Economische groei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Wereldwijde groei[1]
(jaarlijkse gemiddelde)
Jaar Bevolking Bbp Bbp per
capita
Export
0 - 1000 0,02% 0,01% 0,00%
1000 - 1500 0,10% 0,15% 0,05%
1500 - 1820 0,27% 0,32% 0,05%
1820 - 1870 0,40% 0,93% 0,53%
1870 - 1913
(liberale tijdperk)
0,80% 2,11% 1,30% 3,40%
1913 - 1950 0,93% 1,85% 0,91% 0,90%
1950 - 1973
(gouden tijdperk)
1,92% 4,91% 2,93% 7,88%
1973 - 1998
(neoliberale tijdperk)
1,66% 3,01% 1,33% 5,07%
World GDP growth 0-2000.png
Economische groei was vrijwel te verwaarlozen tot de Vroegmoderne
Tijd
en werd voornamelijk door bevolkingsgroei veroorzaakt. Met
deze extensieve groei was er dus nog geen sprake van welvaarts-
groei. Tot intensieve groei kwam het pas met de industriële revolutie.
In de productiemogelijkhedencurve (PMC) is te zien hoe uitstel van productie van consumptiegoederen kan leiden tot economische groei. De blauwe lijn is de originele curve waarbij de maximale productie bestaat uit 10 eenheden kapitaalgoederen, 10 eenheden consumptiegoederen of een minder aantal van beide. Door meer van het een te produceren kan er minder van het ander geproduceerd worden, ook wel opportuniteitskosten genoemd. Door consumptie uit te stellen - door dus van A naar B te gaan - kunnen kapitaalgoederen geproduceerd worden die in de volgende periode consumptiegoederen kunnen produceren. De PMC beweegt daardoor naar de rode lijn waarbij het maximale aantal te produceren consumentengoederen toe is genomen.

Economische groei is een toename van economische activiteit vergeleken met een eerder meetpunt. De meest gebruikte indicator is de procentuele toename van het bruto nationaal product (BNP) of bruto binnenlands product (BBP) per hoofd van de bevolking over een bepaalde periode (maand, kwartaal of jaar). Dit hoeft niet te betekenen dat de koopkracht van de bevolking toeneemt, omdat de bevolking kan toenemen of afnemen. De econoom Jones maakt daarbij onderscheid tussen intensieve en extensieve groei. Extensieve groei is slechts het gevolg van bevolkingsgroei, terwijl bij intensieve groei de welvaart per hoofd van de bevolking toeneemt. Intensieve groei wordt mogelijk gemaakt door kapitaalaccumulatie en innovatie die de productiviteit toe doet nemen.

Economische groei wordt meestal gemeten over een heel land. Dit is wel gecorrigeerd voor inflatie, zodat er sprake is van reële groei. Als het niet gecorrigeerd is voor inflatie, is er sprake van nominale groei.

Tegengesteld aan economische groei is economische krimp doorgaans aangeduid als een negatieve groei. De economische activiteit vertoont in dat geval een afname vergeleken met een eerder meetpunt.

De schommelingen van de economische groei noemt men de conjunctuur waarin periodes van sterkere groei (hoogconjunctuur) afwisselen met periodes van tragere (laagconjunctuur) of zelfs negatieve groei (crisis). Een voorbeeld hiervan dat vooral de westerse wereld betreft is de kredietcrisis van 2007.

Als de economische groei gemeten wordt als het jaarlijks veranderingspercentage van het BBP heeft het ook alle voor en nadelen van die economische indicator.

Tot het begin van de jaren zeventig had men alleen oog voor de voordelen van de economische groei. Alle landen streefden ernaar de groeivoet van hun economie op te drijven. In de laatste decennia is men echter tot de vaststelling gekomen dat aan de economische groei ook heel wat nadelen gekoppeld zijn.

Voordelen en nadelen[bewerken]

Als voordeel van economische groei kan gezien worden:

  1. toename van het aantal beschikbare producten;
  2. technologische innovatie;
  3. hogere levensstandaard door een algemene stijging van de reële inkomens, met als gevolg dat er meer vraag is naar goederen en diensten en de productie ervan op grotere schaal en dus efficiënter kan gebeuren;
  4. hogere tewerkstellingsgraad door diversificatie;
  5. verhoogd vertrouwen van bedrijven en consumenten, wat kan leiden tot een toename van investeringen.

Mogelijke nadelen zijn:

  1. toename van de milieubezoedeling: een sterke groei van de productie en consumptie kan negatieve externaliteiten veroorzaken zoals luchtpollutie en geluidsoverlast;
  2. uitputting van natuurlijke hulpbronnen, waaronder niet hernieuwbare grondstoffen;
  3. groei stimuleert de creatie van artificiële behoeften: de industrie zet de consument er toe aan nieuwe smaken te ontwikkelen, met als gevolg dat “behoeften worden gecreëerd en consumenten zijn de dienaren in plaats van de meesters van de economie geworden”;
  4. onevenredige verdeling van inkomen en welvaart: niet alle voordelen van de groei zijn gelijk verdeeld tussen inkomensgroepen en regio’s.

Literatuur[bewerken]

  • Maddison, A. (2006): The World Economy, Volumes 1-2, OECD Publishing.

Noten[bewerken]

  1. Maddison (2006)