Watermolen (door water aangedreven molen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Bovenslagmolen op het landgoed Molecaten, vlak bij Hattem.
Onderslagmolen bij Limburgerhof in Duitsland
Le Moulin door Henri Rousseau, 1896

Een watermolen is een molen die het stromen of vallen van water, bijvoorbeeld in een beek of een rivier, door middel van een waterrad omzet in rotatie-energie, die nuttig kan worden gebruikt voor het malen van graan of het persen van olie.

De energie kon ook gebruikt worden voor andere industriële toepassingen: het bewerken van metalen als smeedijzer of koper, het vervaardigen van papier (papiermolen), en in de textielnijverheid, zoals een volmolen.

Een molen die in zijn geschiedenis zowat alle functies vervulde is de IJzerkotmolen in de Zwalmvallei, België. Deze was achtereenvolgens ijzermolen, kopermolen, papierfabriek, olieslagerij, graanmolen en uiteindelijk brouwerij.

Geschiedenis[bewerken]

De uitvinding van het waterrad was een mijlpaal in de technische ontwikkeling van de mensheid, aangezien door het benutten van waterkracht tegenover spierkracht zeer veel meer mechanische energie beschikbaar gemaakt kon worden.

Zo dienden waterraderen bijvoorbeeld voor bewatering in de landbouw, als schoepenrad voor het ophijsen van water. Zulke schoepenraderen zijn vele eeuwen lang in verscheidene culturen in gebruik geweest, zoals in Egypte, Syrië, India en China. Men gaat ervan uit dat waterschoepraderen rond 1200 v.Chr. in Mesopotamië in gebruik genomen werden.

Het gebruik van waterkracht als energiebron wordt al beschreven in het werk van Philon van Byzantium. We nemen aan dat de Grieken in de 2e eeuw voor Christus het gebruik van watermolens kenden. Ook de Romeinen bouwden watermolens. Een belangrijk complex uit de 2e eeuw ligt bij het Franse Fontvieille. Hier stroomde het water langs twee rijen van acht bovenslag graanmolens. Daarbij werden al tandwielen gebruikt om de beweging van het verticale schoepenrad over te brengen naar de horizontale maalstenen.

Typen watermolens[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Waterrad voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Watermolens kunnen naar het type waterrad worden onderscheiden in:

  • bovenslagmolens
  • middenslagmolens
  • onderslagmolens
  • turbinemolens


Bovenslagmolen[bewerken]

Een bovenslagmolen wordt vooral toegepast op beekjes met een zwakke stroming. Om de kracht van het water optimaal te benutten wordt een beekje met een goot omgeleid om het zo boven op het rad te laten stromen. Soms wordt er voor de molen ook nog een wijer of molenvijver aangelegd, een soort stuwmeer, zodat er minder snel watertekort ontstaat bij het malen. Een voorbeeld van een bovenslagmolen is de molen "Molecaten" bij Hattem (zie foto), de gerestaureerde molen bij Herckenrode op de Demer en de Watermolen Sint-Gertrudis-Pede

Middenslagmolen[bewerken]

Bij middenslagmolens wordt het water halverwege het rad aangevoerd; het rad komt in beweging door zowel het gewicht als door de stroomsnelheid van het passerende water. Middenslagmolens komen veel voor in Limburg en in Haspengouw.

Onderslagmolen[bewerken]

Bij onderslagmolens stroomt het water onder het rad door. Dit type molen komt vooral voor op de wat grotere beken/kleinere rivieren en is typisch voor waterlopen met een klein verval. We vinden deze molens vrij frequent in de Kempen; bijvoorbeeld op de Dommel bij Eindhoven, op de Kleine Nete bij Retie en Kasterlee. Ook op de Aa en de Vlier bij Deurne en op de Aa in Tielen. Ook op de Dinkel staat een onderslagmolen (molen "Singraven" bij Denekamp).

Turbinemolen[bewerken]

Turbine
Stockmühle in werking

Bij turbinemolens is er geen sprake meer van een rad buiten de molen, maar van een horizontaal schoepenrad in een behuizing, waarbij het geheel zich onder water bevindt. Alleen een aandrijfas steekt nog boven water uit. Door het water door de turbine te laten lopen wordt het schoepenrad met aandrijfas in beweging gebracht. In de vierde en vijfde eeuw kwam een geheel houten turbine tot ontwikkeling, waarvan de Stockmühle nog een voorbeeld is. Later werden zowel het schoepenrad als de behuizing van metaal gemaakt.

In Limburg is rond 1900 bij veel molens het buitenrad vervangen door een turbine (meestal een Francisturbine) vanwege het hogere rendement.

Enkele getallen[bewerken]

Tegenwoordig bevinden zich in het stroomgebied van de Maas nog 450 watermolens, maar tussen 1500 en 1800 waren er tussen 2250 en 4500 in bedrijf. De provincie Noord-Brabant telde voor 1850 ongeveer 50 watermolens. In 1920 waren er nog 30 werkende molens over. Tegenwoordig zijn er nog tien. Op de Geul, een riviertje op de grens van België en Nederland, staan 14 watermolens.

Met de opkomst van de stoom- en elektrische molens verloren veel watermolens hun functie, sommige werden omgebouwd. Door brand en gebrekkig onderhoud vervielen de in onbruik geraakte molens. De waterschappen kochten ze op om ze af te breken, teneinde de waterafvoer van de beken te versnellen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Fotogalerij[bewerken]