Staatsschuld

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De staatsschuld of overheidsschuld omvat de schulden van de centrale overheid, de deelstaatoverheid, de lagere overheid en de wettelijke sociale verzekeringsinstellingen. Technisch gezien is de tweede naam correcter dan de eerste, daar de staatsschuld officieel een naam is voor enkel de schuld van het Rijk.[1]

Inhoud

[bewerken] Definitie

Volgens het Verdrag van Maastricht is de staatsschuld de nominale waarde van alle aan het einde van een periode (jaar, trimester) uitstaande brutoverplichtingen van de overheid, met uitzondering van de verplichtingen waarvan de corresponderende financiële activa door de overheid worden aangehouden. Deze verplichtingen hebben betrekking op chartaal geld en deposito's, effecten met uitzondering van aandelen (exclusief financiële derivaten) en leningen, overeenkomstig de definities van ESR 95.

[bewerken] Ontstaan

Een staat kan een staatsschuld oplopen door geld te lenen bij particulieren, bedrijven, organisaties en andere staten. Dit gebeurt bij bedrijven, particulieren en organisaties meestal door de uitgifte van staatsobligaties. In Nederland leende de staat tot 1995 vooral bij pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen. Vanaf 1995 leent de Nederlandse overheid vrijwel altijd via obligaties.

Wanneer een overheid meer uitgeeft dan er aan geld binnenkomt, wordt dit het begrotingstekort genoemd. Bij de uitgaven zijn dan ook al de aflossingen van de staatsleningen meegerekend. Maar doordat de afbetaalde leningen over het algemeen vrij gemakkelijk opnieuw kunnen worden afgesloten, en dus de staatsschuld niet oploopt (doordat er evenveel wordt afgelost als bijgeleend), is er nog een term geïntroduceerd. Dit is het financieringstekort. Dit tekort geeft aan in hoeverre de staatsschuld groeit of daalt.

Obligaties lopen over het algemeen 10 jaar, maar zowel in het verre als recente verleden zijn ook obligaties met veel langere looptijden succesvol geplaatst. Leningen met een looptijd van 100 jaar kwamen rond het begin van de twintigste eeuw voor, en recent zijn, vooral door de toegenomen vraag naar langer lopende waardepapieren, verschillende Europese overheden overgegaan tot het uitgeven van obligaties met een looptijd van 30 jaar.

[bewerken] Situatie naar land

[bewerken] Staatsschuld in België

In België bedroeg de federale staatsschuld eind september 2008 ruim 295,36 miljard euro (waarvan 294,74 miljard euro van de federale overheid), of ongeveer 90,9 procent van het bruto binnenlands product van 2007. Het Agentschap van de Schuld [2] is verantwoordelijk voor het schuldbeheer. België voldoet daarmee nog steeds niet aan de Maastrichtnorm die stelt dat de staatsschuld niet meer dan 60% van het BNP mag bedragen.

De schuld van de federale Staat omvat de schuld uitgegeven of overgenomen door de federale overheid, alsook de schuld van andere instellingen (onder meer het ALeSH) waarvoor de Staat tussenkomt in de financiële lasten, met uitzondering van de schuld van de deelstaten (gemeenschappen en gewesten), van de lokale overheden en van de sociale zekerheid. Niet inbegrepen is de door de Staat gewaarborgde schuld waarvan de lasten niet effectief door de federale Staat gedragen worden.

De schulden van de gewesten en de gemeenschappen bedroegen in de tweede helft van 2008 9,983 miljard euro.

Belgische staatsschuld als percentage van het BBP

[bewerken] Staatsschuld in Nederland

Het Agentschap van het Ministerie van Financiën[3], gevestigd in het Ministerie van Financiën te Den Haag, beheert de staatsleningen op de kapitaalmarkt. De staatsschuld bedroeg in 2008 346 miljard euro, dat is 58,2% van het bruto binnenlands product.[4] In 2007 werd 9,3 miljard aan rente betaald, de staatsschuld was in 2007 219 miljard euro. Dit was 39,4% van het bbp. In 2006 was dit nog 41,6%. Nederland voldoet daarmee al jaren aan de Maastrichtnorm, die voorschrijft dat de staatsschuld ten hoogste 60% van het bruto nationaal product bedraagt.

In 2008 steeg de staatsschuld sterk (met 85 miljard euro) door diverse financiële steunmaatregelen naar aanleiding van de kredietcrisis [5]

[bewerken] Verloop staatsschuld in Nederland

Geïndiceerde stijging van de staatsschuld t.o.v. 1963.[6]
Verloop staatsschuld in Nederland[7]
Jaar x mln Euro
1900 642
1905 684
1910 720
1915 988
1920 1757
1925 2264
1930 2273
1935 2765
1940 3690
1945 10 855
1950 13 606
1955 12 219
1960 14 796
1965 21 437
1970 34 429
1975 50 555
1980 86 491
1985 159 632
1990 187 345
1991 197 306
1992 207 659
1993 216 607
1994 218 266
1995 232 233
1996 236 953
1997 233 327
1998 238 189
1999 236 090
2000 224 765
2001 227 132
2002 235 090
2003 248 009
2004 257 604
2005 266 060
2006 255 880
2007 258 774
2008 346 168

[bewerken] Begroting staatsschuld in Nederland

Staatsobligaties worden gekocht door mensen of organisaties die geld 'over' hebben. Over het geleende wordt een rentevergoeding betaald, die bij staatsobligaties meestal coupon genoemd wordt.

In Nederland leent de overheid ook direct bij de pensioenfondsen. Door geld van de pensioenfondsen te lenen komt de rente die de overheid over de staatsschuld moet betalen ten goede aan het pensioenfonds. Hierdoor wordt de hoeveelheid geld die uit de algemene middelen 'weglekt' naar de private investeerders beperkt. Echter, door het lenen van 'eigen' geld is dat geleende bedrag niet beschikbaar om uit te lenen aan andere landen of beter renderende investeringen. Hoewel lenen van de pensioenfondsen dus aantrekkelijk kan lijken, is het geen wondermiddel.

Er is vaak een strijd over waar een eventueel begrotingsoverschot naartoe moet. Een mogelijke oplossing is een specifieke belasting in te voeren, die vervolgens uitsluitend gebruikt wordt om de staatsschuld af te lossen. Hiermee voorkomt men discussies over waar het 'overschot' naartoe moet. Of dit een echte oplossing is kan betwist worden, omdat de discussie over een staatsschuldbelasting feitelijk overeenkomt met de discussie over aanwending van overschotten.

[bewerken] Staatsschuld in ontwikkelingslanden

Veel ontwikkelingslanden hebben moeite met het afbetalen van hun schulden, en het betalen van de rente over de staatsschuld. Doordat de landen dit niet kunnen betalen van hun eigen productie, moeten ze nóg meer geld lenen. Deze leningen moeten zij ooit weer afbetalen, zij moeten er rente op betalen, en hier moeten zij ook weer meer geld voor lenen. Hierdoor ontstaat een rentesneeuwbal, een vicieuze cirkel, een neergaande spiraal. Dit effect heet het sneeuwbaleffect.

Rijkere landen proberen soms deze cirkel voor armere landen te verbreken door schulden kwijt te schelden. Hierdoor hoeft door een ontwikkelingsland minder te worden afgelost, waardoor minder rente hoeft te worden betaald, en dus ook minder hoeft te worden geleend om de rente te betalen.

Verschillenden hebben echter beweerd dat het probleem beter kan worden opgelost door de (door de eerste wereld opgelegde) handelsbeperkingen te verminderen, zodat de ontwikkelingslanden meer kunnen exporteren. Hierdoor kunnen ze meer geld verdienen, hoeft er minder te worden bijgeleend, en neemt de staatsschuld ook af. Het verschil met de andere methode is dat het land daardoor ook economische groei doormaakt, en dus de economische situatie in de ontwikkelingslanden structureel verbeterd wordt.

[bewerken] Staatsschuld in beschouwing tot bbp

De staatsschuld raakt niet 'ontspoord' als het overheidstekort constant is in verhouding tot het bbp. De schuldquote convergeert naar de verhouding tussen de tekortquote en de nominale groeivoet. Bij een permanent overheidstekort van één procent van het bbp en een bbp-groei van vijf procent tendeert de schuldquote dus naar twintig procent en bij begrotingsevenwicht naar nul. Rekenkundig is de ratio van 'Maastricht' en de EMU-normen: mits het tekort maximaal 3% en de nominale bbp-groei minimaal 5% bedraagt, is de schuld 'houdbaar' op maximaal 3/5 ofwel 60%.

[bewerken] Uitgestelde belastingen

Men kan schuld zien als het uitstellen van belastingbetaling naar een latere datum, want uiteindelijk kan de staat het grootste deel van zijn uitgaven enkel dekken door het heffen van belastingen.

Het grootste verschil tussen de Keynesiaanse en de klassieke economische theorie bevindt zich dan ook in dit punt als we gaan kijken naar schuldcreatie.

  • Keynesianen vinden dat men altijd nieuwe schuld moet kunnen maken om de economie ten tijde van een recessie te stimuleren, om dan in tijden van economische opgang de schuld weer af te lossen met het overschot dat dan ontstaat.
  • Klassieken vinden dat tegenover schuld een investering moet staan. Zij wijzen erop dat door een hogere staatsschuld de belastingen in de toekomst zullen stijgen, waar investeerders dan weer rekening mee houden en minder zullen gaan investeren, ook omdat de rente stijgt doordat de overheid meer moet gaan lenen.

[bewerken] Oorzaak staatsschuld

Boekhoudkundig gezien ontstaat de staatsschuld door jarenlange cumulatie van minder inkomsten (voornamelijk belastingen) dan uitgaven. Op basis daarvan bestaat er een neiging om de staatsschuld terug te dringen door of de inkomsten (belastingen) te verhogen of de uitgaven te verminderen. Macro-economisch is er een andere onderliggende oorzaak aan te wijzen. Voor een gesloten economie is makkelijk aan te tonen dat al het door de overheid uitgegeven geld na verloop van tijd naar de overheid terugvloeit. Voor zo een systeem ontstaat een kleine staatsschuld doordat het enige tijd duurt voor het geld naar de overheid is teruggekeerd. Voor Nederland zijn schattingen gemaakt dat die terugkeertijd ongeveer drie maanden is en dan zou de staatsschuld permanent 25% van de jaarlijkse overheidsuitgaven bedragen. In een open economie met besparingen is de situatie anders. In een open economie kan er geld naar het buitenland wegvloeien, waardoor de staatsschuld toeneemt en er kan geld vanuit het buitenland toevloeien waardoor de staatsschuld afneemt. In Nederland vloeien er al decennialang grote hoeveelheden geld naar Nederland toe, zodat er eigenlijk geen staatsschuld maar een groot staatsbezit zou moeten zijn. Echter door besparingen kan er geen belastinginning op plaatsvinden, doordat er geen transacties zijn. De belangrijkste besparingen in Nederland zijn de reserveringen voor pensioenen; die zijn in Nederland naar verhouding factoren hoger dan in enig ander land in de wereld. Men kan de besparingen voor de pensioenen als enige oorzaak voor de staatsschuld aanwijzen. Die pensioensreserveringen vormen een stille reserve voor de overheid. Mochten ooit de pensioenfondsen (geleidelijk) geliquideerd worden, dan verdwijnt de staatsschuld automatisch en ontstaat er zelfs een geweldig overheidsbezit.

Intuïtief bestaat er een neiging om de staatsschuld terug te dringen door een positief overheidssaldo te creëren door de belastingen te verhogen of de uitgaven te verminderen. Maar omdat het geld toch al naar de overheid terug zou vloeien is dat slechts in beperkte mate effectief doordat het alleen een indirect effect heeft via minder besparingsmogelijkheden of minder wegvloeien naar het buitenland (verdere vergroting van het betalingssaldo met het buitenland).

[bewerken] Voornaamste posten van uitgave

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe links

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Persoonlijke instellingen