedekt werd. Dit dwong de grote rivieren hun loop te verleggen tot de huidige oost-west lopende ligging. Tegelijkertijd werkte de stuwende kracht en het gewicht van de gletsjertongen op de ondergrond. Dit zorgde voor het ontstaan van een afwisseling van stuwwallen, zoals de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, de Sallandse Heuvelrug en glaciale bekkens, zoals de Eemvallei en de IJsselvallei.

Alleen het uiterste zuiden van de provincie Limburg (Zuid-Limburg) is heuvelig. Hier bevindt zich ook het hoogste punt van het land: de 323 meter hoge Vaalserberg, met als top het Drielandenpunt met Duitsland en België. Het laagste punt van Nederland bevindt zich in de buurt van Nieuwerkerk aan den IJssel en bevindt zich 6,76 meter onder NAP.

Waterstaat

1rightarrow.png Zie waterstaat in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Uit de waterbalans van Nederland blijkt dat vooral de toevoer via de Rijn van belang is voor Nederland. Deze voert zelfs meer dan twee maal zoveel water aan als door neerslag wordt geleverd. Om de kwaliteit van het Rijnwater te waarborgen, is de ICBR ingesteld. Meren komen vooral in West-Nederland en Zuidwest-Friesland voor. Daarnaast zijn er door het afgraven van veen voor de turfwinning veel plassen ontstaan. Voor de drinkwatervoorziening is met een aandeel van ca. 70% vooral het grondwater van belang. Uitzondering hierop is de Randstad, die ondanks de aanwezigheid van een zoetwaterzak onder de duinen, vooral is aangewezen op oppervlaktewater. Droogmakerijen en veel polders worden beschermd door dijken tegen het omliggende water en hebben veelal bemaling nodig voor de afwatering.

De Nederlandse kust ondervindt een dubbeldaags getij waarvan de amplitude langs de kust varieert tussen 1,5-2 meter. De wind kan hier een sterke invloed op hebben. Naast de verticale waterbeweging, is er ook een horizontale waterbeweging, de getijstroom. Door een gunstige zeewatertemperatuur van 3 ºC in de winter en 16 ºC in de zomer zijn vooral de Waddenzee en de Oosterschelde belangrijk als kraamkamer van onder meer schol, tong en mosselen.

Flora en fauna

Pas sinds 1949 komt de Turkse tortel in Nederland voor.
1rightarrow.png Zie flora en fauna in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De flora en fauna van Nederland zijn relatief goed onderzocht. Er is een lange traditie van floristisch en faunistisch onderzoek, met tegenwoordig staande organisaties als SOVON, FLORON en de Vlinderstichting. Er zijn tal van verenigingen die zich met natuurstudie bezighouden; een aantal zijn meer dan honderdjarig actief zoals de Nederlandse Entomologische Vereniging, de Vogelbescherming Nederland, de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (Vereniging voor veldbiologie) en de Nederlandse Mycologische Vereniging. Daarom is bekend dat Nederland relatief erg soortenarm is, deels als gevolg van de IJstijden en deels vanwege de eenvormige geografie. Van de hogere plantensoorten komt de helft uitsluitend voor in twee uitzonderlijke gebieden: Zuid Limburg en Oostvoorne.

Het meest belangrijke natuurgebied is de Waddenzee, of, als alleen het landoppervlak beschouwd wordt, het duingebied. Menselijk ingrijpen, zowel direct (kap van bossen, ontginningen, wegenaanleg, etc) als indirect (vermesting) heeft grote invloed op het huidige uiterlijk van landschap en vegetatie. Door menselijk ingrijpen verdwijnen veel soorten die een natuurlijke leefomgeving nodig hebben (of dreigen te verdwijnen: hiervan worden rode lijsten bijgehouden). Andere soorten passen zich juist aan en komen tussen de mensen wonen, zoals de merel en de koolmees.

In Nederland worden wel floradistricten onderscheiden op grond van verschillen in klimaat, bodem en waterhuishouding; deze districten hebben eigen soorten en milieus. De 23e druk van de standaardflora Heukels' Flora van Nederland hanteert 15 floradistricten, die dan meest worden ingedeeld bij de Westeuropese floraregio. In Nederland komen circa 1400 soorten hogere planten voor, er zijn zo'n 4 à 5000 soorten paddenstoelen (macrofungi) gevonden, 600 soorten mossen en honderden soorten schimmels, korstmossen en algen.

Ook voor een aantal dieren kan onderscheid worden gemaakt in geografische districten, zoals voor onder andere broedvogels. In Nederland komen ruim 50 soorten zoogdieren voor, zo'n 600 soorten broed- en trekvogels, tientallen vissoorten, ruim 50 dagvlinders (bij 2000 totaal aan vlinders) en duizenden ongewervelden. Ondanks de geringe afmetingen heeft Nederland toch endemische dieren (die alleen in Nederland voorkomen), zoals de Grote vuurvlinder en Microtus oeconomus arenicola (een ondersoort van de Noordse woelmuis).

Door de centrale ligging in Europa en het veelvuldige verkeer is er een regelmatige aanvoer van adventieven, die zich soms met enig succes vestigen, zoals de halsbandparkiet en de driehoeksmossel, maar slechts vrij zelden een permanente plaag vormen; mogelijke uitzonderingen zijn de waterpest en de bospest. De soorten die hier voorkomen zijn bijna allemaal relatieve nieuwkomers (van na de IJstijden); zo zijn het konijn, de fazant en de tamme kastanje in historische tijden ingevoerd. De hier algemene soorten zijn erg concurrentiekrachtig; vaak vormen juist de soorten die hier voorkomen bij introductie op andere continenten een plaag.

Er is met succes 'nieuwe natuur' aangelegd, met name de Oostvaardersplassen, waar veel (bijna) verdwenen soorten gedijen. De laatste jaren wordt geprobeerd soorten die hier in historische tijden zijn uitgeroeid opnieuw in Nederland te introduceren, soms met succes zoals de raaf en de bever, van andere soorten zoals de otter blijft het resultaat onzeker. Dit laatste geldt ook voor een Europees project voor herintroductie van de zalm. De zeearend vestigt zich, zij het aarzelend, op eigen gelegenheid. Terugkeer van wat grotere roofdieren als de wolf en de lynx blijft controversieel. Dit geldt ook voor herintroductie van plantensoorten door zaaien en herstel van natuurgebieden door ingrepen als bekalken (om de verzuring tegen te gaan).

Landschappen en natuur

Oude dijk op het voormalige eiland Wieringen, dat door de aanleg van de Wieringermeerpolder aan het vasteland vast is komen te liggen.
1rightarrow.png Zie Nederlandse landschappen en natuur in Nederland voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Het Nederlandse landschap bestaat grotendeels uit cultuurlandschappen of, in mindere of meerdere mate, beheerde natuurgebieden. In de afgelopen eeuwen is de levende natuur niet alleen veranderd, maar door verkleining en versnippering van de leefgebieden en milieuvervuiling ook achteruitgegaan. Om dit tegen te gaan, is onder andere natuurontwikkeling toegepast. Er zijn in Nederland diverse natuurgebieden met onder meer bos en heide. Er zijn twintig nationale parken. Nationaal Park Oosterschelde in Zeeland is het grootste. Verder zijn Veluwezoom en De Hoge Veluwe in Gelderland van belang. In de Randstad vormt het Groene Hart, een puur cultuurlandschap, een belangrijke groene long.

Het Nederlandse landschap kan worden ingedeeld op verschillen in substraat, bodem, waterhuishouding en de ontginningsgeschiedenis. Het grootste deel van het oppervlak van Nederland bestaat uit de Boven-Noordzee Groep.

Rond 11.000 jaar geleden kwam er een einde aan de ijstijd en brak het tijdperk Holoceen aan, dat tot op heden duurt. Het zeeniveau steeg en het klimaat werd warmer. In tijden van transgressie van de zee werden, met name in de gebieden direct achter de kuststrook van Holland, Zeeland en Friesland moerassen, meren en lagunes gevormd. Er werd daar in het geval van open water zeeklei en in het geval van moeras en drasland laagveen afgezet.

Duinlandschap

Duinlandschappen werden tijdens de transgressieperiode van in Holoceen gevormd, de oude duinen. In de tweede regressieperiode waren veel oude duinen door de zee weggeslagen. Nadat het zeeniveau in de tweede transgressieperiode weer steeg, herhaalde het proces van duinvorming zich zoals dat bij de oude duinen gebeurd was. De jonge duinen werden tot wel enkele tientallen meters hoog en vormen nu nog steeds een groot deel van de kust langs de Noordzee.

Rivierkleilandschap

Het landschap langs de grote rivieren bestaat uit een afwisseling van stroomruggen en komgronden. De stroomruggen liggen op de plekken waar een rivier stroomde en bestaan uit een ondergrond van grover sediment. De komgronden stonden alleen tijdens overstromingen onder water en bestaan uit fijne rivierklei. De zware, ondoorlatende klei is veel minder geschikt voor de landbouw dan de stroomruggen. De hoger gelegen stroomruggen zijn de plaatsen waar de bewoning zich vroeger concentreerde. Op deze ruggen kan vaak tuinbouw worden gevonden, zoals de fruitteelt in de Betuwe. De vroeger natte, slecht toegankelijke en niet bewoonde komgronden kenden in het verleden eendenkooien en hooiland. Tegenwoordig zijn ze in gebruik als weilanden voor de veeteelt.

Zeekleilandschappen

In Zeeland en het noorden van Noord-Holland, Groningen en Friesland is sprake van een zeekleilandschap. In deze gebieden heeft de zee in de loop van het Holoceen een grotere invloed gehad dan in de moerassen van Holland. Ze bestonden uit getijdengebied, waar de zee bij hoge waterstanden het land overspoelde. Een dergelijk getijdengebied bestaat, vergelijkbaar met de stroomruggen en komgronden van het rivierengebied, uit kreekruggen en poelgebieden. De kreekruggen zijn de plekken waar kreken stroomden, de ondergrond bestaat hier uit zand of zavel dat voor de landbouw geschikter is dan de klei die in de poelgebieden werd afgezet. Om de regelmatige overstromingen te weerstaan, legden de inwoners van Groningen en Friesland in de Middeleeuwen terpen aan waar de dorpen op lagen. Later ging men ook dijken aanleggen.

Op veel plekken in met name het westen van Nederland is door inpoldering land gewonnen op het water. De indeling van de polders van de jongste polders wordt rationele verkaveling genoemd.

Veenlandschappen

Veenlandschappen worden gevonden op sommige plekken in het westen. Op de meeste van deze plekken is het veen grootschalig afgegraven om als brandstof te gebruiken (vervening). Het afgraven gebeurde in stroken, die tegenwoordig nog in het landschap te herkennen zijn (strookverkaveling). Op sommige plekken werd het veen tot ver onder de waterspiegel afgegraven, zodat er meren ontstonden, zoals de Loosdrechtse Plassen, de Vinkeveense Plassen, en de Weerribben en de Wieden.

Zandlandschappen

Verder van de kust af zou het landschap tijdens het Holoceen weinig veranderen. Hier ligt, net als bij de stuwwallen, het Pleistocene zand meestal nog aan het oppervlak. Grote delen van de provincies Overijssel, Drenthe, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg bestaan uit zulke pleistocene zandlandschappen. Het grondwaterpeil ligt er lager dan in het westen van Nederland en de grond is armer. Grote delen van het zandlandschap bestonden vroeger uit zogenaamde woeste gronden, die vrij extensief gebruikt werden om vee te laten grazen, hout te sprokkelen of turf te steken.

Krijt-lösslandschap

In het Zuid-Limburgse krijt-lösslandschap is sprake van een plateau dat is bedekt met vruchtbare eolische löss uit het Weichselien. Onder de löss ligt krijtgesteente (in Limburg mergel genoemd). De Maas heeft zich in dit plateau ingesleten met verschillende rivierterrassen. In de Sint-Pietersberg hebben zich in de mergel door verkarsting grotten gevormd.

Bevolking

Bevolkingsdichtheid in Nederland.
Bevolkingsontwikkeling van Nederland in de periode 1961-2003.
1rightarrow.png Zie Bevolking van Nederland en Nederlanders voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Demografie

Nederland heeft 16.515.057 (2009) inwoners, en is met 397,7/km² (2009) een zeer dichtbevolkt land. Dit heeft grote gevolgen voor het gebruik van de ruimte. Het land bezit geen grote metropool, maar in de westelijke provincies zijn de vier grootste steden geconcentreerd. Daartussen en daaromheen ligt een kransvormige ring van middelgrote plaatsen, die tezamen de zogeheten Randstad vormen. Ongeveer 40% van de landelijke bevolking is hier op een klein oppervlak geconcentreerd, rond een betrekkelijk open ruimte, het zogeheten Groene Hart. Ook in andere provincies, met name Noord-Brabant, Limburg, Gelderland en Overijssel, is de verstedelijking sterk.
Nederland bezit mede als gevolg hiervan een zeer dichte infrastructuur. Het autowegen- en spoorwegnet kunnen de groeiende verkeersdruk echter steeds minder goed verwerken.

Vergeleken met de rest van Europa is de Nederlandse bevolking relatief snel gegroeid: 3 miljoen in 1850, 5 miljoen in 1900, 10 miljoen in 1950, 16 miljoen in 2000 [9]. Ter vergelijking: de Belgische bevolking groeide van de helft méér dan Nederland (4,5 miljoen in 1850) tot ruim een derde minder (10 miljoen in 2000).

Samenstelling

In Nederland wonen twee erkende bevolkingsgroepen. Naast de Nederlanders zijn sinds 2005 de Friezen erkend als nationale minderheid onder het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden.

Nederland heeft door de eeuwen heen een grote instroom van allochtone bevolkingsgroepen gehad, die in meer of mindere mate geïntegreerd en geassimileerd zijn. Volgens cijfers van het CBS van 1 januari 2005 is 80,9% van de bevolking Nederlands, 2,4% Indonesiër, 2,4% Duits, 2,2% Turks, 2,0% Surinaams, 1,9% Marokkaans, 0,8% Antilliaans en Arubaans en 6,0% anders.[10]

1rightarrow.png Zie hiervoor verder Immigratiebeleid Nederland en Vernederlandsing

Talen

1rightarrow.png Zie Talen in Nederland, Nederlands in Nederland en Nederlandse dialecten voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De officiële landstaal is het Nederlands. In de provincie Friesland is daarnaast ook het Fries een officiële taal. Verder worden twee regionale talen door het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden erkend als streektaal. Dit zijn het Nedersaksisch (met de dialecten Gronings, Drents, Stellingwerfs, Sallands, Twents, Veluws en Achterhoeks) en het Limburgs, dat wordt gesproken in de provincie Limburg.

Een groot deel van de Nederlandse bevolking spreekt één of meer allochtone talen. Verantwoordelijk hiervoor is het uitgebreide taalonderwijs, het contact met buurlanden en de aanwezigheid van allochtonen zelf. Engels, Duits en Frans worden door veel Nederlanders als tweede taal gesproken. Veel allochtonen van de eerste en tweede generatie spreken nog hun oorspronkelijke taal. Daardoor zijn er nog grote groepen Nederlanders die Indonesisch, Hindi, Ambonees, Papiaments, Surinaams, Turks, Berbertalen, Marokkaans-Arabisch, Chinees/Kantonees, Koerdisch, Kaapverdiaans en Vietnamees spreken.

Religie

Religie in Nederland in 2008.PNG
Religies in Nederland in 2004-2008

██ Rooms-katholiek (29%)

██ Hervormd (9%)

██ PKN (6%)

██ Gereformeerd (4%)

██ Moslim (4%)

██ Overige (4%)

██ Geen gezindte (42%)


1rightarrow.png Zie Godsdiensten in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland, sinds het midden van de Middeleeuwen een christelijk land, is tegenwoordig een van de meest ontkerkelijkte landen in Europa. Waar traditioneel de katholieken en de protestanten de hoofdstromingen waren, zijn deze sterk afgenomen. Sinds 1989 is de onkerkelijkheid zelfs de hoofdstroming en bedroeg het aantal volwassen zonder religie in 2008 42 procent. Van de kerkelijken bestaat de helft uit katholieken (29 procent), terwijl 9 procent hervormd is, 6 procent aangeeft tot de Protestantse Kerk in Nederland te behoren en 4 procent gereformeerd is. Zo'n 4 procent is moslim, terwijl het boeddhisme wordt aangehangen door 1 procent. Het hindoeïsme heeft een iets kleiner aandeel, terwijl het Jodendom door nog geen half procent wordt belijd. Sneller dan de ontkerkelijking neemt de kerksheid af, vooral onder katholieken en moslims.[11]

Tegenover de ontkerkeling staat een toename van een ongebonden spirituele groep die zingeving zoekt in bewegingen als new age. Deze groep wordt weliswaar in de statistieken als zonder religie gekenmerkt, maar maakt toch een kwart van de samenleving uit.[12]

Bestuur en instellingen

Overheid

Het Binnenhof is het centrum van de Nederlandse politiek.
1rightarrow.png Zie Politiek en overheid in Nederland, Monarchie in Nederland en Nederlandse regering voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Nederland is een constitutionele erfelijke monarchie en staatsrechtelijk gezien een parlementaire democratie. Het staatshoofd is sinds 1980 koningin Beatrix. De koning of koningin deelt samen met ministerraad de uitvoerende macht, als is de invloed van de koning(in) vrij beperkt. De voorzitter van de ministerraad is de minister-president, op dit moment Jan Peter Balkenende. De minister-president vormt samen met de andere ministers en hun staatssecretarissen het kabinet. Het huidige kabinet wordt gevormd door drie partijen: het CDA, de PvdA en de ChristenUnie. De hoofdstad van Nederland is Amsterdam. Den Haag is echter al sinds de zestiende eeuw bijna onafgebroken de regeringszetel en de woonplaats van de vorst.

De verdeling van de macht is niet geheel volgens de trias politica:

  • de wetgevende macht; de Staten-Generaal — de Eerste en Tweede Kamer — en de regering — de koningin en de ministers. De Eerste Kamer heeft 75 zetels waarvan de leden voor vier jaar door de leden van Provinciale Staten worden gekozen. De Tweede Kamer heeft 150 zetels die aan de hand van algemene landelijke verkiezingen op basis van evenredige vertegenwoordiging worden verdeeld;
  • de uitvoerende macht met de koningin en haar ministers met de Raad van State als adviesorgaan;
  • de rechterlijke macht, waarvan de rechters voor het leven worden benoemd door de koningin.

Politieke partijen

Zetelverdeling toegekend voor de Tweede Kamer in 2006

██ PvdD (2 zetels)

██ D66 (3 zetels)

██ GL (7 zetels)

██ SP (25 zetels)

██ PvdA (33 zetels)

██ CU (6 zetels)

██ CDA (41 zetels)

██ VVD (22 zetels)

██ SGP (2 zetels)

██ PVV (9 zetels)


1rightarrow.png Zie Politieke partijen in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanwege het meerpartijenstelsel en het grote aantal Nederlandse partijen is het sinds de achttiende eeuw nooit één partij gelukt een volledige meerderheid in het parlement te behalen.

Ruwweg kan gezegd worden dat het politieke systeem traditioneel wordt gedomineerd door drie blokken: de christendemocraten, met het CDA als enige vertegenwoordiger, de sociaaldemocraten, met de PvdA als grootste partij, en de liberaal-democraten, met de VVD als grootste partij. Sinds de jaren 70 is het systeem meer versnipperd geraakt: partijen als het CDA verloren zetels en nieuwe partijen, zoals D66 en GroenLinks in de jaren 90 en de SP in recente jaren, boekten succes bij de verkiezingen.

De laatste jaren zijn er vooral ontwikkelingen geweest op het rechtse gebied. In 2002 werd door Pim Fortuyn de Lijst Pim Fortuyn opgericht. Deze partij behaalde, zonder de kort voor de verkiezingen doodgeschoten Fortuyn, dat jaar als nieuwkomer 26 zetels. De partij viel echter snel weer uiteen en verdween bij de verkiezingen van 2006 helemaal uit de Tweede Kamer. Datzelfde jaar werd ook de Partij voor de Vrijheid opgericht. Deze partij, met Geert Wilders als partijvoorzitter en -leider, heeft sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2006 9 zetels in de Tweede Kamer. In de peilingen scoort de partij echter al stukken hoger, meestal rond de 25 zetels.

Bestuursstructuur

Provincie Bevolking Inw./km² Hoofdstad Overzicht van de 12 Nederlandse provincies
Groningen 575.234 246 Groningen
Friesland 642.998 192 Leeuwarden
Drenthe 483.173 183 Assen
Overijssel 1.109.250 333 Zwolle
Flevoland 365.301 257 Lelystad
Gelderland 1.970.865 396 Arnhem
Utrecht 1.171.356 845 Utrecht
Noord-Holland 2.595.294 972 Haarlem
Zuid-Holland 3.452.323 1225 Den Haag
Zeeland 380.186 212 Middelburg
Noord-Brabant 2.415.945 491 's-Hertogenbosch
Limburg 1.135.962 528 Maastricht
1rightarrow.png Zie Provincies van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat waarbij de verschillende territoriale eenheden zelfstandige bevoegdheden hebben. De bestuurslagen bestaan uit de rijksoverheid of centrale overheid met daaronder de twaalf provincies, 441 gemeenten en 27 waterschappen.

De provincies zijn actief op gebieden als ruimtelijke ordening, infrastructuur, economie, cultuur, natuur en milieu. Ook houden ze toezicht op de gemeenten en de waterschappen. Het dagelijks bestuur van elke provincie wordt gevormd door Gedeputeerde Staten, dat wordt gecontroleerd door de Provinciale Staten. De Provinciale Staten worden door het volk gekozen en moeten daarna een college van Gedeputeerde Staten vormen. Ook de leden van de Eerste Kamer worden door de leden van de Provinciale Staten gekozen. De voorzitter van het College van Gedeputeerde Staten en van Provinciale Staten van een provincie is de Commissaris van de Koning(in).

De gemeenten vormen in Nederland de derde bestuurslaag. Het hoogste bestuursorgaan binnen de gemeenten is de gemeenteraad, die om de vier jaar wordt gekozen. Het dagelijkse bestuur is het college van burgemeester en wethouders, dat gevormd wordt door de wethouders, die benoemd worden door de raad en door de burgemeester, die op zijn beurt benoemd wordt door de Kroon. De taken van het gemeentebestuur omhelzen onder andere stadsontwikkeling, verkeer, onderwijs, welzijn en sociale zaken. De gemeenten krijgen het grootste deel van hun geld van de rijksoverheid, de rest komt uit zaken als onroerendezaakbelasting, parkeergeld en leges.

De waterschappen staan los van de indeling in provincies en gemeenten en regelen de waterhuishouding binnen een bepaald gebied. Het bestuur van een waterschap wordt gekozen door de grondeigenaren en inwoners. Het buiten houden van het water is van oudsher een algemeen belang, waarbij polderbewoners genoodzaakt waren samen te werken. Uit die noodzakelijke samenwerking zijn de waterschappen ontstaan.

Justitie

De rechterlijke macht bestaat uit rechters en officieren van justitie die het Openbaar Ministerie vormen. Rechters en leden van het Openbaar Ministerie worden door de Kroon benoemd. Rechters worden voor het leven benoemd. In de rechtspraak wordt een onderscheid gemaakt in strafrecht, civiel of burgerlijk recht en bestuursrecht.

Politie

1rightarrow.png Zie Politie in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Sinds 1993 is de politie in Nederland opgedeeld in 25 regiokorpsen en een Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD). In geval van een crisis wordt met de brandweer en ambulancediensten samengewerkt in de met de politieregio overeenkomende veiligheidsregio, en met overige overheidsdiensten. De politie valt onder de verantwoordelijkheid van twee ministeries; Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister Guusje ter Horst) en het ministerie van Justitie (minister Ernst Hirsch Ballin).

Defensie

1rightarrow.png Zie Defensie van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De defensie valt volledig onder het Ministerie van Defensie en bestaat uit de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Luchtmacht, de Koninklijke Marine (inclusief Marine Luchtvaartdienst en Korps Mariniers) en de Koninklijke Marechaussee.

Sinds de dienstplicht is opgeschort bestaat de krijgsmacht volledig uit vrijwillig dienend personeel. In totaal dienen ruim 50.000 mannen en vrouwen bij de krijgsmacht. De regering is de opperbevelhebber van de strijdkrachten, in de dagelijkse praktijk wordt die functie waargenomen door de Minister van Defensie. Aan hem rapporteert de Commandant der Strijdkrachten. De Commandant der Strijdkrachten geeft leiding aan de afzonderlijke krijgsmachtdelen.

Internationale verbanden

1rightarrow.png Zie Lijst van intergouvernementele organisaties waarvan Nederland lid is voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland was een mede-oprichter van de Europese Unie de NAVO, de Verenigde Naties en de OESO en maakt daarnaast deel uit van onder andere de Benelux, de Raad van Europa, de West-Europese Unie (WEU), de Wereldbank, het IMF en de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Nederland is thuishaven of gastland van onder meer de volgende internationale instellingen: het Internationaal Gerechtshof, het Internationaal Strafhof, de Europese veiligheidsorganisatie Europol en de Europese Ruimtevaartorganisatie.

Onderwijs

1rightarrow.png Zie Onderwijs in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onderwijs is verplicht vanaf de eerste dag van de maand nadat een kind vijf jaar is geworden tot het einde van het schooljaar waarin het kind zestien jaar is geworden. De meeste kinderen gaan echter al vanaf hun vierde naar het basisonderwijs. In het schooljaar waarin een kind zeventien jaar wordt, is het gedeeltelijk leerplichtig en moet men dan nog minstens twee dagen per week naar school. Als de school een praktijkovereenkomst met een bedrijf heeft gesloten, dan is één dag school per week verplicht.

Onderwijs kan beginnen met peuteronderwijs op een peuterspeelzaal. Dan volgt primair onderwijs, ofwel basisonderwijs. Vervolgens is daar het secundair, ofwel voortgezet onderwijs en tot slot is hoger beroepsonderwijs of academisch onderwijs mogelijk. Er zijn diverse hogeronderwijsinstellingen, op verschillende niveaus. De Universiteit Leiden werd opgericht in 1575 en is de oudste universiteit van Nederland.

Economie

1rightarrow.png Zie Economie van Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland is een welvarend land met een open economie, die sterk leunt op de buitenlandse handel, met name met Duitsland. De economie wordt getypeerd door stabiele verhoudingen, een matige inflatie, een terughoudend financieel beleid en door zijn belangrijke rol als Europese transportader. Over de gehele linie bekeken hoort Nederland tot de 20 grootste economieën van de wereld, na de 'grootmachten' als (willekeurige volgorde) Duitsland, de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk, Japan en dergelijke. Duitsland (25,2%), België (14,6%), Verenigd Koninkrijk (8,9%), Frankrijk 8,4% en Italië (4,6%) zijn de belangrijkste exportpartners van Nederland.[13]

Energie

1rightarrow.png Zie Energie in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Als hoogontwikkelde economie heeft Nederland net als andere geïndustrialiseerde landen een hoog energieverbruik, 3330 PJ voor 2008. Het grootste deel hiervan wordt opgewekt met behulp van fossiele brandstoffen, vooral aardolie, aardgas en steenkool. Afgezien van aardgas wordt dit voornamelijk geïmporteerd. Een groot deel van de aardolie wordt na raffinage weer geëxporteerd. Ook het aardgas uit eigen bodem wordt voor een groot deel uitgevoerd. Met aardgas en in mindere mate steenkool wordt ook het grootste deel van de benodigde elektriciteit opgewekt. Een beperkte bijdrage hierin wordt geleverd door duurzame energie en kernenergie en ook importeert de Nederlandse elektriciteitsmarkt via de Trans-Europese energienetwerken.[14]

Om in 2020 30% minder broeikasgassen uit te stoten, richt het beleid zich hier op energiebesparing en duurzame energie.

Landbouw

1rightarrow.png Zie Landbouw in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland is, na de Verenigde Staten en Frankrijk, het derde exportland op het gebied van land- en tuinbouwproducten. In de intensieve, gemechaniseerde land- en tuinbouw werkt weliswaar slechts 4% van de Nederlandse beroepsbevolking, maar er worden door de sector enorme hoeveelheden voedsel voor de voedselverwerkingsindustrie en de export geproduceerd. De glastuinbouw is van grote omvang en vertegenwoordigt bijna de helft van de Europese capaciteit. De bloembollenteelt met de bekende bollenvelden is van belang, waarbij Nederland de voornaamste leverancier is van tulpenbollen voor Europa en Noord-Amerika.

Industrie

1rightarrow.png Zie Industrie in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De voedings- en genotmiddelenindustrie, de chemische industrie, de aardolie-industrie en de metaalindustrie zijn de belangrijkste industriële activiteiten in Nederland.

Handel en bankwezen

Andere belangrijke onderdelen van de economie zijn de internationale handel en het bankwezen. Amsterdam is het financiële en zakencentrum van Nederland en behoorde in 2008 bij de grootste tien zakencentra ter wereld.[15] De Amsterdamse effectenbeurs is de locatie van de Amsterdam Exchange Index (AEX) en is tegenwoordig onderdeel van Euronext. Sinds 1 januari 2002 is de Euro het enige wettige betaalmiddel. Daarvoor werd betaald met de Nederlandse gulden.

Toerisme

Een rondvaartboot in de Amsterdamse Keizersgracht.
1rightarrow.png Zie Toerisme in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Nederland wordt jaarlijks door ongeveer 10 tot 11 miljoen buitenlandse toeristen bezocht. Onder de belangrijkste bezienswaardigheden zijn de historische steden, vooral Amsterdam, de Deltawerken en het polderachtige landschap.

De Nederlandse steden gelden als belangrijke toeristische bestemming. Vooral de hoofdstad Amsterdam is populair onder buitenlandse toeristen, mede dankzij de coffeeshops en het prostitutiegebied de Wallen. Ook de grachtengordel met een groot aantal historische bouwwerken en belangrijke musea gelden als een belangrijke bezienswaardigheid. Met 4,9 miljoen toeristen (2007) is Amsterdam de op vier na meest bezochte toeristenbestemming in Europa en de op zes na grootste congresstad ter wereld.[16]

Ook de andere drie grote steden hebben hun eigen kenmerken. Rotterdam heeft een indrukwekkende skyline en haven, Den Haag heeft de Ridderzaal, Madurodam en de badplaats Scheveningen en Utrecht is bekend om zijn Domtoren. Verder zijn er nog vele andere bezienswaardige steden en dorpen. Er zijn historische plaatsen als Gouda, Delft en Alkmaar, Middelburg, Veere en Maastricht en plaatsen met een folkloristisch karakter zoals Volendam, Marken en de Zaanse Schans. Vele grotere en middelgrote steden hebben ook hun eigen karakter zoals Eindhoven, Groningen, Breda, 's-Hertogenbosch, Leeuwarden, Leiden en Nijmegen.

Verder zijn er nog attractieparken zoals de Efteling, Duinrell, Walibi World en de miniatuurstad Madurodam en dierentuinen zoals Artis en Diergaarde Blijdorp.

Transport

Terminal E van Luchthaven Schiphol
1rightarrow.png Zie Transport in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van groot belang is de transportsector. De haven van Rotterdam is de grootste van Europa en een van de grootste ter wereld. Andere belangrijke havengebieden zijn Amsterdam, Eemshaven en Vlissingen/Terneuzen. Het achterland van deze havens wordt ondersteund door een uitgebreid net van rivieren, kanalen en andere waterwegen. De binnenvaart en de zeevaart spelen daarom belangrijke rol in de Nederlandse economie. De rivieren Rijn, Maas en Schelde die vanuit de buurlanden binnenstromen en in de Noordzee uitmonden maken Nederland al eeuwenlang een knooppunt voor de Europese binnenvaart.

In Nederland is een uitgebreid wegennet van autosnelwegen en autowegen met een totale lengte van circa 116.500 kilometer. Vrijwel alle wegen zijn tolvrij.

Het spoorwegnet heeft een totale lengte van 2808 kilometer en is één van de drukst bereden spoornetwerken van Europa. De belangrijkste vervoerder van passagiers is de NS. Andere vervoerders zijn echter bezig uit te breiden, te weten: Arriva, Connexxion, Syntus en Veolia.

Nederland heeft voor het vliegverkeer met Schiphol een grote mainport in handen. Schiphol is verreweg de grootste luchthaven van Nederland en speelt een belangrijke internationale rol. Eindhoven Airport is sind 2006 het grootste regionale vliegveld van Nederland, Rotterdam Airport is het tweede regionale vliegveld van het land.

Cultuur

1rightarrow.png Zie Cultuur in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Kunst

Schilder- en beeldhouwkunst

1rightarrow.png Zie Nederlandse schilderkunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op het gebied van de beeldende kunst heeft Nederland een groot aantal meesters voortgebracht. Wereldberoemde schilders zijn onder meer Rembrandt, Vermeer, Frans Hals, Vincent van Gogh, Piet Mondriaan en ook de grafische kunst van M. C. Escher is bijzonder.

Literatuur

1rightarrow.png Zie Nederlandse literatuur voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Middeleeuwen en rederijkerstijd (1150-1550)
1rightarrow.png Zie Nederlandse literatuur: de Middeleeuwen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Nederlandse letterkunde begint met teksten in het Middelnederlands, die vanaf de twaalfde en de dertiende eeuw in Limburg, Vlaanderen, Brabant en Holland worden geschreven. Een onderscheid tussen de zuidelijke Nederlanden en en de noordelijke was toen nog niet aan de orde, maar wel lag het culturele zwaartepunt in het zuiden. Daaraan voorafgaand zijn alleen fragmenten van teksten in het Oudnederlands (Oudnederfrankisch) (uit de vroege middeleeuwen, ca. 500-1150) overgebleven. Van de eerste periode van het Oudnederlands, tussen 600 tot 900, is er zo goed als niets overgeleverd. De eerste met naam bekende auteur is de Limburger Henric van Veldeke (vanaf ca. 1170) , wiens werk door Duitse literatuurhistorici ook tot de Middelduitse letterkunde wordt gerekend, omdat hij een groot deel van zijn loopbaan aan Duitse hoven verbleef en meer in een eigen Duits ging dichten.
Tegelijk met de opbloei van Vlaanderen en Brabant komt ongeveer een eeuw na Veldeke de literatuur in die gewesten tot bloei. Onder meer Jacob van Maerlant (ca. 1270) is een belangrijk Vlaams auteur, die vele navolgers kende. In Brabant zijn de teksten van Jan van Boendale (ca. 1330) en vooral van de mystici Hadewych (ca. 1250) en Jan van Ruusbroec (ca. 1350) belangwekkend, terwijl in Holland behalve Melis Stoke (13de eeuw) als eersten pas Willem van Hildegaersberch en Dirc Potter genoemd kunnen worden, rond 1400 werkzaam aan het Haagse hof.

Roman de Renart, uit een Frans handschrift van circa 1300

Hoogtepunten van de Middelnederlandse letterkunde (uit de zuidelijke Nederlanden) zijn onder meer het dierenepos Van den vos Reynaerde (ca. 1260), dat beschouwd wordt als aanzienlijk beter dan zijn Franse voorbeeld, verschillende ridderromans (waaronder met name Arthurromans als Walewein en Lancelot), zogeheten Karelromans als het Roelantslied (13de eeuw) en Karel en de Elegast (ca. 1250), en de Marialegende Beatrijs (14de eeuw).

Wereldlijke toneelstukken zijn de vier abele spelen, Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken en Vanden Winter ende vanden Somer. Ze dateren uit omstreeks 1350 en behoren tot het oudst bekende West-Europese wereldlijke toneel.

In de late middeleeuwen (de periode van 1270 tot 1500) ontstonden ook de kamers van de rederijkers: amateur-dichters die zich verenigden in letterkundige broederschappen die 'rederijkskamers' werden genoemd. Deze 'kamers' domineerden de 15de eeuwse Nederlandstalige literatuur. Het beroemdste rederijkerswerk is het toneelstuk Elckerlijc of Elckerlyc (voluit: Den Spyeghel der Salicheyt van Elckerlijc - Hoe dat elckerlijc mensche wert ghedaecht Gode rekeninghe te doen), een 15de-eeuwse Brabantse moraliteit of 'zinnespel', waarvan onder meer een vroeg-16de eeuwse vertaling in het Engels verscheen onder de titel ‘Everyman’. Mogelijk de bekendste en talentrijkste 'rederijker' was aan het eind van deze periode een Antwerpse, Anna Bijns (ca. 1540), die als vrouw nooit lid van zo'n kamer is geweest.

Uit dezelfde tijd, de overgang van de middeleeuwen naar de renaissance (die rond 1550 gaat doorzetten), is Mariken van Nieumeghen, een mirakelspel daterend van het begin van de 16de eeuw. De volledige titel geeft een korte omschrijving van de inhoud: Die waerachtige ende seer wonderlycke historie van Mariken van Nieumeghen die meer dan seven jaren met den duvel woonde ende verkeerde.

Muziek en podiumkunsten

1rightarrow.png Zie Nederlandse muziek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Cultureel en natuurlijk erfgoed

Het vlakke natte landschap met onder meer rivieren, polders en molens is kenmerkend voor delen van het land. Daarnaast zijn er nog natuurgerelateerde gebieden zoals de Keukenhof, de Veluwe, de Waddeneilanden en de Biesbosch. De natuur is op sommige plekken sterk door de mens beïnvloed vanwege waterbeheer. De bekendste voorbeelden zijn de IJsselmeerpolders en de Deltawerken. De molens van Kinderdijk zijn sinds 1997 Werelderfgoed.

Het Rijksmuseum Amsterdam, Van Gogh Museum, Mauritshuis, Openluchtmuseum Arnhem en Museum Boijmans Van Beuningen gelden als belangrijke musea. Een aantal musea is gevestigd in architectonisch en landschappelijk bijzondere gebouwen, zoals Paleis Het Loo en het Kröller-Müller Museum.

Architectuur

Kenmerkend voor de Nederlandse architectuur zijn Hendrik Petrus Berlage, de Amsterdamse school en De Stijl.

Gastronomie

1rightarrow.png Zie Nederlandse keuken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De traditionele Nederlandse keuken kent, hoewel per streek verschillend, in het algemeen weinig diversiteit en is voornamelijk beïnvloed door het agrarische leven in vroegere tijden. Een typisch Nederlandse maaltijd bestaat meestal uit een combinatie van aardappels, groente en vlees. Ook stoof- en stamppotten en maaltijdsoepen zijn kenmerkend voor de Nederlandse keuken.

De Edammer en Goudse kaas genieten een meer dan nationale faam. Andere bekende Nederlandse gerechten en producten zijn veelal zoetigheden, zoals pannenkoeken en poffertjes, Limburgse vlaai, stroopwafels en oliebollen. Kroketten, frikandellen zijn typisch Nederlandse snacks.

Media

Diverse Nederlandse dagbladen in een krantenrek.

De belangrijkste Nederlandse dagbladen zijn De Telegraaf, Algemeen Dagblad, de Volkskrant, NRC Handelsblad en Trouw. Historisch gezien is ook het Parool dat in de Tweede Wereldoorlog als verzetskrant werd opgericht een belangrijke krant. Tegenwoordig is het hoofdzakelijk gericht op de stad en regio Amsterdam. Met Sp!ts, Metro en DAG telt Nederland ook een aantal gratis kranten. Elsevier, HP/De Tijd, Vrij Nederland en De Groene Amsterdammer zijn vier opiniebladen.

De Nederlandse televisie heeft zowel publieke als commerciële zenders. De publieke omroep bestaat uit Nederland 1, 2 en 3 en voor Nederlanders in het buitenland BVN en wordt gekenmerkt door de verzuilde structuur. De belangrijkste bedrijven die commerciële televisie verzorgen zijn RTL en SBS, die samen in totaal zeven zenders beheren. Enkele andere commerciële zenders zijn Het Gesprek, Nickelodeon, Comedy Central en TMF.

Op radiogebied is er eveneens een groot aantal zenders. Er zijn zes landelijke publieke zenders, met Radio 1, Radio 2 en 3FM als belangrijkste, en nog meerdere digitale en regionale publieke zenders. Radio 538, Sky Radio en Q-music de zijn de belangrijkste spelers in de commerciële markt.

Sport

In Nederland is voetbal de belangrijkste sport. Andere populaire sporten zijn onder meer hockey, schaatsen, wielersport, paardensport, volleybal, handbal, korfbal, tennis en golf.

Milieu

Het aantal dagen in 2006 waarop de normwaarde van fijnstof in Nederland werd overschreden.

Milieubeheer

1rightarrow.png Zie milieubeleid in Nederland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Mede dankzij de hoge bevolkingsdichtheid heeft Nederland te maken met verschillende milieuproblemen en -bedreigingen. De Hinderwet van 1875 was lange tijd de enige wet op het gebied van milieubeheer. In de jaren zestig werd het publiek zich bewust van de milieuproblemen en na het verschijnen van De grenzen aan de groei in 1972 van de Club van Rome ontwikkelde Nederland een milieubeleid. Dit richtte zich aanvankelijk op sanering, maar vanaf de jaren tachtig begon men zich ook te richten op preventie en beheer. Tegenwoordig is zo'n 70% van de regelgeving op dit gebied op Europees niveau vastgesteld. Het beleid heeft er voor gezorgd dat ondanks de economische groei de vervuiling is afgenomen en de milieukwaliteit verbeterde. Dit geldt echter niet op alle gebieden en daarom is er in de Toekomstagenda milieu voor gekozen om zich te concentreren op klimaatverandering, luchtkwaliteit en aantasting van biodiversiteit en natuur.[17] Met deze agenda wordt het Nationaal Milieubeleidsplan uitgevoerd.[18] In juli 2009 werden de eerste twee milieuzones ingevoerd. Dat was in Utrecht en in Eindhoven. Een milieuzone is een gebied waar alleen vrachtwagens met een roetfilters zijn toegestaan.

Externe links

Literatuur

Algemeen

  • Encyclopædia Britannica, Ultimate Reference Suite (2009): Netherlands, The, Encyclopædia Britannica, Chicago.

Geologie

  • Barends, S. e.a. (red.) (2005): Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering, Matrijs, Utrecht,
  • Berendsen, H.J.A. (2004): De vorming van het land, Inleiding in de geologie en de geomorfologie, Koninklijke Van Gorcum, Assen,
  • Berendsen, H.J.A. (2005): Landschap in delen, Overzicht van de geofactoren, Koninklijke Van Gorcum, Assen,
  • Mulder, E. de, Geluk, M.C., Ritsema, I., Westerhoff, W.E., Wong, T.E. (Eds) (2003): De ondergrond van Nederland, Wolters-Noordhoff, Groningen.

Geschiedenis

  • Blok, D.P. (red) et al (1977-1983): Algemene Geschiedenis der Nederlanden, Fibula-Van Dishoeck, Haarlem,
  • Blom, J.C.H., Lamberts, E. (red) (2006): Geschiedenis van de Nederlanden, HBuitgevers, Baarn,
  • Encyclopædia Britannica, Ultimate Reference Suite (2009): Low Countries, history of, Encyclopædia Britannica, Chicago.


Bronnen
  1. Naast het Nederlands is in Friesland het Fries ook een bestuurstaal.
  2. De regering zetelt in Den Haag.
  3. (en) Verenigde Naties 2004
  4. (en) Laatste census 1 januari 2002 (via V.N.)
  5. (nl) Aantal inwoners per 1 juni 2009 volgens de officiële (voorlopige) maandcijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek
  6. De Opstand in de Nederlanden - 1. De landen van herwaarts over, Onderzoeksschool en Opleiding Geschiedenis van de Universiteit Leiden
  7. Netten, H. van, Mens - Handige kracht in het landschap, Geologie van Nederland
  8. KNMI, Langjarige gemiddelden en extremen, tijdvak 1971 - 2000, De Bilt
  9. Populstat: historical demographical data
  10. Garssen, J., Nicolaas, H. en Sprangers, A. (2005) Demografie van de allochtonen in Nederland, Centraal Bureau voor de Statistiek, PDF. Pag.100
  11. Centraal Bureau voor de Statistiek (2009): Religie aan het begin van de 21ste eeuw, Den Haag/Heerlen.
  12. Donk, W.B.H.J. van de; Jonkers, A.P.; Kronjee, G.J.; Plum, R.J.J.M. (red.) (2006): Geloven in het publieke domein, verkenningen van een dubbele transformatie, WRR, Amsterdam University Press, Amsterdam
  13. Netherlands, CIA World Factbook
  14. Milieu- en Natuurcompendium, Energie
  15. Amsterdam in top 10 zakencentra, Gemeente Amsterdam, 5 september 2008
  16. Toerisme en congres, Gemeente Amsterdam - Economische Zaken]
  17. Ministerie van VROM (2006): Toekomstagenda Milieu: schoon, slim, sterk.
  18. Ministerie van VROM (2001): Nationaal Milieubeleidsplan 4. Een wereld en een wil: werken aan duurzaamheid
Vista-kmixdocked.png
  Door op de afspeelknop te klikken kunt u dit artikel beluisteren. Na het opnemen kan het artikel gewijzigd zijn, waardoor de tekst van de opname wellicht verouderd is. Zie verder info over deze opname of download de opname direct (meer info over gesproken Wikipedia)
Crystal Clear action lock3.png
Wiktfavicon en.svg Zoek Nederland op in het WikiWoordenboek.
Wikimedia Atlas Zie ook de Atlas van Nederland op Wikimedia Commons.
RomanW-01.png
Persoonlijke instellingen
in andere talen