Omzetbelasting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Belgische BTW-kwitantie

Omzetbelasting of btw (belasting over de toegevoegde waarde) is een indirecte belasting die een overheid heft op de verkoop van producten of diensten. De belasting wordt geheven op de verwachte marktwaarde die aan een product wordt gegeven in elke stap van het productie- of distributieproces. Uiteindelijk wordt de btw betaald door de consument en door niet-btw-plichtige organisaties.

Omzetbelasting wordt toegepast in 136 landen, waaronder de meeste Europese landen. In Nederland bestaat de btw vanwege de Europese wetgever sinds 1 januari 1969 (Wet op de omzetbelasting 1968), in België sinds 1 januari 1971. Daarvoor kende men omzetbelasting in een cumulatief cascadestelsel.

Voor de btw maakt het niet uit in welke rechtsvorm het bedrijf of beroep wordt uitgeoefend.[1][2]

Geschiedenis[bewerken]

Klassiek Athene, Griekenland het land van de handel en de scheepvaart, lijkt de uitvinder van de omzetbelasting te zijn. Het helleense Egypte nam deze belastingvorm over. Keizer Augustus in het Romeinse Rijk herintroduceerde het om zijn veteranen te kunnen betalen. De hele Middeleeuwen door ontbrak het niet in de grote Europese staten, vooral niet in Spanje.

De Castiliaanse alcabala uit de veertiende eeuw waaraan volgens Adam Smith Spanje haar economische welvaart ontleende, varieerde van 2% tot 14%, terwijl primaire goederen een vrijstelling kenden. Hier was dus al sprake van een gedifferentieerd tariefstelsel. Het trok als succesvol idee over de Pyreneeën naar Frankrijk, terwijl de Italiaanse vorsten en steden niet achterbleven en deze belasting kopieerden. In de Nederlanden was de introductie van de Tiende Penning echter juist een van de aanleidingen voor de Opstand.

In de nieuwere tijd leek het verdwenen, maar in Engeland verscheen het als een bundel accijnzen, om een oplossing te zijn voor de geldnood die er tijdens de napoleontische oorlogen was. De VS redden zichzelf door omzetbelasting in te voeren tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. Omzetbelasting leek dan ook een crisisbelasting te zijn, wat te herkennen is in de negentiende eeuw in Europa. De Eerste Wereldoorlog zorgde voor een wedergeboorte van de omzetbelasting. Eerst Duitsland in 1916, in het midden van de Eerste Wereldoorlog, om de stijgende oorlogsuitgaven te dekken, Frankrijk in 1920 en België in 1921, om de desastreuze gevolgen van de oorlog op te vangen. Engeland kwam in 1940 met een uitgebreid systeem van accijnzen, dat men in zijn totaliteit als een omzetbelasting kan beschouwen, vanwege het probleem: How to pay the war?

Nederland voerde de omzetbelasting pas in 1934 in, niet in verband met de oorlog, maar midden in de crisistijd. Het was hier de bedoeling om met de opbrengst de gevolgen van de crisis tegen te gaan. Er werd toen door de regering gesteld dat dit een tijdelijke belasting zou zijn. Het succes was echter zo groot dat de plaats in het belastingstelsel steeds belangrijker is geworden.

De Europese Gemeenschap zocht naar een eenvormig belastingstelsel voor alle lidstaten en nam het idee van de Fransman Maurice Lauré Directeur adjoint du Direction Générale des Impôts over om tot een Taxe sur la valeur ajouté = TVA over te gaan. Het is nu niet meer weg te denken uit het Europese systeem. In Nederland was het minister van Financiën Johan Witteveen die een team onder leiding van de fiscalist Koos Reugebrink aan het werk zette om de Wet op de omzetbelasting 1968 op te stellen. Die wet werd op 1 januari 1969 van kracht.

Werking[bewerken]

De producenten en leveranciers verhogen de prijs van een product of dienst met het bedrag van de btw. Achteraf moeten zij dit btw-bedrag aan de staat voldoen. Het lijkt alsof de ondernemer de omzetbelasting betaalt, maar in werkelijkheid wordt de btw doorberekend aan de consument (ook wel eindverbruiker genoemd). Een omzetbelasting werkt proportioneel als er maar één tarief is, doordat iedereen dan hetzelfde percentage over al zijn aankopen betaalt.

Hoog en laag tarief[bewerken]

De EU-lidstaten kunnen één of twee verlaagde tarieven toepassen. Deze tarieven worden vastgesteld op een percentage van de maatstaf van heffing dat niet lager mag zijn dan 6%. Ze zijn uitsluitend van toepassing op de categorieën goederen en diensten genoemd in bijlage H bij de Zesde richtlijn „Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde btw-tarieven mogen worden toegepast”.[3]

Op de meeste producten wordt het hoge tarief geheven (in Nederland en ook in België 21%). Voor de meeste diensten geldt ook het hoge tarief. Voor levensmiddelen en boeken geldt een laag tarief van 6% btw. Dit leidt soms tot op het eerste gezicht merkwaardige situaties: konijnenvoer is onderhevig aan het lage tarief voor de voedselketen, terwijl caviavoer valt onder het hoge tarief (omdat cavia's -in Nederland- niet gegeten worden). Over alle agrarische producten wordt een laag btw-tarief geheven. Dit geldt ook voor bloemen en sierplanten.

Categorie 7 van de genoemde bijlage luidt als volgt:

  • Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen.
  • Ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen.

Voor veel van deze categorieën geldt in Nederland inderdaad het lage tarief, voor toegang tot toneel, opera, musicals, ballet, concerten, cabaret en lezingen was invoering van het hoge tarief per 1 januari 2011 onderdeel van het veel meer omvattende Belastingplan 2011. Dit laatste is door de Eerste Kamer aangenomen, maar slechts na de toezegging van de staatssecretaris dat hij een beleidsbesluit zou nemen om de verhoging voor podiumkunsten pas op 1 juli 2011 te laten ingaan,[4] in afwijking van de ingangsdatum van 1 januari 2011 die in het Belastingplan staat. De staatssecretaris stelde eerst dat hij gezien de opstelling van de Tweede Kamer daar niet de politieke ruimte voor had, maar is toch overstag gegaan. Voor kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en ingevoerde antiquiteiten werd ook het hoge tarief ingevoerd, en hiervoor gold wel een ingangsdatum van 1 januari 2011. In het kader van het Stabiliteitsprogramma Nederland 2012 van april 2012 is met terugwerkende kracht tot 1 juli 2012 het lage tarief weer ingevoerd.

Voor bioscopen, actieve en passieve sport, circussen, kermissen, pretparken, dierenparken, musea, zwembaden, horeca, openbaar vervoer, taxi en besloten busvervoer is het lage tarief blijven gelden.

Vrijgestelde prestaties en nultarief[bewerken]

Voor sommige producten en diensten geldt een (soms gedeeltelijke) vrijstelling. Zo zijn in Nederland onder meer vrijgesteld medicijnen op doktersrecept door een apotheek, het geven van onderwijs, het verlenen van medische hulp, de meeste diensten die een bank verleent, en (behoudens uitzonderingen) de verhuur van onroerende zaken.

Tot slot bestaat nog een nultarief. Het nultarief en de vrijstelling zijn niet hetzelfde. Bij prestaties die belastbaar zijn tegen het nultarief heeft de ondernemer recht op aftrek van de in rekening gebrachte voorbelasting. Een vrijgestelde ondernemer mag deze aftrek niet doen. Het nultarief komt dus neer op vrijstelling met recht op vooraftrek.

Aftrek van voorbelasting[bewerken]

De belastingplichtige ondernemer kan de betaalde btw terugkrijgen van de fiscus. Meestal gebeurt dit door de ingehouden btw te verrekenen met btw die de ondernemer aan de fiscus moet afdragen. Als de terug te ontvangen btw groter uitvalt dan de af te dragen btw, keert de fiscus het verschil uit. Dit komt onder andere voor bij exporteurs, die binnen het land inkopen en daarbij btw betalen. Over de verkoop geldt bij export vaak een 0%-tarief (o.a. in Nederland en België) en dus krijgt de exporteur de betaalde btw terug van de fiscus.

Als een onderneming zowel belaste als vrijgestelde prestaties levert, wordt de voorbelasting naar rato van de omzet verrekend. Wanneer een ondernemer bijvoorbeeld per jaar € 100.000 ontvangt voor gegeven onderwijs (vrijgesteld) en € 200.000 voor bedrijfsadviezen (belast), kan hij de betaalde voorbelasting voor 2/3 deel verrekenen, omdat hij ook over 2/3 deel van zijn totale omzet btw heeft afgedragen.

Belastingplichtige[bewerken]

Definitie: Art. 4. §1 W.BTW: Belastingplichtige is eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit, geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit Wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

De definitie omvat 4 essentiële elementen:

1. Eenieder:

  • Natuurlijk persoon
  • Rechtspersoon: private rechtspersonen, publieke rechtspersonen
  • Verenigingen: o.a. feitelijke verenigingen, tijdelijke verenigingen.

2. Economische activiteit: Hierbij worden alle activiteiten van de producent, handelaar of dienstverrichter beoogd (behalve vrijgestelde handelingen van art.44 W.BTW).

3. Geregeld uitgeoefende werkzaamheid: Om belastingplichtige te zijn, moeten de in het wetboek vermelde handelingen door hem regelmatig worden verricht. Slechts door opeenvolging worden handelingen een werkzaamheid. Het geregeld voorkomen van de handelingen onder vorm van een werkzaamheid is niet duidelijk afgebakend. Het uitmaken of een handeling een onderdeel is van een geregelde werkzaamheid of een toevallig karakter heeft, is een feitenkwestie.

4. Zelfstandig: De uitoefening van de werkzaamheid moet op zelfstandige basis gebeuren en niet in dienstverband. Er mag geen band van ondergeschiktheid zijn tegenover een ander persoon.

Aangifte doen[bewerken]

Een ondernemer moet meestal elk kwartaal zelf aangifte doen en het btw bedrag voldoen. Als daarbij een fout wordt gemaakt, kan een suppletieaangifte worden ingediend. Sommige ondernemers doen aangifte per maand of per jaar. Kleinere bedrijven laten soms hun administratie en dus ook hun btw-aangifte doen door een administratie- of accountantskantoor.

Nederland[bewerken]

Het doen van aangifte kan digitaal. Dit loopt via een beveiligd gedeelte (met HTTPS). Hiervoor moet een gebruikersnaam worden aangevraagd. Het kan maximaal acht werkdagen duren voor men een gebruikersnaam krijgt. Eerst wordt via de post een gebruikersnaam gestuurd en enkele dagen later een wachtwoord. DigiD werkt hier (nog) niet.

Gegevens moeten worden ingevuld over:

  • Prestaties binnenland

(Levering diensten met hoog tarief, met laag tarief, met overige tarieven, privégebruik en 0-tarief

  • Verleggingsregelingen binnenland (Betaalde BTW)
  • Prestaties naar / in het buitenland (Naar landen buiten de EU, naar landen binnen de EU, installatie / afstandsverkopen). Hiervoor moet een extra opgave Opgaaf intracommunautaire prestaties gedaan worden
  • Prestaties vanuit het buitenland (vanuit landen buiten de EU, vanuit landen binnen de EU)
  • Voorbelasting en kleine ondernemers (Voorbelasting, vermindering volgens de kleineondernemersregeling, schatting vorige aangiften, schatting deze aangifte).

Eventueel te betalen belasting dient binnen de gestelde termijn overgemaakt te worden.

Historische btw-tarieven Nederland[bewerken]

Ingangsdatum Percentage
01-01-1969 4% / 12%
01-01-1971 4% / 14%
01-01-1973 4% / 16%
01-10-1976 4% / 18%
01-01-1984 5% / 19%
01-10-1986 6% / 20%
01-01-1989 6% / 18,5%
01-10-1992 6% / 17,5%
01-01-2001 6% / 19%
01-10-2012 6% / 21%

Btw-plichtigen en opbrengsten[bewerken]

In België zijn er bijna 700.000 btw-plichtigen. De tarieven zijn 0%, 6%, 12% en 21%. De opbrengst van de btw wordt geïnd door de Federale Overheidsdienst Financiën en vervolgens verdeeld over de Europese Unie, de federale staat, de gemeenschappen en de sociale zekerheid. Dit gebeurt volgens een vastgelegde verdeelsleutel, de zogenaamde affectatie.

In Nederland: volgens het CBS voor 2007: "Sinds 1997 brengt de btw meer op dan de loonbelasting. Hiermee is de btw de belangrijkste belasting voor het rijk." En: "De btw is in 2007 goed voor bijna 32 procent van de totale belastinginkomsten van het rijk. De opbrengst van deze indirecte belasting is daarmee groter dan de loonbelasting (29 procent), de vennootschapsbelasting (14 procent) en de accijnzen (8 procent). Tot 1997 vormde de loonbelasting de belangrijkste bron van belastinginkomsten van de overheid."[5]

Compensatie van btw voor lagere overheden[bewerken]

Gemeenten en provincies betalen omzetbelasting over extern ingekochte diensten of goederen. In tegenstelling tot bedrijven kunnen zij die btw niet terugvorderen van de Belastingdienst. Om te voorkomen dat extern ingekochte diensten daarmee duurder zouden worden dan intern uitgevoerde activiteiten, is in 2003 het btw-compensatiefonds ingesteld, waar gemeenten en provincies de betaalde btw kunnen terugvragen.

Soorten omzetbelasting[bewerken]

Retail/sales tax[bewerken]

Bij deze vorm van omzetbelasting wordt alleen belasting geheven op aankopen door een klant - tenzij de klant een bedrijf is. Deze vorm is gevoelig voor fraude en wordt daarom in Europa niet meer toegepast. Fraude is mogelijk doordat de klant kan proberen om goederen namens een bedrijf te kopen. De nadelen:

  1. Het is niet duidelijk welke ondernemers als detailhandelaar aangemerkt moeten worden;
  2. Het is niet duidelijk welke klanten eindgebruikers zijn.

Omzetbelasting met cascadestelsel[bewerken]

Bij deze vorm wordt er bij iedere transactie in het productieproces belasting geheven. Bij dit stelsel drukt er vaak een hoog percentage (cumulerende) belasting. Een cascadestelsel heeft twee nadelen:

  1. Doordat in de prijs van de goederen een belastingcomponent verwerkt zit, treedt er belastingcumulatie op: er wordt belasting geheven over de belasting. Er treedt meer cumulatie op naarmate het productieproces langer is en/of als het tarief hoger is. Dit is ook het geval bij drinkwater- en energielevering; hierin zit drinkwater- resp. energiebelasting waarover nog eens btw wordt geheven.
  2. In lange bedrijfskolommen wordt de belastingdruk heel zwaar. Dit leidt tot verticalisering in de productieprocessen: bijvoorbeeld een schrijnwerker neemt een houthakker en een houtzager in dienst en verkoopt de kast ook nog eens zelf. De prijs zal dan dalen en daarmee ook de belastinginkomsten voor de overheid. Dit is een grote verstoring van de economie.

Belasting toegevoegde waarde, btw[bewerken]

Bij btw moet de ondernemer die een goed levert of een dienst verricht omzetbelasting in rekening brengen aan de afnemer. Vervolgens moet de ondernemer deze omzetbelasting afdragen aan de fiscus. De afnemer kan de betaalde btw als voorbelasting terugkrijgen van de fiscus als hij kan aantonen dat hij een belastingplichtig ondernemer is en dat hij het geleverde goed/dienst gebruikt binnen zijn onderneming.

Andere btw-systemen[bewerken]

Additieve methode
Elke ondernemer betaalt belasting over de door hem toegevoegde componenten bij de productie van een goed of een dienst. Dit is een onnauwkeurige en gecompliceerde methode.
Aftrek van vooromzet
Er wordt een aftrek gegeven volgens deze formule: btw-tarief x (de omzet van uitgaande prestaties - de kostprijs van inkomende prestaties).
btw met butoir
Verrekening van betaalde en verschuldigde btw (net als bij aftrek van voorbelasting); als de betaalde btw hoger is, dan kan de ondernemer dit verschil doorschuiven naar een volgende periode. Hij krijgt het verschil echter niet terug.

Nadelen van het toegevoegde-waardestelsel[bewerken]

  1. Gecompliceerde administratie voor de ondernemers.
  2. Bij vrijstellingen is belastingcumulatie toch mogelijk.
  3. Fraudegevoeligheid : bij intra-communautaire leveringen dreigt het gevaar van zgn. 'BTW-carrousel', dit zijn fraudemechanismen waarbij fictieve leveringen gefactureerd worden om onrechtmatige BTW-teruggave te bekomen.

Cascadestelsel versus het btw-stelsel: een casus[bewerken]

Een bepaalde bedrijfskolom verloopt als volgt:

  1. Een houthakker kapt een boom (kosten en winstopslag 80) en verkoopt die aan een houtzager;
  2. de houtzager zaagt de boom in planken (kosten en winstopslag 100) en verkoopt die aan een schrijnwerker;
  3. de schrijnwerker maakt van de planken een kast (kosten en winstopslag 120) en verkoopt die aan de winkelier;
  4. de winkelier verkoopt de kast (kosten en winstopslag 125) aan een klant.

Cascadestelsel[bewerken]

Gegeven is een belastingpercentage van 10%. De belastingberekening verloopt als volgt:

Verkoop door Goed Inkoopprijs (Arbeids)kosten + winst Verkoopprijs (excl. btw) Belasting Verkoopprijs
houthakker boomstam 0,00 80,00 80,00 8,00 88,00
houtzager planken 88,00 100,00 188,00 18,80 206,80
schrijnwerker kast 206,80 120,00 326,80 32,68 359,48
winkelier kast 359,48 125,00 484,48 48,45 532,93
Totaal 107,93

De klant betaalt uiteindelijk 532,93 voor een kast met een kostprijs exclusief belasting van 425 (532,93 minus 107,93) zodat effectief een percentage wordt geheven van ruim 25.39%. Er geldt, hoe langer de bedrijfskolom hoe groter het effectieve belastingpercentage. Dit is dus een nadeel.

Btw-waardestelsel[bewerken]

Zelfde gegevens maar nu een belastingpercentage van 20%. De belastingberekening verloopt als volgt:

Verkoop door Goed Inkoopprijs (excl. btw) (Arbeids)kosten + winst Verkoopprijs (excl. btw) Belasting Aftrek voorbelasting Verkoopprijs (incl. btw)
houthakker boomstam 0,00 80,00 80,00 16,00 0,00 96,00
houtzager planken 80,00 100,00 180,00 36,00 16,00 216,00
schrijnwerker kast 180,00 120,00 300,00 60,00 36,00 360,00
winkelier kast 300,00 125,00 425,00 85,00 60,00 510,00
Totaal 197,00 112,00

Wat direct opvalt is dat ondanks een belasting van 10 procentpunten meer dan bij het cascadestelsel, er toch een lagere verkoopprijs ontstaat. De totale belasting bedraagt 197 en de vooraftrek van voorbelasting bedraagt totaal 112. Het verschil is de belastingopbrengst en deze bedraagt derhalve 85. Ter controle: 20% van de kostprijs (verkoopprijs exclusief btw) ad 425 bedraagt inderdaad 85.

Dezelfde berekening op het Belgische en Nederlandse belastingtarief van 21%:

Verkoop door Goed Inkoopprijs (excl. btw) (Arbeids)kosten + winst Verkoopprijs (excl. btw) Belasting Aftrek voorbelasting Verkoopprijs (incl. btw)
houthakker boomstam 0,00 80,00 80,00 16,80 0,00 96,80
houtzager planken 80,00 100,00 180,00 37,80 16,80 217,80
schrijnwerker kast 180,00 120,00 300,00 63,00 37,80 363,00
winkelier kast 300,00 125,00 425,00 89,25 63,00 514,25
Totaal 206,85 117,60

Europese regelgeving[bewerken]

De Lid-Staten van de EU dienen in hun nationale wetgevingen rekening te houden met de ter zake gegeven richtlijnen. De introductie van het btw-stelsel per 1 januari 1969 is gebaseerd op de Eerste en Tweede btw-richtlijn en is later verder geharmoniseerd. Met name de Zesde btw-richtlijn, die per 1 januari 2007 is vervangen door de btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG) die in Nederland met ingang van 1 januari 1979 heeft geleid tot belangrijke aanpassingen van de Wet, neemt een belangrijke positie in. De bepalingen van de btw-richtlijn dienen door de Lid-Staten in de nationale wetgevingen te worden vertaald waarbij op elementen afwijkingen aanvaardbaar zijn, mits het resultaat gelijk is. Het minimumpercentage bedraagt 15%.

In situaties waarbij de nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de Europese regelgeving, kunnen belastingplichtigen met een rechtstreeks beroep op de richtlijn een voor hen (gunstiger) behandeling afdwingen bij de rechter. De nationale Belastingdiensten kunnen dat niet.

Dit uitgangspunt leidt dan ook tot vele procedures, denk daarbij maar aan de bouwkavelproblematiek. De positie van de richtlijnen ten opzichte van de nationale wetgeving speelt dan ook een belangrijke rol bij de beoordeling van fiscaal-technische aangelegenheden. Indien een bepaling uit de richtlijn onduidelijkheden bevat of mogelijk belangrijke verschillen ten opzichte van de nationale wetgeving veronderstelt, kan de nationale rechter worden verzocht om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen te Luxemburg.

De uitspraken van dit Hof, op basis waarvan inzicht wordt verkregen in de richtlijnen, zijn vervolgens bepalend voor de rechtspraak in de Lid-Staten. Het belang van deze uitleg is de laatste tientallen jaren de aanleiding geweest om de heffing van btw primair vanuit deze richtlijnen te benaderen. Op 21 februari 2006 heeft het Hof in het Halifax-arrest een belangrijke uitspraak gedaan over de reikwijdte van het begrip "misbruik van recht" in de omzetbelasting.

Btw-gebied van de Europese Unie[bewerken]

Met het btw-gebied wordt het territorium bedoeld waarop de btw-richtlijn 2006/112/EG van toepassing is. In principe valt het Europese grondgebied van een EU-lidstaat onder de richtlijn. Onder andere Duitsland, Finland, Italië en Spanje kennen gebieden waarop de btw-richtlijn niet van toepassing is verklaard. Deze worden in deze tabel opgesomd. Akrotiri en Dhekelia, Man en Monaco die niet tot de EU behoren, worden in de richtlijn beschouwd als grondgebied van respectievelijk Cyprus, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, waardoor de richtlijn daar wel van toepassing is.

Btw-tarieven in EU en daarbuiten[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Lijst van landen naar omzetbelastingtarief voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Boekhoudkundige termen voor de btw[bewerken]

Af te dragen omzetbelasting[bewerken]

Het verschil tussen de te betalen en de te vorderen omzetbelasting.

Btw oninbare debiteuren[bewerken]

Als een afnemer een rekening niet betaalt, bijvoorbeeld wegens faillissement, dan is de btw terug te vragen die over die omzet is afgedragen. Bij de Belastingdienst moet aannemelijk gemaakt worden dat het bedrag echt oninbaar is. Vaak lukt dat als een kopie van een brief van de curator van de failliete klant wordt meegestuurd. De Belastingdienst betaalt die btw apart terug; deze btw mag niet zomaar afgetrokken worden van de aangifte. Als de failliete klant bijvoorbeeld 10% van het factuurbedrag heeft betaald, de rest niet, dan is 90% oninbaar. De Belastingdienst betaalt dan 90% van de btw op factuur terug.

Omzetbelasting privégebruik[bewerken]

Rekening die in de boekhouding gebruikt wordt op bepaalde kosten, een deel moet corrigeren omdat die voor een deel privé zijn. Deze vorm van omzetbelasting betaalt de zaak later, al dan niet geheel, aan de Belastingdienst. Het is gebruikelijk dat dit bedrag ineens op de laatste btw-aangifte van het jaar wordt afgedragen.

Voorbeelden hiervan zijn:

  • Auto van de zaak: ieder jaar moet over een bepaald deel van de cataloguswaarde (ongeveer de nieuwprijs inclusief btw) van de auto's van de eigen zaak en eventueel het personeel, een speciaal tarief btw afdragen. Dit tarief is in Nederland sinds 1 juli 2011 2,7% van de catalogusprijs. Daarvoor was het 12% over de bijtelling volgens de inkomstenbelasting.
  • Goederen: wanneer bijvoorbeeld privé boodschappen gehaald worden in een supermarkt zonder te betalen, dan moet bijgehouden worden wat daarvan de inkoopprijs is geweest. Die inkoopprijs moet van de bedrijfskosten worden afgetrokken en daarover moet ook btw worden betaald.
  • Telefoon- en internetkosten, gas, water en elektra, accountantskosten. Als voor privé en de zaak samen één telefoonnummer bestaat en één internetaansluiting, of als de eigenaar boven de zaak woont en de zaak alle energiekosten inclusief die van de bovenwoning betaalt, moet vanwege dat privégebruik een deel van die kosten gecorrigeerd worden. Daarover moet ook weer btw worden betaald.

Te betalen omzetbelasting[bewerken]

Een rekening die in de boekhouding gebruikt wordt voor de omzetbelasting die aan klanten (debiteuren) in rekening is gebracht, of bij een winkel of café, van klanten contant is ontvangen. Deze omzetbelasting wordt later afgedragen aan de Belastingdienst, al dan niet geheel.

Als er, bijvoorbeeld door een caféhouder, omzet is gemaakt die zowel onder het hoge tarief valt (zoals in Nederland omzet bier en sterkedrank) als onder het lage tarief valt (zoals omzet koffie, thee, limonade en hapjes), dan moeten die twee omzetgroepen en ook de btw daarover in de boekhouding op verschillende rekeningnummers geboekt worden.

In het rekeningstelsel is deze post vaak weergegeven met code 181.

Te vorderen omzetbelasting[bewerken]

Ook wel genaamd: 'Te verrekenen btw', of: 'btw voorbelasting', een rekening die in de boekhouding gebruikt wordt voor btw die aan leveranciers (crediteuren) betaald is. Deze omzetbelasting betaalt de Belastingdienst later terug, al dan niet geheel. In bepaalde gevallen mag (in Nederland) een deel van de voorbelasting niet worden afgetrokken, bijvoorbeeld als de kantinekosten en kosten voor personeelsfeestjes, kerstpakketten e.d. per personeelslid (inclusief de eigenaar zelf) boven een bepaald bedrag uitkomen. Dit is het zogenaamde BUA (Besluit Uitsluiting Aftrek).

In de boekhouding heeft deze rekening vaak het nummer 180.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • M.E. van Hilten, H.W.M. van Kesteren, A. Hofkamp, J. Reugebrink. Omzetbelasting. Fiscale Studieserie. FED BV, Deventer 2005
  • Prof. Dr. G. Schmolders. Die Umsatzsteuern. Amsterdam 1966. Ook: Die Umsatzsteuern. Handbuch der Finanzwissenschaft 2e deel, 2e druk Tübingen, 1956
  • Lorenz von Stein. Lehrbuch der Finanzwissenschaft 1886, 5e druk, 2e deel blz 227
  • Prof. Dr. Rolf Grabower, Herting und Schwartz. Die Umsatzsteuer, ihre Geschichte und gegenwartige Gestaltung im In- und Ausland. Köln, Heymans Verlag, 1962

Bronnen