Communistische Partij van Nederland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Communistische Partij van Nederland
Afbeelding gewenst
Functiehouders
Partijleider David Wijnkoop (1909-1925)
Louis de Visser (1925-1945)
Paul de Groot (1945-1967)
Marcus Bakker (1967-1982)
Ina Brouwer (1982-1991)
Geschiedenis
Opgericht 1909
Opheffing 1991
Opgegaan in GroenLinks
Algemene gegevens
Actief in Nederland
Richting Links
Ideologie Marxisme-leninisme (tot 1982)
Jongerenorganisatie Algemeen Nederlands Jeugd Verbond
Internationale organisatie Komintern, Cominform
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

De Communistische Partij van Nederland (CPN) was een communistische partij in Nederland die in 1909 werd opgericht als Sociaal-Democratische Partij (SDP) en in 1991 opging in GroenLinks. De partij vertegenwoordigde de hoofdstroom van het communisme (marxisme-leninisme en tot 1956 stalinisme) binnen het Nederlandse politieke bestel.

De CPN zag de onderdrukking van de arbeidersklasse als een gevolg van het kapitalisme. Ze streefde naar afschaffing van het koningschap ten gunste van een republiek, gelijke rechten voor vrouwen en mannen, zeer ingrijpende wetgeving op het gebied van arbeid en tal van andere sociale veranderingen.

Geschiedenis[bewerken]

De geschiedenis van de CPN begint in 1909 met een scheuring in de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Deze partij had twee stromingen, een reformistisch/revisionistische en een orthodox-marxistische. De marxisten, gegroepeerd rond het tijdschrift De Tribune, werden op het Deventer Congres in februari 1909 uit de SDAP gezet en gingen door als de Sociaal-Democratische Partij (SDP). Oprichters waren onder anderen David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn, Jan Ceton en Herman Gorter. De Tribune werd het partijorgaan. Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1918, de eerste verkiezingen na de invoering van het algemeen kiesrecht, slaagde de SDP erin om twee van de honderd zetels in het parlement te bemachtigen. In het parlement vormden de SDP'ers met de eenmansfracties van SP en BCS de Revolutionaire Kamerclub. In 1919 verkregen de communisten een derde zetel door de overstap van BCS-Kamerlid Willy Kruyt.

In november 1918 werd de naam veranderd in Communistische Partij Holland (CPH), in navolging van de Bolsjewieken die na de Russische Revolutie de benaming 'sociaaldemocratisch' inruilden voor de oudere term 'communistisch' om aansluiting te vinden bij de revolutionaire traditie van het midden van de 19e eeuw. De naamswijziging was een vereiste voor het lidmaatschap van de Komintern, dat de Nederlandse communisten in 1919 verkregen. Op het partijcongres in december 1935 werd de naam veranderd in Communistische Partij van Nederland (CPN).

Mede door de vele scheuringen en royementen (zie bijvoorbeeld RSP), behaalde de partij vóór de Tweede Wereldoorlog weinig successen. In 1929 deed de CPH met twee verschillende lijsten mee aan de verkiezingen, en haalde zo twee zetels. Onder druk van de Sovjet-Unie werd hierna de eenheid in de partij hersteld, de naam werd veranderd in Communistische Partij van Nederland. Tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen van 1933 behaalde de partij het grootste vooroorlogse succes, met vier van de honderd zetels in de Tweede Kamer. In 1937 ging één hiervan weer verloren.

Omdat gedurende de Tweede Wereldoorlog alle bestanden vernietigd zijn, zijn de vooroorlogse ledenaantallen niet bekend. Omdat echter de Duitse Gestapo de CPN in samenwerking met de Nederlandse inlichtingendiensten scherp in de gaten hield, weten we uit Duitse bron dat op 31 oktober 1937 het ledenaantal 10.852 bedroeg. Dit aantal is na het Molotov-Ribbentroppact van 23 augustus 1939 teruggelopen tot rond de 9000. Dit niet-aanvalsverdrag tussen Duitsland en de Sowjet Unie sloeg in als een bom en werd door de CPN als een meesterzet van Stalin beoordeeld. Het geloof in het communisme werd hierdoor voor menig partijlid zwaar op de proef gesteld.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de op de Duitse inval volgende capitulatie werd de partij door de bezetter verboden. De partij was echter al vóór de oorlog voorbereid op een eventuele vlucht in de illegaliteit. De activiteiten werden dan ook na korte tijd voortgezet. Al op de dag van de capitulatie, 15 mei 1940, werd in een vergadering van het partijbestuur in het partijgebouw Parlando aan het Frederiksplein in Amsterdam besloten een illegale organisatie op te bouwen. Daarmee was de CPN de eerste verzetsorganisatie van Nederland.

In het begin van de oorlog werd de partijtop gevormd door Paul de Groot, Lou Jansen en Jan Dieters. Ook voor de Amsterdamse districtsleider Jaap Brandenburg was een belangrijke rol weggelegd. Vooroorlogse bekende kaderleden namen in eerste instantie niet aan het illegale werk deel; dat werd te gevaarlijk geacht. Het nieuwe illegale kader ging bestaan uit ongeveer 2000 mensen, per district in cellen georganiseerd. In november 1940 werd het partijblad De Waarheid opgericht; A.J. Koejemans was de eerste hoofdredacteur. Het was niet het vroegste illegale blad; in Den Haag was al twee weken eerder een ander tijdschrift uitgebracht, De Vonk. Op de stencilapparaten van De Waarheid werd in 1941 de oproep voor de Februaristaking gedrukt.

Gerben Wagenaar in 1956

In het eerste jaar was het beleid van de illegale CPN minder fel gekant tegen de Duitse bezetter dan tegen het "imperialistische Westen" inclusief het Huis van Oranje. In de juni-uitgave van 1940 van het maandblad Politiek en Cultuur werd zelfs opgeroepen tegenover de Duitse bezetter een "correcte houding" aan te nemen. Nog ruim vóór de door de CPN georganiseerde Februaristaking in 1941 veranderde deze houding echter en versterkte zich nog na de Duitse aanval op Sovjet-Rusland in juni 1941. De verzetsactiviteiten richtten zich behalve op het verspreiden van krant en pamfletten vooral op sabotage. Met dat laatste werd oud-Spanjestrijder Janrik van Gilse belast. Met Gerben Wagenaar, Max Meijer (eveneens oud-Spanjestrijder), Jan Schouten en Gerrit Willem Kastein richtte hij de zogeheten Militaire Commissie of Militair Contact (MC) op, die landelijk aanslagen ging plegen op spoorwegen, fabrieken en dergelijke. Een aparte groep onder leiding van Daan Goulooze bedreef spionage ten behoeve van de Sovjet-Unie.

De illegale CPN werd fel vervolgd. De Duitsers en de politie konden de actieve CPN-leden betrekkelijk makkelijk opsporen doordat de Nederlandse regionale inlichtingendiensten meteen na de Nederlandse capitulatie hun vooroorlogse infiltranten in de partij ook voor de Sicherheitsdienst inzetten. Zo heeft de infiltrant Van Soolingen, actief sinds 1923 en tot maart 1945, in Den Haag honderden mensen laten arresteren, waarvan er minstens 130 om het leven zijn gekomen. Het gevolg van de vervolging was dat halverwege 1942 de helft van het illegale kader was gearresteerd en uitgeschakeld. In april 1943 werden bovendien van de partijtop Jansen en Dieters gearresteerd, ze werden voor hun verzetsactiviteiten ter dood veroordeeld en op 9 oktober 1943 op de Waalsdorpervlakte gefusilleerd. De Groot trok zich terug uit het illegale werk. Op voorspraak van Goulooze nam nu Jan Postma, districtleider van Amsterdam, de leiding op zich. De nieuwe top sloeg een gematigder, meer op integratie met de socialistische beweging gerichte koers in. De Militaire Commissie werd opgeheven; Wagenaar werd vertegenwoordiger van de CPN in de nieuwe Raad van Verzet, waarin de overgebleven sabotagegroepen opgingen. Jan Postma werd overigens op zijn beurt gearresteerd in november 1943. De Waarheid bleef tot het eind van de oorlog verschijnen. Naar schatting zijn ruim 2000 communistische verzetsmensen tijdens de oorlog om het leven gekomen. Vele tientallen van hen werden op diverse plaatsen in Nederland gefusilleerd. Vele anderen verdwenen in de Duitse kampen en werden soms kort voor de bevrijding nog vermoord, een lot dat ook Hannie Schaft overkwam.

Na de bevrijding[bewerken]

Marcus Bakker in 1972
Lijsttrekker Ina Brouwer tijdens een verkiezingstoespraak in 1982

Onmiddellijk na de bevrijding rees de vraag of de CPN in zijn oude vorm moest terugkeren of moest opgaan in een bredere progressieve massabeweging; deze laatste optie werd aanvankelijk ook door Paul de Groot omarmd. Tijdens de zgn. "juli-conferentie" van de naoorlogse CPN op 21, 22 en 23 juli 1945 stond deze vraag dan ook centraal. Bij die gelegenheid veranderde De Groot echter plotseling van standpunt en beschuldigde hij de als "juli-oppositie" aangeduide groep (bestaande uit o.a. Daan Goulooze, Wim van Exter, Theun de Vries), die dit idee bepleitte, ervan de partij te willen opheffen. De Groot kwam als overwinnaar uit deze strijd te voorschijn en stelde daarmee gelijktijdig zijn door menigeen ter discussie gestelde leiderspositie binnen de partij veilig.

De activiteiten van de CPN tijdens de oorlog zorgden voor een hoogtepunt in de populariteit van de partij. Bij de gemeenteraadsverkiezingen begin 1946 behaalde de partij landelijk 16% van de stemmen. In de gemeente Amsterdam werd de CPN zelfs de grootste partij met 32% van de stemmen en 15 zetels. De eerste naoorlogse Tweede Kamerverkiezingen in datzelfde jaar leverden de partij 10,6% van de stemmen op, goed voor tien zetels. De Waarheid was enige tijd het meest gelezen dagblad van Nederland, mede door het verschijningsverbod dat de Telegraaf tot 1949 trof. Van 1947 tot 1981 was het hoofdkantoor gevestigd in het gebouw Felix Meritis te Amsterdam, waar aan de achterkant op de Prinsengracht de eigen drukpers gevestigd was. Deze pers was met obligatieleningen gefinancierd via een actie onder leden en aanhangers van de CPN.

Onder invloed van de Koude Oorlog verloor de partij in de jaren 50 veel aanhang, tot een dieptepunt van 2,4% van de stemmen in 1959. De partij was erg impopulair tijdens de Hongaarse Opstand in 1956. Als gevolg van de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije werden de in het gebouw Felix Meritis gevestigde redactieburelen van het partijdagblad De Waarheid door een stenengooiende menigte bestormd, omdat de krant de inval steunde.

De Binnenlandse Veiligheidsdienst probeerde tegelijk de interne verdeeldheid binnen de CPN te vergroten. Vooral op instigatie van Paul de Groot werden een aantal gezaghebbende partijprominenten met een verzetsverleden geroyeerd, zoals Gerben Wagenaar, Henk Gortzak, Rie Lips, Bertus Brandsen en Frits Reuter. De twee belangrijkste achterliggende oorzaken van de gerezen verdeeldheid binnen de CPN waren fundamentele verschillen van inzicht over de aansturing van de Eenheidsvakcentrale EVC en onenigheid over de ingezette destalinisatie in de Sovjet-Unie naar aanleiding van de rede van Nikita Chroesjtsjov tijdens het 20e partijcongres van de CPSU in 1956.

Een aantal geroyeerde en uitgetreden prominente partijleden vormden de Brug-groep. Zij deden, zonder succes, als aparte partij mee aan de Tweede Kamerverkiezingen van 1959. De BVD beweerde achter de oprichting van de Brug-groep te hebben gezeten.[bron?]

In de jaren `60 en `70 nam de aanhang weer geleidelijk toe, vooral onder invloed van acties in de strokartonindustrie onder leiding van Fré Meis, steunbetuiging van de partij aan diverse studentenprotesten en van het succesvolle optreden van het 2e Kamerlid en lijsttrekker Marcus Bakker. Zo haalde de partij bij de verkiezingen van 1972 zeven zetels. In 1977 volgde echter een dramatische terugval, van zeven naar twee zetels. Deze nederlaag luidde de ondergang in van het erelid van het partijbestuur Paul de Groot, die de partijleiding heftige verwijten voor deze terugval had gemaakt. Weliswaar werden in 1981 (met Bakker als lijsttrekker) en bij de vervroegde verkiezingen van 1982 (lijsttrekker Ina Brouwer) weer drie zetels behaald, maar de partij heeft zich nooit meer echt hersteld van de terugslag van 1977. In datzelfde jaar werd het oude zeer van de zuiveringen in de jaren vijftig weer onder ogen gezien; het rapport De CPN in de oorlog (1958), op grond waarvan een aantal veteranen van het verzet werden geroyeerd, werd officieel herroepen.

Het verzet tegen de bezuinigingen in de jaren tachtig was krachtig. Bovendien moderniseerde de partij zich door naast de bevrijding van de arbeidersklasse ook thema's zoals feminisme en homo-emancipatie hoog op de agenda te zetten. Een deel van de oude arbeidersgarde was ontstemd dat de CPN wegbewoog van haar marxistisch-leninistische beginselen en zich omvormde tot een reformistische actiegroep voor enkel maatschappelijke thema's binnen het kapitalistische systeem. In 1982 richtte een groep het "Horizontaal Overleg van Communisten (HOC)" op, een pressiegroep binnen de CPN om de partij weer op het rechte marxistische pad te krijgen. Een dergelijk initiatief zou overigens niet mogelijk zijn geweest volgens de beginselen van het binnen de communistische beweging traditionele democratisch centralisme zoals dat door Lenin was geformuleerd. Iets meer dan een jaar later werd het "Verbond van Communisten in Nederland" opgericht, dat buiten de CPN opereerde en in 1986 aan de verkiezingen meedeed als VCN, Partij van Communisten in Nederland. De VCN behaalde geen enkele zetel en de CPN verdween uit de Tweede Kamer.

In 1989 ging de partij op in GroenLinks en in 1991 werd de CPN opgeheven. De deelname van de CPN aan GroenLinks was niet onomstreden. Partijleden hingen de rode vlag halfstok toen het besluit tot samengaan genomen werd.[1] De CPN'ers die het niet eens waren met het besluit op te gaan in GroenLinks liepen massaal weg. Velen werden lid van de Socialistische Partij, anderen gingen samen met verschillende andere groepen in het land, zoals de VCN, door als Nieuwe Communistische Partij-NCPN. Deze partij bestaat nog steeds.

Aanhang en bolwerken[bewerken]

Gedurende de jaren van haar bestaan was de partij lokaal soms zeer sterk. De belangrijkste bolwerken van de partij waren Oost-Groningen, de Zaanstreek en Amsterdam. Het sterkst stond de partij in de Oost-Groningse gemeente Finsterwolde, naast Beerta de enige gemeente waar de CPN enkele malen een absolute meerderheid behaalde. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1970 verwierf de partij in Finsterwolde een stemmenpercentage van 69,6%, een tot dan toe nog nooit bereikt en nadien ook nimmer meer overtroffen record. In buurgemeente en tweede grootste bolwerk Beerta leverde de CPN van 1982 tot 1989 haar eerste en enige burgemeester in de persoon van Hanneke Jagersma. Finsterwolde en Beerta vormen samen met derde grootste bolwerk Nieuweschans sinds 1990 de gemeente Reiderland, waar bijna alle CPN-kiezers buiten GroenLinks bleven en overgingen naar de NCPN.

Andere bolwerken waren Bellingwedde en Pekela (vooral Oude Pekela) in Oost-Groningen en Zaanstad (vooral Koog aan de Zaan, Krommenie en Wormerveer), Oostzaan, Ilpendam, Medemblik en Amsterdam in Noord-Holland. Niet zelden was een grote plaatselijke aanhang te danken aan het werk van plaatselijke afdelingen met toevallig sterke persoonlijkheden aan het hoofd.

De minste aanhang had de partij in de overwegend gereformeerde plattelandsgemeenten in de Alblasserwaard, Hoeksche Waard, Krimpenerwaard, Lopikerwaard en Vijfheerenlanden. Ammerstol, gelegen in de Krimpenerwaard, vormt hierop een uitzondering. De bijnaam van dit dorp was ook wel Moskou aan de Lek.

% v/d stemmen CPN, per gemeente tijdens Tweede Kamerverkiezingen in de CPN-bolwerken
Jaar Finsterwolde Beerta Reiderland/Nieuweschans
1946 56,02% 52,27% 39,88%
1948 53,64% 50,20% 38,14%
1952 54,69% 45,25% 39,66%
1956 51,47% 38,51% 45,76%
1959 52,77% 35,78% 20,63%
1963 53,56% 39,30% 25,31%
1967 58,86% 47,39% 36,11%
1971 63,76% 48,94% 36,48%
1972 57,00% 47,31% 32,92%
1977 51,71% 37,43% 30,13%
1981 48,18% 35,22% 22,68%
1982 48,24% 38,81% 23,87%
1986 22,32% 20,04% 8,23%
1989 - - -

Bron: verkiezingsuitslagen.nl[2]

Ledentallen[bewerken]

Ledenaantallen, 1909-1930
Ledenaantallen, 1946-1991
Ledenaantal
Jaar Aantal leden Jaar Aantal leden
1946 50.000 1970 ?
1947 53.000 1971 ?
1948 53.000 1972 ?
1949 34.000 1973 10.147
1950 27.392 1974 ?
1951 ? 1975 ?
1952 ? 1976 11.550
1953 17.000 1977 13.082
1954 ? 1978 15.298
1955 15.463 1979 14.979
1956 ? 1980 15.510
1957 12.858 1981 15.014
1958 12.317 1982 14.370
1959 11.262 1983 13.868
1960 ? 1984 11.594
1961 ? 1985 9.000
1962 ? 1986 8.500
1963 ? 1987 7.000
1964 ? 1988 6.500
1965 ? 1989 6.500
1966 ? 1990 5.700
1967 ? 1991 3.416

Bekende CPN-leden en voormalige leden[bewerken]


Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties