Geschiedenis van Nederland
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Geschiedenis van Nederland |
|
..Naar onderwerp
|
|
..Naar overzeese gebiedsdelen
|
|
..Naar voormalige koloniën
|
Dit artikel geeft een beknopt overzicht van de geschiedenis van Nederland. Een inleidende schets is te vinden onder het lemma Nederland, paragraaf Geschiedenis.
[bewerken] Prehistorie
De prehistorie is (per definitie) de periode waarover geen geschreven bronnen beschikbaar zijn. Pas in de Romeinse tijd kwamen de eerste geschreven bronnen beschikbaar.
Het Nederland in de huidige betekenis bestond niet voor de late middeleeuwen. Voor die tijd is het beter te spreken van 'het gebied van het huidige Nederland'. Dit gebied is al vele tienduizenden jaren bewoond, tenminste de droge kuststroken en de hoge zandgronden. De oudste in Nederland teruggevonden archeologische sporen zijn 250.000 tot 350.000 jaar oud.[1] De eerste vaste bewoners waren jagers tijdens de ijstijd (paleolithicum). Van hun aanwezigheid getuigen nog bijlen en pijlspitsen van vuursteen. De eerste kano van de geschiedenis komt uit deze periode (Pesse, circa 7900 v.Chr.). Na de ijstijd, in de midden steentijd (mesolithicum) was het gebied bewoond door diverse stammen, zoals blijkt uit een jachtkamp dat gevonden is bij Bergumermeer, Friesland (ongeveer 8000 v.Chr.).
Rond 5300 v. Chr. begon het neolithicum met de eerste landbouwers die naar het gebied kwamen, zoals te zien is aan grafvondsten en sporen van boerderijen op het löss-plateau in Zuid-Limburg. Zij behoorden tot de Lineaire Bandkeramiek en namen onder andere graan, linzen en erwten mee. Deze cultuur kon zich niet uitbreiden naar de rest van "Nederland" omdat ze nog geen ploeg kenden om de kleigronden mee te bewerken. Bovendien was Nederland een heel geschikt gebied voor jagers. Ten westen van de huidige provincies Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Drenthe was Nederland één grote moerasdelta doorsneden door talloze beken, meertjes en veengebieden. Het IJsselmeer bestond nog niet en was een reusachtig veenmoeras. Hierin wemelde het van de watervogels en vissen die een goede voedselbron voor jagers en verzamelaars vormden. Rond 4500 v.Chr. verdween deze landbouwcultuur tijdelijk. Van rond 4300 v.Chr. bestaan alleen nog sporen van jagers/landbouwers (Swifterbant). Ongeveer 3400 v.Chr. bevond zich in Drenthe de trechterbekercultuur die de bekendste monumenten uit de regionale prehistorie heeft achtergelaten: de hunebedden, megalithische monumenten. Na 2900 v.Chr. is deze cultuur weer verdwenen.
In het westen van Nederland zijn resten gevonden van de Vlaardingencultuur, genoemd naar de eerste vindplaats Vlaardingen. Deze cultuur beslaat de periode van 3500 v.Chr. tot 2500 v.Chr.
Het eerste wiel dat is gevonden dateert van ongeveer 2400 v.Chr. Misschien is dat ontdekt door mensen van de klokbekercultuur, die nederzettingen bouwden langs de Atlantische kust van Marokko tot aan Scandinavië. Voor het eerst vond er ook metaalbewerking plaats in Nederland, zoals stenen aambeelden en koperen tongdolkjes die op de Veluwe bij Lunteren zijn gevonden, aantonen. De metaalbewerking breidde zich uit tegen 2000 v.Chr., waarmee de bronstijd aanbrak. Die bracht vooral veel welvaart in Drenthe, waar waarschijnlijk een belangrijke handelsroute doorheen liep richting Oostzee en Scandinavië.
Omstreeks het eerste millennium voor de jaartelling kwamen er Keltische stammen naar het gebied van Nederland en verdreven en/of vermengden zich met de oorspronkelijke bevolking. Dit proces herhaalde zich in de eerste eeuwen voor de jaartelling toen Germaanse stammen vanuit het oosten Nederland binnentrokken en zich vooralsnog in de noordelijke streken en rond de grote rivieren vestigden.
[bewerken] Romeinse Rijk
De Chauken waren een volk dat leefde van de visvangst tijdens de Romeinse periode in Nederland.
Aan het einde van de 1e eeuw v.Chr. kwamen de Romeinen naar de Rijndelta. In eerste instantie werd geheel Nederland bezet, inclusief de Friese gebieden in het noorden, met het oog op de geplande verovering van Germania. In de loop van de 1e eeuw werd wegens de slecht verlopende veldtochten in Germania de grens naar midden Nederland verlegd. Officieel geldt het jaartal 47 als het moment waarop besloten werd de Rijn als grens te gaan inrichten. Voor het grootste deel van de Romeinse periode werd de grens van het Romeinse Rijk gevormd door de Rijn, langs de lijn Nijmegen – Utrecht - Katwijk, de zogenaamde Limes.
In de Commentarii Rerum in Galliae gestarum beschrijft Julius Caesar zijn gevechten tegen de Belgae in de Zuidelijke Nederlanden tijdens de Gallische oorlog in 57 v.Chr. en maakte daarmee een eind aan de prehistorie voor de Nederlanden.
Vanuit dit gebied van de Morini en de Menapiërs begon in 55 v.Chr. Julius Caesar aan zijn invasie van Britannia.
De kustlijn zag er toen geheel anders uit dan tegenwoordig. Een relatieve langzame zeespiegelstijging in combinatie met het waarschijnlijk vaker voorkomen van stormen kan één van de oorzaken zijn geweest van de kusterosie die begon tussen de 5e en de 1e eeuw v.Chr. in West-Nederland. Terwijl in de periode daarvoor de kustlijn zich gesloten had, afgezien van de riviermondingen van de Schelde (via de Oosterschelde), de Maas (bij Rotterdam), de Rijn (bij Leiden) en het Oer-IJ (bij Castricum), werden deze mondingen hierna weer steeds wijder. Het hoogveengebied achter de strandwallen raakte door de inbraken van de zee, maar ook door de toenmalige bewoners ontwaterd en klonk in. Vooral in Zeeland kwam het veen zo laag te liggen, dat het rond het begin van de jaartelling overspoeld werd door de zee en de veenvorming stopte. Hoewel er tot in de 3e eeuw op het veen werd gewoond, kwam de zee aan het einde van deze eeuw diep in Zeeland, wat in combinatie met selnering, het turfsteken voor de zoutwinning, zorgde voor erosie van het veen. Aan het einde van de Late Middeleeuwen was de kustbarrière hier bijna volledig verdwenen.
Ook in het noorden was het veen vrijwel geheel verdwenen. Het Flevomeer ontwikkelde zich na de Romeinse tijd door de afslag van de oevers tot het Almere. Het Oer-IJ was toen al vrijwel geheel gesloten. Waarschijnlijk ontstond in de Vroege Middeleeuwen via het Vlie een verbinding tussen het Almere en de Waddenzee. In de 9e en de 10e eeuw ontstond door afbraak in Friesland de Middelzee.
In de Romeinse tijd vonden steeds meer avulsies - stroomgordelverleggingen - plaats. Door verzanding van de monding van het Oer-IJ werd vanaf 47 n. Chr. de Oude Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk voor enkele eeuwen. De Lek, de Waal, de benedenloop van de Hollandse IJssel, en de Gelderse IJssel ontstonden, terwijl de Linge net daarvoor was ontstaan. De Oude Rijn verzandde doordat de Rijn steeds meer via de Maas ging lopen.
De kusterosie zorgde ervoor dat het water kwam tot aan het castellum van Oudenburg, waarschijnlijk Portus Epiatici. Ook Brittenburg, de meest westelijke Romeinse fortificatie aan de Oude Rijn, kwam onder water te staan. De Romeinen konden de strijd tegen het water niet winnen en verlieten het gebied. De val van het West-Romeinse Rijk zorgde voor een economische achteruitgang.
In tegenstelling tot de Chauken, hielden de Friezen zich voornamelijk bezig met de veeteelt. Dit veranderde in de 3e en 4e eeuw toen het Friese land regelmatig overstroomd werd. Hierdoor gingen ze zich meer toeleggen op de visserij en de handelsvaart, waardoor ze een zekere rijkdom verwierven.
[bewerken] De eerste steden
In de Romeinse tijd werden de eerste steden in het huidige Nederland gesticht: Oppidum Batavorum (stad der Bataven, rond huidige Valkhof) aan het begin van de jaartelling, later het iets ten westen daarvan gelegen Noviomagus (Nijmegen) in 104, Omstreeks 122 stichtte keizer Hadrianus Forum Hadriani (Voorburg) als stad der Canninefaten. Coriovallum (Heerlen) en Maastricht waren stedelijke nederzettingen die zich spontaan ontwikkelden aan belangrijke land- en waterwegen. Vooral langs de Maas en in de Betuwe liggen stedelijke nederzettingen en dorpen met Romeinse wortels. Volgens recent archeologisch onderzoek is Maastricht sinds de Romeinse stichting continu bewoond gebleven. Met name de vestiging van een bisschopszetel rondom het graf van Sint Servaas heeft de bewoningscontinuïteit bevorderd. De meeste andere woonplaatsen zijn (waarschijnlijk) korte tijd verlaten geweest tijdens de chaotische periode van de volksverhuizingen in de periode 300-500.
Ten noorden van de Rijn, buiten het Romeinse Rijk, woonden de Friezen. Ook daar had de Romeinse cultuur veel invloed. Dit blijkt uit de vele Romeinse gebruiksvoorwerpen en munten die in grafvelden en terpen zijn gevonden. Dit wijst op een levendige handel tussen de Friezen en het naburige Rijk. Ook weten we uit schriftelijke historische bronnen dat sommige Friezen, evenals leden van andere stammen die niet rechtstreeks onder Romeins bestuur stonden, dienst namen in het Romeinse leger en daarmee, na hun diensttijd, ook veel Romeinse cultuur en gebruiken naar huis meenamen. In het gebied aan de rijksgrens woonden de West-Germaanse stammen van de Bataven en de Kaninefaten. Oppidum Batavorum (wederom Nijmegen) was de hoofdstad der Bataven. In 69 kwamen de Bataven in opstand tegen de Romeinen.
Nadat de Bataven weer 'gepacificeerd' waren was het gedurende twee eeuwen rustig in de Rijnprovincies. De riviergronden en het Brabantse en Limburgse achterland werd grotendeels opgedeeld in grote landerijen met vaak een imposante villa als centraal gebouw. De eigenaren waren rijke burgers die veelal hun hoofddomicilie in de nieuwe steden Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen), Colonia Ulpia Traiana (Xanten) of Coriovallum (Heerlen) hadden. De inheemse Germaans/Keltische bevolking romaniseerde geleidelijk aan en bewerkte het land van de villa-eigenaren, beoefende ambachten of diende in het leger. De economie was vooral gericht op de behoeftevervulling van de grote legerplaatsen die langs de nabije rijksgrens lagen. Vanaf de tweede helft van de 3e eeuw veranderde dit vredige bestaan toen de rijksgrens steeds meer onder druk kwam te staan. Er kwamen steeds vaker overvallen van plunderende 'over-Rijnse' stammen en ook de met veel geweld gepaard gaande troonswisselingen van de keizers maakte de situatie van de bevolking er niet beter op. Tenslotte was er ook de steeds extremere belastingheffing die de bevolking sterk verarmde.
Een met name opdringerige groep waren de Franken, in Oost-Nederland in het bijzonder de Saliërs en Chamaven (afkomstig uit Salland, Veluwe, Achterhoek, aangrenzend Westfalen). Zij waren goed vertrouwd met de Romeinse legercultuur en werden vermoedelijk met wisselend succes ingezet in de verdediging van de Limes. Rond 290 trokken de Salische Franken deze streken binnen, en vestigden zich in het Romeinse gebied ten zuiden van de Rijn, in het bijzonder rond de Schelde en later in Zuid-België en Noord-Frankrijk. De Bataven en de Kaninefaten zijn waarschijnlijk opgegaan in de Franken, hoewel ook wel wordt vermoed dat zij met de Romeinen zijn vertrokken. Meerdere Romeinse pogingen zich van de Franken te ontdoen faalden, en in 355 gaf Julianus (de latere keizer Julianus Apostata) de Franken het gebied dat tegenwoordig Vlaanderen en Zuid-Nederland vormt als foederati (aan de Romeinen verbondenen) in bezit.
[bewerken] Vroege middeleeuwen
Na de volksverhuizingen en de mede daardoor veroorzaakte val van het (West-)Romeinse Rijk in West-Europa (het Oost-Romeinse Rijk bleef nog eeuwenlang bestaan), was het gebied in drie delen verdeeld. De Friezen woonden langs de kusten, de Saksen in het oosten en de Franken in het zuiden. Grensstad van de Franken was lang Nijmegen, alwaar zij een palts vestigden. De Franken breidden hun grondgebied naar het zuiden, noorden en oosten uit en versloegen de andere volken.
Tussen 560 en 785 ontstonden er oorlogen tussen de Friezen en de Franken, een bekende veldslag was de slag aan de Boorne tussen de Friese koning Poppo en de Frankische hofmeier Karel Martel. Al rond 560 had de Frankische Chlotarius een deel van Friesland onder zijn gezag gebracht. Uiteindelijk werd geheel Friesland door de Franken een aantal keer onderworpen, maar de bevolking wist zich ook meerdere keren te bevrijden, onder andere tijdens troonswisselingen van de Frankische vorsten, zoals bij de dood van Pepijn. De Friezen waren nu een volk van zeevaarders, maar de Friese vloot werd rond 785 door Karel de Grote vrijwel geheel vernietigd.
Onder Karel de Grote beheerste het Frankische rijk rond 800 vanuit zijn kern in het huidige België en Noord-Frankrijk een groot deel van Europa waaronder het huidige Duitsland en Noord-Italië. In deze tijd werden na de Franken ook de Friezen en Saksen tot het christendom bekeerd, veelal door rondtrekkende predikers, dikwijls Angelsaksische monniken zoals Willibrord, Bonifatius en Adelbert van Egmond. Een belangrijke bloeiende handelsplaats van circa 600 tot 850 was Dorestad. Door de grote omvang van het rijk was Karel de Grote genoodzaakt om het land te laten besturen door leenmannen die aan hem verantwoording schuldig waren. Geleidelijk aan werd de functie van leenman erfelijk en ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme dat tot aan de Nieuwe Tijd Europa beheerste.
[bewerken] Verdrag van Verdun, 843
Bij het Verdrag van Verdun in 843 werd het Frankische rijk verdeeld tussen de drie kleinzonen van Karel de Grote. Nederland kwam aan het Midden-Frankische Keizerrijk, ook wel genoemd naar de eerste keizer, Lotharius, Lotharingen. Na het verdrag van Meerssen (870) werd het middenrijk verdeeld tussen het West-Frankische Rijk, het latere Frankrijk, en het Oost-Frankische Rijk, het latere Heilige Roomse Rijk. Het gebied van het huidige Nederland maakte deel uit van het Heilige Roomse Rijk (behalve Zeeuws-Vlaanderen: de Schelde was de grens). Dorestad stond van ongeveer 840 tot 880 onder bestuur van de Viking Rorik. In 866 en 882 vonden Vikingaanvallen plaats in de IJsselstreek waarbij handelsplaats en kerkelijk centrum Deventer en de hof en nederzetting van Zutphen werden geplunderd. In 882 bezetten Vikingen zelfs het Valkhof te Nijmegen om daar te overwinteren. Tegen het jaar 1000 verminderde de plaag uit het noorden en hield op toen de Vikingen overgingen tot het christendom.
[bewerken] Late middeleeuwen
Het Heilige Roomse Rijk bleef geen politieke eenheid. Lokale leenmannen, officieel de vertegenwoordigers van de keizer, vormden hun graafschappen en hertogdommen om tot kleine privé-vorstendommen, en waren nog slechts in naam afhankelijk van de keizer. De vele lokale leenmannen hielden zich tenslotte hoofdzakelijk bezig met het vergroten van hun persoonlijke macht ten koste van hun buren. Grote delen van de Lage Landen werden beheerst door elkaar onderling bestrijdende vorsten zoals de hertog van Gelre, de hertog van Brabant en de bisschop van Utrecht. En ook de bisschoppen van Luik en Keulen mengden zich dikwijls in de politieke strijd. Geleidelijk kwam aan de kust het graafschap Holland op. Friesland en Groningen kenden een geheel afwijkende ontwikkeling, een landsheer heeft zich daar nooit blijvend kunnen handhaven.
Het herstel van de chaotische 'donkere middeleeuwen' zette zich ook na de Karolingische renaissance onverminderd voort. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de Lage Landen profiteerden hiervan. Het economische zwaartepunt lag tussen 1100 en 1500 duidelijk in Vlaanderen waar Brugge en Gent door de toenemende handel zeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het Rijnland (glas, aardewerk, metalen) en Engeland (wol) die hier samenkwam. In het oosten waren het de IJsselsteden die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond (voornamelijk wol, graan, hout). Het zuidelijke deel (het huidige België en een deel van Noord-Frankrijk) was duidelijk het belangrijkste, maar vanaf de 14e eeuw begon het gewest Holland belangrijker te worden. De voornaamste stad van dat gewest was in die dagen Dordrecht. Met de Vrede van Kopenhagen uit 1441 lag de Oostzee open voor Hollandse kooplieden en nam de invloed van de Hanze af.
[bewerken] Bourgondische tijd
Door verovering en strategische huwelijken van de hertogen van Bourgondië ontstond het rijk van de Bourgondiërs, dat op zijn hoogtepunt zich uitstrekte van de Alpen tot Holland; het speelde een grote rol in de Honderdjarige Oorlog tussen de Engelse en Franse koningen. Het was de spreekwoordelijke derde hond en het been. Het Bourgondische rijk bestond uit een reeks feodale bezittingen aan beide zijden van de Frans-Duitse taalgrens. Hertog Karel de Stoute centraliseerde zijn bestuursorganen in de welvarendste en daardoor belangrijkste gebieden van zijn bezittingen: de Lage Landen. Hij verplaatste zelfs de hoofdstad van zijn rijk van Dijon naar Brussel.
Nadat mede door toedoen van Jeanne d'Arc de Engelsen verdreven waren hadden de Franse ridders de handen weer vrij en was Bourgondië aan de beurt om door het opkomend Franse koninkrijk ingelijfd te worden. De machtigste hertog Karel de Stoute, bleek tevens de laatste te zijn en vond in de strijd tegen de Zwitsers in 1477 de dood tijdens de slag bij Nancy. Zijn dochter Maria verloor het stamland Bourgondië. Samen met haar echtgenoot Maximiliaan I van Oostenrijk regeerde zij vanuit Brussel wat haar overbleef: de Nederlanden; dit was wel nog steeds het rijkste en welvarendste gebied van het voormalige Bourgondische Rijk.
[bewerken] Habsburgers
De zoon van Maximiliaan en Maria, Filips de Schone, trouwde met de Spaanse prinses Johanna de Waanzinnige. Dit zou tot gevolg hebben dat de Habsburgers een rijk opbouwden dat bestond uit drie delen: een Oostenrijks, een Spaans en een Bourgondisch deel.
De Oostenrijkse, Spaanse en Bourgondische gebieden kwamen via Maximiliaan bij overerving terecht bij zijn kleinzoon Karel V. Karel was in 1500 in Gent geboren en werd later tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk. Toch moest hij voor een klein deel van zijn Zeventien Provinciën, waaronder Vlaanderen, nog steeds trouw zweren aan zijn rivaal de Franse koning. Beide vorsten waren het eens dat dit uit de tijd was en in de Pragmatieke Sanctie werd er besloten dat alle zeventien gewesten losgemaakt werden van zowel Frankrijk als het Duitse Rijk. Karel had zoals alle vorsten uit zijn tijd zijn zinnen gezet op het versterken van zijn persoonlijke macht ten koste van de regionale adel en de vrijwel onafhankelijke steden. De rechten van de oude feodale adel met zijn vele graven en hertogen gingen betrekkelijk gemakkelijk in zijn handen over, maar met de grote steden van het Zuiden had hij het niet zo gemakkelijk. De tegenzin tegen zijn centralistische politiek nam langzamerhand toe. Gelre bleef onder hertog Karel van Gelre lang buiten zijn rijk en pas in 1543 werd Karel ook Hertog van Gelre. In de zestiende eeuw nam een deel van bevolking van de Nederlanden deel aan de reformatie (hervorming) en werd dus protestant. Filips II, zoon van Karel V, was strikt katholiek, dus dit verontrustte hem zeer. Anders dan zijn vader was hij Spanjaard, geen Nederlander. Hij is alleen in het begin van zijn regering in de Lage Landen geweest, terwijl zijn vader was opgegroeid in Gent en heer der Nederlanden was geworden voordat hij koning van Spanje werd. Uiteindelijk liepen de spanningen uit op de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648).
[bewerken] Tachtigjarige Oorlog, 1568 - 1648
De pogingen van Filips II om de protestanten, die in de Nederlanden vooral van calvinistische signatuur waren, te onderdrukken en om regering, rechtspraak en vooral belasting te hervormen en te centraliseren leidden tot een opstand. De Stadhouder van de Spaanse koning Willem van Nassau, prins van Oranje, liep over naar de opstandelingen en nam later zelfs de leiding in de opstand. Hoewel er ook in het Zuiden veel wrevel tegen de koning was, begon de openlijke opstand in Holland (Den Briel op 1 april 1572) en Zeeland. De opstand van Holland werd officieel bekrachtigd tijdens de eerste vrije statenvergadering van de Staten van Holland in Dordrecht in juli 1572. De koning behaalde wel wat militaire successen, maar de opstand werd er niet mee bedwongen; hij ging bovendien bankroet aan de hoge kosten van de huurlingen. Dezen gingen in 1576 muiten wegens gebrek aan soldij, met name in Antwerpen; dit werd de Spaanse Furie genoemd. De Staten-Generaal kwamen bijeen om in naam van de koning (maar achter zijn rug om) hier een eind aan te maken. Met deze Pacificatie van Gent (1576) zag het er even naar uit dat de Nederlanden één lijn zouden trekken. Maar spoedig bleken sommige Zuidelijke gewesten bereid om zich weer naar de koning te schikken. Zij vormden de Unie van Atrecht 1579 (nu: Arras, een stad in Noord Frankrijk).
In de Unie van Utrecht (1579) vormden de zeven noordelijke provincies de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Die delen van het Zuiden die meededen met de opstand werden al spoedig door de koning heroverd. Antwerpen bijvoorbeeld viel in 1585. Veel handelaren en mensen met allerlei vaardigheden vluchtten naar het Noorden.
De onafhankelijkheidsstrijd sleepte zich nog voort tot 1648 en wordt ook wel de Tachtigjarige Oorlog genoemd. Tijdens deze periode werd er niet continu gevochten. Hoewel er soms flinke belegeringen en veldslagen plaatsvonden, waren er ook lange periodes van vrede zoals het twaalfjarig bestand.
Bij de Vrede van Westfalen in 1648 werd de onafhankelijkheid van de Republiek eindelijk door Spanje en ook internationaal erkend. Ook werd bevestigd dat de Republiek geen deel meer was van het Heilige Roomse Rijk. Het Zuiden werd daar wel weer een deel van (inclusief Vlaanderen).
De nieuwe Republiek werd wel de Grote Uitzondering van de 17e eeuw genoemd, omdat in tegenstelling tot de meeste landen in Europa de derde stand, vooral de handelaren van de steden, het voor het zeggen kregen. Zij ruilden een feodaal systeem in voor iets nieuws dat later kapitalisme zou gaan heten. In Antwerpen kwamen al handelaars samen bij een Beurs om aandelen te verhandelen. Amsterdam nam dat over en spoedig waren er verzekeringsmaatschappijen en zelfs de eerste speculatie-crash: de Tulpenmanie in 1637.
[bewerken] Gouden Eeuw van de Nederlandse Republiek
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog begon ook de grootschalige overzeese handel in Nederland: De Nederlanders jaagden op walvissen rond Spitsbergen, handelden in specerijen uit India en de Indonesische archipel, en stichtten koloniën in Brazilië, Nieuw-Nederland (tegenwoordig de staat New York), de Kaapkolonie en het Caraïbisch gebied. Nederlanders heersten ook over de eilanden Ceylon (het tegenwoordige Sri Lanka) en Formosa (het tegenwoordige Taiwan). In de Indonesische archipel ontstond de grootste kolonie, het latere Nederlands-Indië, later ook wel Insulinde (Nederlands-Indië) genoemd. Vanwege de rijkdom die met de handel werd bereikt - geruime tijd was de Republiek zelfs de rijkste natie van het Westen - werd de 17e eeuw bekend als de Gouden Eeuw voor Nederland. In deze periode werden vele pakhuizen gebouwd. (Zie Nederlandse Koloniale Rijk)
De Republiek werd geregeerd door een aristocratie van gegoede burgerij (de regenten), en niet door een koning of door edelen. De diverse steden en provincies genoten een grote mate van onafhankelijkheid; in theorie had elk haar eigen regering en wetten, hoewel een aantal gebieden (zoals Brabant en Limburg) onder het centraal gezag vielen. Hoewel de Republiek als een tolerante staat gold, was het katholicisme een 'onderdrukte' godsdienst.
Het politieke bestel was eigenlijk al verouderd voordat de vrede getekend was, maar omdat veranderingen in het systeem al gauw gelijkgesteld werden aan de opdringerigheid en dwingelandij van de afgezworen koning werd het systeem tot 1795 niet veranderd.
[bewerken] De Engelse oorlogen
In 1650 stierf stadhouder Willem II en had het land geen samenbindende sterke leider meer. In 1651 werd in Engeland de Akte van Navigatie ingesteld, die grote nadelige gevolgen had voor de Nederlandse handel. Nederlandse bezwaren leidden tot de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog (1652-1654). Bij de eerste Vrede van Westminster werd bepaald dat deze wet in stand bleef.
De Republiek en Engeland kwamen opnieuw in conflict, en in 1665 verklaarde Engeland de oorlog (Tweede Engels-Nederlandse Oorlog). Voordien hadden de Engelsen reeds nederzettingen in Nieuw-Nederland aangevallen. Nederland moest zich ook bezighouden met de Franse invasie in de tijd van Lodewijk XIV in de Spaanse Nederlanden, en nadat admiraal Michiel de Ruyter de Theems opvoer en een deel van de Engelse vloot vernietigde in de tocht naar Chatham, werd de Vrede van Breda gesloten (1667). De Engelsen kregen de Nederlandse bezittingen in Noord-Amerika, bijvoorbeeld Nieuw-Amsterdam het latere New York, maar Suriname werd Nederlands en de Akte van Navigatie werd versoepeld.
[bewerken] Rampjaar
1672 werd in Nederland bekend als het rampjaar. Engeland verklaarde de Republiek de oorlog, en zowel Frankrijk als de bisdommen Münster en Keulen deden hetzelfde. Frankrijk, Keulen en Münster vielen de Republiek binnen; een Engelse landingspoging werd ternauwernood verijdeld. Raadspensionaris mr. Johan de Witt en zijn broer Cornelis werden door het Haagse gepeupel op gruwelijke wijze vermoord. Willem III, verdacht van het complot, werd daarna stadhouder. Met hulp van andere Duitse staten wist Nederland de aanvallers terug te drijven, en Engeland (2e Vrede van Westminster), Keulen en Münster sloten vrede in 1674. In 1678 werd ook met Frankrijk vrede gesloten.
[bewerken] Personele unie met Engeland
Nadat koning Jacobus II van Engeland onttroond was door het Engelse Parlement, werd diens schoonzoon, stadhouder Willem III, in 1689 gevraagd om ook koning van Engeland te worden. Willem had daar wel oren naar en viel met een reusachtige vloot (zelfs veel groter dan de Spaanse Armada van 100 jaar eerder) bemand met een grotendeels Nederlands leger Engeland binnen, ontbond het Engelse leger en gaf de soldaten van zijn tegenstribbelende schoonvader Jacobus het bevel Londen te verlaten. Deze vluchtte naar Ierland en nadat hij de Slag aan de Boyne verloor vluchtte hij naar Frankrijk. Zo liepen er dus een tijdlang Nederlandse soldaten op wacht in de straten van Londen. Wat dat betreft zijn de Nederlanders de laatsten die Engeland 'veroverd' hebben, hoewel je het met goed recht ook zou kunnen zien als slechts een volgende 'troonswisseling', waarvan er in de Engelse geschiedenis zo veel zijn geweest - waarbij dan Nederland en Engeland eerder in een personele unie verenigd werden dan dat het ging om een letterlijke inlijving van Engeland in de Nederlandse Republiek. Willem III moest om koning te mogen worden aan het Engelse Parlement ook meer macht geven. Met het bewind van Willem en Maria Stuart (in Groot-Brittannië bekend als de Glorious Revolution van William and Mary) werd een eind gemaakt aan een hele roerige periode in de Engelse geschiedenis, waarin ook de Engelsen voorgoed afrekenden met hun absolutistische koningen. In 1702 viel Willem echter van zijn paard en stierf hij te Hampton Court Palace. Omdat er geen beschikkingen waren om de troonsopvolging in de lijn van Oranje voort te zetten - in tegendeel zelfs - eindigde daarmee het koninklijke avontuur voor Nederland, althans wat betreft Engeland, want pas later in 1815 zou de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, overgaan in het Koninkrijk der Nederlanden.
Willem III bracht tevens zijn bankiers en raadgevers naar Londen en voerde economische verbeteringen door. Vanaf zijn tijd begon Engeland steeds meer de Republiek te overvleugelen, vooral in de koloniale handel. Voor een deel kwam dat omdat Engeland nu (ironisch genoeg grotendeels door Willems hervormingen) een goed functionerend centraal gezag had. Maar de grootste reden voor deze 'trendwisseling' was de sterk toegenomen bevolking van Engeland, die in het algemeen goed was opgeleid en daarmee dus bovendien de productie per persoon kon vergroten. Bovendien wist het vernieuwde Engelse bestuur heel goed waar de prioriteiten lagen voor een handels- en maritiem rijk en steunden daarom flink handel, economie en technische vernieuwingen; zo werd de vloot sindsdien voortdurend 'up-to-date' gehouden en flink uitgebreid.
[bewerken] Achteruitgang
In Nederland daarentegen werden de regenten ondertussen steeds gezapiger; ze hadden het goed, waarom zouden ze ook maar iets veranderen? De eens zo oppermachtige vloot werd sterk verwaarloosd en rotte weg in de havens. Alarmerende waarschuwingen vanuit marine en leger werden in de wind geslagen. De regenten hadden niet in de gaten, of waarschijnlijker, het interesseerde hen niet dat de rest van Europa niet stil bleef staan en hen economisch, technisch en militair inhaalde.
[bewerken] Achttiende eeuw
Toen het in de eerste helft van de 18e eeuw weer eens minder goed ging met de Republiek zochten de regenten een nieuwe 'sterke man' en werd de Friese stadhouder onder de naam Willem IV in 1747 stadhouder in de hele Republiek. Hij kreeg bijna koninklijke macht maar overleed reeds vier jaar later. Zijn zoon Willem V werd toen de stadhouder. Hij probeerde de overheid te moderniseren maar wilde tevens vasthouden aan zijn 'koninklijke' macht. Aan het eind van de 18e eeuw groeide de interne verdeeldheid in Nederland. De belangrijkste partijen in deze tijd waren de Orangisten, die stadhouder Willem V nog meer macht wilden geven in navolging van de Franse koningen, en de Patriotten die, onder invloed van de Franse ideeën van de Verlichting en de Amerikaanse Revolutie, een meer democratisch regeringssysteem wilden.
Nederland was na Frankrijk het tweede land dat de Verenigde Staten erkende, en de Britten verklaarden het de oorlog om te voorkomen dat Nederland eerst met andere neutrale landen een alliantie zou aangaan en dan alsnog in de Amerikaanse onafhankelijkheidsoorlog betrokken zou raken. Zij maakten daarbij handig gebruik van uiterst trage besluitvorming in de Republiek. Deze vierde Engelse Oorlog (1780-1784) betekende een ramp voor Nederland, vooral economisch. Velen denken dat deze ramp te wijten was aan de achteruitgang van de Republiek. Terwijl de vloot waarmee de Republiek de Engelsen ten strijde trok even groot was waarmee Michiel de Ruyter de Engelsen had verslagen. Een betere oorzaak voor het drama tijdens de vierde Engelse Zeeoorlog zijn de uitgaven op militair gebied in Engeland. Terwijl de uitgaven in de Republiek stabiel waren, waren ze in Engeland explosief gestegen. In 1786 en 1787 escaleerden de problemen. De Nederlandse Patriotten wilden de oude vrijheid op de Oranjes heroveren, stadhouder Willem V vluchtte uit Holland. Met hulp van de Pruisen en de Engelse koning werd de Oranjerestauratie hard ingezet. Willem V werd in zijn positie hersteld. Vele Nederlandse Patriotten vluchtten daarop naar Noord-Frankrijk.
[bewerken] Franse tijd
Na de Franse revolutie vielen de Franse troepen in 1795 Nederland binnen. Zij bezorgden daarbij de patriotten, die samen met de Franse legers weer terugkeerden, alsnog de macht en vestigden de Bataafse Republiek. Stadhouder Willem V vluchtte naar Engeland. De Republiek werd echter al snel verscheurd door de onderlinge twisten van de patriotten: er vonden binnen korte tijd zelfs verscheidene staatsgrepen plaats. In 1801 werd na een grondwetswijziging het Bataafs Gemenebest ingesteld, als vervanging van de Republiek. Hoofdkenmerk van deze wijziging was een veel meer gecentraliseerd bestuur, wat tot uiting kwam in de benoeming van een raadpensionaris (met presidentiële bevoegdheden) in 1805. Ondanks deze wijzigingen was de inmiddels in Frankrijk aan de macht gekomen Napoleon nog niet tevreden. In 1806 vormde hij het Bataafs Gemenebest (waaraan het Duitse Oost-Friesland werd toegevoegd) om tot het Koninkrijk Holland. Napoleon stelde zijn broer Lodewijk Napoleon aan als koning (later spottend bekend als konijn van Olland refererend aan zijn sterke Franse accent). Ook dit koninkrijk was geen lang leven beschoren, want Lodewijk Napoleon stelde de Nederlandse belangen vaak boven de Franse waarmee hij onder de Nederlanders zelf erg populair werd. Dit zinde Napoleon niet, en na een paar keer zijn broer tevergeefs te hebben gewaarschuwd, lijfde hij Nederland in 1810 alsnog in bij het Franse keizerrijk.
Intussen had het naar Engeland gevluchte huis van Oranje een verdrag met de Britten gesloten, waarbij deze de Nederlandse kolonies in 'onderpand' kregen. Aan de koloniale gouverneurs werd door de stadhouder de opdracht gegeven zich aan de Engelsen over te geven. Hierdoor kwam een einde aan een groot deel van de Nederlandse koloniale macht: Guyana en Ceylon werden nooit meer teruggegeven, de Kaapkolonie daarentegen wel, maar ook deze kolonie werd in 1806 opnieuw, en nu definitief, door de Britten bezet.
[bewerken] Negentiende eeuw
Nadat de napoleontische troepen zich in 1814 hadden teruggetrokken, kwam Nederland als staat terug op de kaart van Europa. Nederland had altijd al een belangrijke rol gespeeld als buffer om de Franse expansiedrift in toom te houden, en in het bijzonder de Tsaar van Rusland wilde dat zo houden. Hij vroeg daarom om teruggave van de Nederlandse koloniën en herstel van de vooroorlogse situatie. De Britten dachten daar echter anders over. Ze wilden de rijke en strategisch belangrijke Nederlandse koloniën bij hun eigen overzeese Imperium voegen en wilden de Nederlanders daarvoor compenseren door hen meer grondgebied aan hun oost en zuidgrenzen te geven. De Oostenrijkers hadden daar wel oren naar want ze wilden eigenlijk af van hun Zuid-Nederlandse bezittingen die ver van Wenen lagen. De Oostenrijkers zagen bovendien het liefst deze gebieden bij de Republiek gevoegd. De andere optie, bij Pruisen, wilden ze absoluut niet om de groeiende Pruisische invloed in de Duitse landen niet nog meer te vergroten. Er lagen verschillende uitbreidingsplannen op tafel:
- Een vereniging van de Republiek en alle Lage Landen.
- Een vereniging van Vlaanderen, de Republiek en het Duitse Rijnland tot aan Keulen
- Een vereniging van de Republiek, de Lage Landen, Lotharingen en Vlaams Frankrijk; dit is ongeveer het gebied van het vroegere noordelijke Bourgondië.
- Een vereniging van de Republiek en de Lage Landen, het Rijnland tot aan de Moezel samen met de oorspronkelijk Oranje-Nassau gebieden over de oostelijke Rijnoever.
Prins Willem Frederik van Oranje, de zoon van de laatste stadhouder van de Republiek, Willem V, probeerde vooral dit laatste door te drukken. Pruisen, dat in het zelfde gebied uitbreiding nastreefde, had hier begrijpelijkerwijze ernstig bezwaar tegen. Op het congres van Wenen (1814-1815) werd een compromis tussen de Britten, Russen en Pruisen bereikt; alleen de kolonie Nederlands-Indië kwam terug in Nederlandse handen, maar Noord- en Zuid-Nederland werden herenigd.
[bewerken] Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
Nederland werd een monarchie met Willem Frederik als koning Willem I. Zijn Verenigd Koninkrijk der Nederlanden omvatte oorspronkelijk het huidige Nederland, België en Luxemburg. Willem pakte de 'wederopbouw' krachtig aan en stimuleerde vooral handel en industrie. Zo liet hij talrijke kanalen graven en wegen verbeteren. Vooral de zware industrie in België profiteerde hiervan. Maar de Belgen voelden zich spoedig tweederangs burgers: in bestuur en hoge legerposten waren de Belgen zwaar ondervertegenwoordigd hoewel ze een groter deel van de bevolking en het leger uitmaakten. Bovendien waren er grote religieuze verschillen (het katholieke zuiden tegenover het protestantse noorden), economische verschillen (het zuiden industrialiseerde, het noorden bleef een handelsnatie) en taalkundige verschillen (niet alleen Wallonië was in die tijd Franssprekend, maar ook de hogere bourgeoisie in Vlaanderen). Bovendien werden deze verschillen geaccentueerd en aangewakkerd door Frankrijk, dat immers niets moest hebben van de sterke bufferstaat aan zijn grens, en bovendien meende recht te hebben op de Zuidelijke Nederlanden. De grootste bezwaren kwamen echter van de katholieke kerk. Die had in het zuiden altijd een bevoorrechte positie genoten, in de nieuwe staat was zij die positie kwijt. De Kerk bezag met argusogen de bemoeienissen van Willem met de katholieke scholen en seminaries.
[bewerken] Belgische opstand
In 1830 kwamen de spanningen tenslotte tot een uitbarsting. De Belgen kwamen in opstand na grote rellen naar aanleiding van de voorstelling van de opera de Stomme van Portici, en verklaarden zich onafhankelijk na mislukte pogingen tot vereniging met Frankrijk (rattachisme) dat de Britten en Pruisen natuurlijk niet zagen zitten en nadrukkelijk verhinderden. Na een oorlog van slechts enkele dagen, (de Tiendaagse Veldtocht), was Willem I gedwongen toe te geven. De gehele provincie Limburg, dus inclusief het huidige Nederlands Limburg, sloot zich aan bij de opstand en steden als Venlo, Roermond en Weert ontvingen het kersverse Belgische leger enthousiast. Na de Belgische opstand van 1830 bleef Maastricht als enige Limburgse plaats officieel trouw aan het gezag van Willem I. Dit was niet de wil van de Maastrichtse Belgisch gezinde bevolking maar kwam door de garnizoenscommandant kolonel Dibbets, die de teugels strak in handen hield en de onwillige stedelingen onder druk zette. Bij het Verdrag van Londen, opgesteld in 1832, stond België oostelijk Limburg, tegen de zin van de bevolking, en Luxemburg af aan Nederland. Omdat Nederland dit verdrag pas in 1839 ondertekende, bleef Maastricht van 1830 tot 1839 geïsoleerd. Hierna stierf het orangisme in België uit of transformeerde het tot de Vlaamse Beweging. De aversie van de Limburgse bevolking tegen "Holland" leeft nog voort in de titel van de Limburgse Commissaris der Koningin: Gouverneur. Tot in de Tweede Wereldoorlog bleef (tegenover "Hollanders") de koning(in) van Nederland "jullie" koning(in).
[bewerken] Hervormingen na 1848
Het zogenaamde Revolutiejaar 1848 was een jaar van onlusten in heel Europa. De idealen van de Franse revolutie zoals liberalisme, maar ook het nationalisme, wat het conservatieve congres van Wenen wilde onderdrukken, kwamen nu weer bovengronds. En het startpunt was weer Frankrijk waar de reactionaire koning werd afgezet en een burgerregering aan de macht kwam. Snel daarna kwamen ook 'volksopstanden' voor in o.a. Duitsland en Oostenrijk. Nederland werd grotendeels onlusten bespaard maar de effecten waren ook hier te voelen. De liberaal Johan Thorbecke werd gevraagd een nieuwe grondwet op te stellen, welke Nederland omvormde tot een constitutionele monarchie, waaruit zich de huidige parlementaire democratie ontwikkelde. De liberale omwenteling maakte ook de katholieke emancipatie mogelijk. Onder protest van de protestanten kregen de katholieken het recht om weer bisdommen in te stellen.
Aan het eind van de 19e eeuw spanden diverse Europese landen zich in om koloniën te verwerven. Nederland vergrootte en versterkte eveneens flink haar positie in Nederlands-Indië. Dit ging met zwaar geweld tegenover de inheemse bevolking gepaard. Vooral de oorlogen op Java en Sumatra (in Atjeh, Van Heutsz) werden berucht wegens de vele slachtoffers onder de bevolking en de begane wreedheden over en weer. Deze praktijken waren overigens ook 'normaal' bij de meeste andere Westerse kolonisators, bijvoorbeeld in Belgisch Congo, Brits Afrika en de Franse koloniën. Multatuli schreef Max Havelaar, één van de bekendste boeken uit de Nederlandse literatuur, waarin hij de Nederlandse exploitatie van het land en zijn inwoners aan de kaak stelde.
Het einde van de 19e eeuw was ook de tijd waarin de politieke partijen vorm kregen. Voorheen waren de parlementsleden verenigd in informele allianties en kiesverenigingen, waaruit uiteindelijk de politieke partijen van de 20e eeuw zouden ontstaan.
Drie kwesties speelden een belangrijke rol in de Nederlandse politiek:
- de sociale kwestie (meer aandacht voor de situatie van de arbeiders)
- de onderwijskwestie (gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs)
- de kiesrechtkwestie (steeds meer burgers kregen het kiesrecht)
[bewerken] Twintigste eeuw
In de 20e eeuw veranderde Nederland als nooit tevoren en werd van een voornamelijk handels- en agrarisch land een industrieënatie. Het handelsverleden kreeg een nieuw vervolg in de vele belangrijke multinationals van Nederlandse oorsprong die ontstonden. Na 1945 verloor Nederland haar grootste kolonie Nederlands-Indië.
[bewerken] Chinese immigratie
Tussen 1900 en 1930 kwamen veel Chinezen naar Nederland.
[bewerken] Eerste Wereldoorlog
Nederland bleef neutraal in de Eerste Wereldoorlog, maar het leger werd wel gemobiliseerd toen in augustus 1914 de oorlog uitbrak. De Duitse invasie in België leidde tot een groot aantal vluchtelingen uit dat land (ca. 1 miljoen).
Directe oorlogshandelingen bleven Nederland bespaard. De Duitsers dachten dat een neutraal Nederland als een "luchtpijp naar de Noordzee" hen meer zou opleveren dan een bezet Nederland. Bovendien was het Nederlandse leger relatief groot en modern. Het zou de Duitsers lang genoeg kunnen tegenhouden om de Engelsen de tijd te geven om te landen, en dan zou Duitsland een derde front hebben. Wel werd Nederland enkele keren per ongeluk gebombardeerd, zoals Zierikzee en Goes door de Engelsen.
Omdat de omliggende landen in oorlog waren, en de Noordzee niet veilig meer was voor civiele schepen, werd het voedsel schaars en er dreigde zelfs hongersnood. Er werd een bonnensysteem voor de voedseldistributie ingesteld. Een fout in de distributie leidde tot het zogenaamde aardappeloproer in Amsterdam in 1917: een voedseltransport dat voor het leger bestemd was, werd geplunderd.
Nederland kwam tussen Scylla en Charybdis te liggen. De Engelsen hadden er alle belang bij de blokkade van Duitsland zo strak mogelijk aan te trekken, en zo min mogelijk goederen door te laten. De Duitsers wilden daarentegen zoveel mogelijk gebruikmaken van de Nederlandse handel. Beide landen trachtten hun zin door te drukken met diplomatieke missies en verkapte bedreigingen. Opgemerkt dient wel te worden dat beide partijen hoogstwaarschijnlijk niet wilden dat Nederland zich bij een van hen aansloot, maar bang waren dat de tegenstander bevoordeeld werd. De zwarte handel tierde welig. Veel goederen waren schaars of mochten niet verhandeld worden naar bezet België of Duitsland (bijvoorbeeld paarden). Er werd flink gesmokkeld. Een kleine groep bleek in 1918 schatrijk te zijn geworden door de oorlogswinsten.
In november 1918 riep Pieter Jelles Troelstra, de leider van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij) op tot een revolutie onder de arbeiders, maar aan zijn oproep werd geen gehoor gegeven.
Na de oorlog dreigde er in 1919 nog een conflict. De Belgen vonden namelijk dat Nederland niet neutraal was geweest omdat het Duitse troepen door Limburg had laten terugtrekken. Ze eisten Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg op. De Zeeuwen betuigden hun trouw aan de koningin, maar veel Maastrichtenaren wilden graag bij België horen. Na bemiddeling kwam men overeen dat uiteindelijk een Antwerpen-Rijnkanaal zou worden gegraven, deels op Nederlands grondgebied en Nederlandse kosten. Nederland zou zich hier niet aan houden. Tot de Tweede Wereldoorlog zou de verhouding met België problematisch blijven.
[bewerken] Interbellum
De periode tussen de beide wereldoorlogen, die veelal wordt aangeduid als interbellum, heeft een grote invloed gehad op de daaropvolgende decennia. Het belangrijkste kenmerk van deze periode is het ontstaan van de verzuiling. Een ander aspect dat gedeeltelijk samenhangt met de verzuiling is de ineens ontstane meerderheid van de confessionele partijen.
De eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog herstelde de economie zich snel, maar na de Beurskrach van 1929 kwam daaraan een einde. Het op dat moment regerende Kabinet-Ruijs de Beerenbrouck III voerde een groot aantal bezuinigingsmaatregelingen en wetten door (onder andere de Tarwewet) om de crisis te doorstaan. Vrijwel alle landen rondom Nederland devalueerden hun munt waardoor de handelspositie steeds slechter werd. Pas in 1936 werd door Kabinet-Colijn III alsnog besloten de gulden te devalueren. Economisch oriënteerde Nederland zich in deze tijd zeer eenzijdig op Duitsland. De invoering van het Sonderkonto bleek een strop voor Nederland.
Om de dan al tot ruim 30% opgelopen werkloosheid een halt toe te roepen werden in 1935 werkgelegenheidsprojecten opgezet en de import werd beperkt om binnenlandse bedrijven te steunen. Langzaamaan kwam rond die tijd de toestroom van uit (sinds 1933 Nazi-) Duitsland gevluchte Joden op gang, maar om de relatie met Duitsland niet te verstoren werd er een zeer streng toelatingsbeleid gehanteerd en werden veel Joden weer teruggestuurd.
In deze periode begonnen Indonesische groeperingen in Nederlands-Indië zelfbestuur of zelfs onafhankelijkheid te eisen. Leiders als Soekarno en Hatta werden opgepakt en naar Nieuw-Guinea verbannen.
Door de wereldwijd toenemende onrust werd besloten de defensie-uitgaven te verhogen en de dienstplicht te verlengen. Nederland kon echter de meeste wapens niet zelf fabriceren en moest dus kopen: bij Oerlikon in Zwitserland, Bofors in Zweden, Krupp in Duitsland, of Schneider-Creusot in Frankrijk. Met de oorlogsdreiging waren de meeste landen echter steeds minder scheutig om internationale wapenleveranties of doorvoer te tolereren. Nederland kon zich hierdoor niet afdoende bewapenen.
Desondanks bleef Nederland aansturen op volledige neutraliteit tijdens de naderende oorlog.
[bewerken] Tweede Wereldoorlog
Op 10 mei 1940 werd Nederland, ondanks Duitse beloften voor respectering van de Nederlandse neutraliteit, aangevallen door Nazi-Duitsland dat via Nederland (en België) Frankrijk wilde binnenvallen. De lage landen raakten daarmee betrokken bij de Tweede Wereldoorlog. In 1942 veroverde Japan Nederlands-Indië.
[bewerken] Na de Tweede Wereldoorlog
[bewerken] Dekolonisatie en troonswisseling
Direct na de bevrijding van Nederlands-Indië, op 17 augustus 1945, verklaarde het land zich onafhankelijk onder de naam Indonesië. Nederland vocht tegen de Indonesische nationalisten in twee oorlogen, bekend onder de eufemistische benaming van politionele acties, die gezag en orde moesten herstellen. Zowel door de internationale druk van de Verenigde Naties en de Verenigde Staten, in het bijzonder het dreigement de Marshallhulp stop te zetten, als door de vasthoudendheid van de Indonesiërs, werd Nederland gedwongen de nieuwe situatie te aanvaarden. Ook in Nederland zelf was er veel onenigheid. Nederland erkende de Indonesische onafhankelijkheid officieel op 27 december 1949 en behield alleen Nieuw-Guinea. Een immigratiestroom van in totaal ca. 300.000 personen uit Indonesië kwam op gang, bestaande uit Molukkers (ex-KNIL-militairen plus hun gezinnen), Nederlandse repatrianten, en "Indo's" (nakomelingen uit gemengde huwelijken). Met uitzondering van sommige Molukkers hebben zij zonder veel moeite hun plaats in de Nederlandse samenleving kunnen vinden.
In 1948, in het vijftigste jaar van haar regeerperiode, trad koningin Wilhelmina af ten gunste van haar dochter Juliana. Zij was vooral teleurgesteld omdat in het naoorlogse Nederland de vooroorlogse verzuilde samenleving, met bijbehorende partijpolitieke cultuur, weer terugkwam.
[bewerken] Wederopbouw
Hoewel oorspronkelijk gevreesd werd dat het verlies van de rijke kolonie tot economische malaise zou leiden (Indië verloren, rampspoed geboren), bleek het tegendeel het geval. Van belang was de Marshall-hulp die de Amerikanen Europa aanboden. De leningen die later tot gift werden verklaard werden dankbaar aangewend om de economie weer op poten te zetten. Niet onbelangrijk was daarnaast dat Indonesië weliswaar vanaf 1949 onafhankelijk was, maar dat de economische banden nog tot 1957 zouden blijven bestaan. Tegenover de 1,128 miljard dollar - bij een toenmalige wisselkoers van 3,80 gulden - over de periode 1948/51 van het Marshallplan, stond vanaf 1950 3,6 miljard gulden aflossing, tot Indonesië in 1956 weigerde de nog openstaande 650 miljoen gulden te betalen. Daarnaast maakten de inkomsten van de Nederlandse bedrijven in Indonesië tot Zwarte Sinterklaas eind 1957 zo'n acht procent uit van het Nederlandse nationale inkomen.[2]
In de jaren 50 nam de welvaart in Nederland snel toe. Dit was vooral te danken aan de zich eindelijk doorzettende industrialisatie en aan het feit dat men in West-Europa lering trok uit de fouten van het interbellum. Men zag in dat hoge tolmuren fnuikend voor de economie waren. Nederland, België en Luxemburg besloten daarom economisch nauwer samen te gaan werken en richtten de Benelux op. Nederland werd even later een van de zes landen die de Europese Economische Gemeenschap oprichtten, waaruit in de jaren daarop de Europese Unie ontstond.
[bewerken] Communisme
Eind jaren 40 ontstond ook een vrees voor het communisme. De sociaaldemocraten waren weliswaar minder radicaal, maar de communistische sterk pro-sovjet CPN behaalde in 1946 een monsterzege met 10 van de 100 Kamerzetels (was 3 in 1939), plus veel gemeenteraadszetels en de absolute meerderheid in een aantal Groningse gemeentes. De omwenteling in Tsjecho-Slowakije in 1948 deed bewondering omslaan in vrees. Tot een heksenjacht kwam het niet, maar een aantal wetswijzigingen in onder andere de Gemeentewet verzekerde de mogelijkheid om eventueel communistische politici te wippen, mochten ze te sterk worden. De aanhang van de CPN nam overigens in latere jaren drastisch af.
[bewerken] Watersnood
In 1953 vielen bij de watersnood vele doden in Zeeland en Zuid-Holland. Om een dergelijke ramp in de toekomst te voorkomen, werd het Deltaplan opgesteld, dat vele dijkverhogingen en afsluitingen van zeearmen inhield. Het duurde enkele decennia (tot 1987) eer dit grootse werk voltooid was.
[bewerken] Nieuw-Guinea
De westelijke helft van Nieuw-Guinea, het latere Irian Jaya, werd na veel bemoeienissen van Indonesië (en bovendien Amerikaanse aanmaningen en Russische dreigementen) in oktober 1962 overgedragen aan de Verenigde Naties. In 1969 werd Nieuw-Guinea middels een volksstemming officieel bij Indonesië gevoegd.
[bewerken] Suriname
Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk. Gouverneur Ferrier, premier Den Uyl en koningin Juliana ondertekenden het verdrag.
[bewerken] Democratisering
De jaren 60 en jaren 70|70 waren belangrijk, omdat ze gekenmerkt werden door een golf van democratisering en beweging op allerlei gebied. Tot een echte omwenteling kwam het niet, maar kleinere incidenten zoals de bezetting van het Maagdenhuis kwamen wel voor. Die democratisering vond plaats:
- in de politiek
[bewerken] Seksuele revolutie
De 'seksuele revolutie' en cultuuromslagen bij jongeren als 'flowerpower', de hippie-leefstijl en vrij druggebruik waaiden over uit Californië en sloegen hier neer. De Mammoetwet voor het onderwijs trad in. De subsidiewetgeving werd verruimd; kunstenaars kregen meer ruimte om te experimenteren.
[bewerken] Ontkerkelijking
Op godsdienstig gebied begon in deze periode het fenomeen van de grote ontkerkelijking, maar ook kwamen er allerlei nieuwe christelijke groeperingen op. Overwaaiend uit India of de Verenigde Staten kwamen goeroes ook in Nederland nieuwe leringen brengen, zoals Transcendente meditatie (TM), de Hare Krishna-beweging en de Baghwanbeweging. De ontkerkelijking ging gepaard met een ontmanteling van de verzuiling. Het was niet meer vanzelfsprekend om binnen de eigen zuil" te trouwen of op de partij van de eigen "zuil" te stemmen. Wie een christelijke school voor zijn zoon of dochter koos, deed dat vaker wegens de kwaliteit van het onderwijs dan uit geloofsovertuigingen. De confessionele partijen zagen hun aanhang kelderen. De vorming van het CDA uit de drie grootste confessionele partijen kon hun aanwezigheid in het machtscentrum nog rekken, maar in het algemeen verloren zij aanhang aan liberale partijen als D66 en VVD, of aan de sociaaldemocratische PvdA (hoewel de aanhang van deze partij ook sterk fluctueerde).
[bewerken] Milieuvervuiling
Eind jaren 60, de jaren 70 en begin jaren 80 was tevens een onrustige periode waarin de vervuiling van het milieu hoog op de nieuwsagenda kwam onder andere door het alarmerende Rapport van Rome dat een pessimistisch toekomstbeeld schettste als er niet werd ingegrepen. Velen protesteerden tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten op Nederlands grondgebied, een onderdeel van de koude oorlog. Tegen de kruisraketten was in 1983 in Den Haag een grote demonstratie, de grootste ooit in Nederland gehouden. Ook liepen veel mensen te hoop tegen de Vietnamoorlog en kreeg de politie in met name Amsterdam het druk met het beteugelen van acties van de kraakbeweging en de Anti-kernenergiebeweging.
[bewerken] Abortus
De pro-abortusbeweging en de anti-abortusbeweging bestreden elkaars denkbeelden en trachtten beide politieke besluitvorming hierover te beïnvloeden. Tijdens de regering van premier den Uyl had Nederland te kampen met onder meer de wereldwijde oliecrisis en treinkapingen bij De Punt en Wijster door Molukkers. Ook speelde in deze periode de Lockheed-affaire.
[bewerken] Gastarbeiders
Eind jaren 60 en vooral in de jaren 70 kwam een grote toestroom van 'gastarbeiders' eerst uit vooral Italië en Spanje op gang. Later veelal uit Marokko en Turkije. Het was de bedoeling dat deze maar tijdelijk zouden blijven en hoewel de Spanjaarden en Italianen in de jaren 80 en 90 veelal weer teruggingen naar hun vaderland was dat met de anderen niet het geval. De reden was vooral economisch. Spanje en Italië werden evenals Nederland welvarender zodat de emigranten weer graag teruggingen. Marokko en Turkije bleven onderontwikkelde gebieden zodat er geen prikkel was voor de inmiddels aan de welvaart gewende 'gastarbeiders' om terug te keren. Bovendien hadden velen ondertussen hun gezin over laten komen. Omdat het in de islamitische godsdienst onbespreekbaar is om buiten de islamitische gemeenschap een partner te zoeken kwam er eveneens een grote toestroom van 'importbruiden' en 'importschoonzonen' op gang. Hierdoor groeide de allochtone islamitische bevolkingsgroep zeer sterk. Dit leidde vanaf de jaren 90 tot steeds meer botsingen met de autochtone bevolking en de Nederlandse cultuur.
[bewerken] Kroningsoproer
In 1980 gaf koningin Juliana het koningschap over aan haar oudste dochter, Beatrix, wat gepaard ging met een hevige kroningsoproer.
[bewerken] Jaren 80
Het begin van de jaren 80 werd gekenmerkt door een oliecrisis in 1979, een economische terugval met hoge werkloosheid, een enorm begrotingstekort, oplopende rente en een instortende woningmarkt. De kabinetten van CDA'er Ruud Lubbers regeren van 1982-1994 onder het motto 'werk, werk, werk'. Deze drie kabinetten worden gekenmerkt door grote bezuinigingen op ambtenarensalarissen en uitkeringen en de afbouw van de verzorgingsstaat. Het begrotingstekort (het verschil tussen overheidsinkomsten en uitgaven) van 10.7% Bruto Nationaal Product in 1982 wordt zo teruggedrongen. Uitkeringen worden minder aantrekkelijk gemaakt om meer mensen aan het werk te krijgen en de werkloosheid (ruim 11% in 1983) tegen te gaan. Ook wordt het 'Poldermodel' (consensus tussen overheid, vakbonden en werkgevers) verlaten. Waar de jaren 60 en 70 bekend stonden als "Flower Power" en "Summer of Love", waren de jaren 80 soberder. Nederland leed onder "stagflatie" wat een economisch probleem veroorzaakte waar men maar moeilijk uitkwam. Eind jaren 80 ging gelukkig wereldwijd de conjunctuur weer omhoog en verdween het pessimisme. De Nederlandse economie herstelde, de werkloosheid liep terug en het begrotingstekort was weer onder controle. De ingrijpende hervormingen van Lubbers hadden haar vruchten afgeworpen.
[bewerken] Paars kabinet
De jaren 90, politiek gezien de Paarse jaren, waren jaren van grote welvaart, waarin Nederland meeprofiteerde van de wereldwijde economische groei. Ondanks deze groei is Nederland binnen Europa niet bij de top-3 kunnen blijven en is afgezakt tot onder de top-10 qua economisch best presterende landen binnen Europa (bron: CNN). Doordat Nederland wel profiteerde van de wereldwijde economische groei, maar veel minder dan de ons omringende landen. Dit is pas verbeterd tijdens de na-paarse kabinetten, waardoor Nederland weer ruim in deze top-3 is beland.
Men vond, tijdens de nadagen van de paarse politiek, de z.g. polder-politiek te ver gaan. Dit was één van de aanleidingen dat de LPV van Pim Fortuyn in die tijd zo populair werd.
Het einde van paars was de Srebrenica affaire. Deze speelde al erg lang en men zocht een zwarte piet hiervoor. Toen er een rapport werd uitgebracht waarin ook kritisch naar de politiek werd gekeken, vond het kabinet dit een reden om nieuwe verkiezingen uit te schrijven, zodat hierover geen verantwoording meer hoefde te worden afgelegd. In de voorbereiding van deze verkiezingen, waarin de LPF zeer populair werd, werd de heer Pim Fortuyn koelbloedig vermoord. De regeringspartijen hebben tijdens deze verkiezingen een aanzienlijke tik te verduren gehad waardoor het einde van paars werd ingeluid en er een kabinet ontstond met CDA, VVD en LPF.
In de jaren 80 en 90 deed Nederland als overtuigd lid van de NAVO actief mee aan verschillende militaire vredesoperaties onder de vlag van de Verenigde Naties. Dat leidde eind jaren 90 tot de val van Srebrenica, die de gemoederen nog jaren bleef bezig houden.
[bewerken] Eenentwintigste eeuw
Op 1 april 2001 werd, dankzij het wetsvoorstel van D66, het burgerlijk huwelijk opengesteld voor homoseksuelen. Dit wordt ten onrechte het 'homohuwelijk' genoemd, want feitelijk bestaat er in Nederland niet een apart homohuwelijk maar is er één burgerlijk huwelijk dat open staat voor hetero- en homoseksuele stellen. Nederland is het eerste land ter wereld waar ook homoseksuelen kunnen trouwen; later volgden ook België, Canada, Spanje en Zuid-Afrika het Nederlandse voorbeeld.
Halverwege 2001 was het duidelijk dat de "vette jaren" tijdelijk voorbij waren, en begonnen de eerste tekenen van een laagconjunctuur zich te vertonen. De tegenstellingen allochtonen-autochtonen begonnen zich af te tekenen. Dit werd versterkt door de angst na de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. De opkomst van Leefbaar Nederland en de LPF toonden aan dat de dagen van Paars geteld waren.
[bewerken] Moord op Pim Fortuyn
Op 6 mei 2002 werd Nederland opgeschrikt door de moord op de populaire rechts-populistische politicus Pim Fortuyn. Zijn partij, de LPF, behaalde bij de verkiezingen negen dagen later 26 Kamerzetels. Ook het CDA wist een reuzenzege te halen en kwam na 8 jaar terug in het machtscentrum. Het daaropvolgende CDA-LPF-VVD kabinet viel al na drie maanden. De economische problemen die eind 2002-begin 2003 steeds nijpender werden konden hierdoor niet worden opgelost, terwijl de beslissing over steun of deelname aan de inval in Irak (maart-april 2003) door een demissionaire regering moest worden genomen. Het minderheidskabinet CDA-VVD ontstaat als D66 uit het kabinet stapt. In 2006 leek het erop dat de economie weer voorzichtig aan het herstellen was.
[bewerken] Etnische spanningen
De moord op Pim Fortuyn en op 2 november 2004 de moord op Theo van Gogh droegen bij aan een verharding van de relatie tussen allochtonen en autochtonen. Dit kwam tot uitdrukking in brandstichtingen in moskeeën en kerken, en in het onderduiken van politici als Geert Wilders en Ayaan Hirsi Ali. Daarnaast werd dit proces versterkt door andere incidenten, zoals het doodschieten van de conrector Hans van Wieren en ander zinloos geweld.
Initiatieven om hier verbetering in aan te brengen, waren onder andere Eén land, één samenleving en de essays van Justus Uitermark en Jan Willem Duyvendak en Paul Scheffer Over insluiting en vermijding.[3]
[bewerken] Huidige staat
Tegenwoordig is Nederland een moderne, industriële natie en een groot exporteur van agrarische producten. Het behoorde tot de oorspronkelijke leden van de NAVO en de Europese Gemeenschap, en vormde vaak een stuwende kracht onder de verdere vereniging van Europese landen in de Europese Unie, bijvoorbeeld bij de invoering van de euro in 1999. Maar in 2005 verwierp de Nederlandse bevolking, net als die van Frankrijk, in een raadplegend referendum het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa met een meerderheid van 61,6 procent.
[bewerken] Vooruitzichten
De economische zwaartepunten veranderden snel na de Tweede Wereldoorlog. Nadat eerst landbouw als grootste werkgever terrein had verloren, werd vervolgens ook het belang van de industrie als werkverschaffer minder onder andere omdat veel bedrijven nu (2006) hun productieafdelingen naar de goedkopere nieuwe democratieën in het zich snel ontwikkelende Oost-Europa en het zich nog sneller moderniserende Azië overplaatsen.
De regering hoopt dat Nederland in de toekomst een rol kan spelen als kenniseconomie in het zich snel ontwikkelende informatietijdperk. Hiervoor zal mogelijk nog veel moeten veranderen in het onderwijs en de opleidingen van de beroepsbevolking. Deze zal, volgens veel onderzoekers, gestimuleerd moeten worden in de richting van de technologie, IT en aanverwante onderzoeksterreinen. Tevens is de verwachting dat min of meer eenvoudige productiewerkzaamheden steeds meer naar Oost-Europese, Aziatische en Zuid-Amerikaanse landen zullen worden verplaatst, landen met lagere lonen. Daardoor ontstaat in de nabije toekomst het probleem dat in Nederland lager geschoolde mensen steeds moeilijker een goed betaalde baan zullen vinden.
Ook de toenemende vergrijzing zal er voor zorgen dat er minder kinderen komen en meer AOW-ers, waardoor de beroepsbevolking afneemt. Dit zijn de grootste belastingbetalers die het geld opbrengen, waarmee onder andere het onderwijs van de jeugd en de AOW van het toenemende aantal AOW-ers betaald moet worden. Doordat de medische techniek oudere mensen steeds beter gezond en actief kan houden wordt er al gepraat over de verhoging van de AOW-leeftijd, waardoor het aantal AOW-ers zou afnemen.
[bewerken] Referenties
- ↑ P. Vos en P. Kiden, De landschapsvorming tijdens de steentijd, in: J. Deeben et al. (red) (2005), De steentijd in Nederland, Archeologie 11/12, blz. 7, Krips, Meppel, ISBN 90-807149-2-5
- ↑ Giebels, L. (2000): De Indonesische injectie, De Groene Amsterdammer
- ↑ Over insluiting en vermijding, Twee essays over segregatie en integratie, Justus Uitermark en Jan Willem Duyvendak, Paul Scheffer, Essays in opdracht van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, Werkdocument 6, Den Haag, december 2004
[bewerken] Externe links
- De Nederlandse geschiedenis
- De canon van Nederland
- 20 eeuwen Nederlandse geschiedenis
- Het geheugen van Nederland
- De bronstijd en ijzertijd in West-Europa
- Instituut voor Nederlandse Geschiedenis
- Geschiedenis in het Rijksmuseum
- RijksCanon van het Rijksmuseum
| Geschiedenis van Europa |
|---|
|
Geschiedenis van: Albanië · Andorra · Azerbeidzjan · België · Bosnië en Herzegovina · Bulgarije · Denemarken · Duitsland · Estland · Finland · Frankrijk · Georgië · Griekenland · Hongarije · Ierland · Italië · Kosovo · Kroatië · Letland · Liechtenstein · Litouwen · Luxemburg · Macedonië · Malta · Moldavië · Monaco · Montenegro · Nederland · Noorwegen · Oekraïne · Oostenrijk · Polen · Portugal · Roemenië · Rusland · San Marino · Servië · Slovenië · Slowakije · Spanje · Tsjechië · Turkije · Vaticaanstad · Verenigd Koninkrijk · Wit-Rusland · IJsland · Zweden · Zwitserland |
| Meer informatie over Nederland | |
|---|---|
|
Geografie · Bevolking · Politiek en overheid · Economie · Communicatie · Vervoer · Defensie · Geschiedenis |
|

