Antoni van Leeuwenhoek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Antoni van Leeuwenhoek
Antoni van Leeuwenhoek, Jan Verkolje
Antoni van Leeuwenhoek, Jan Verkolje
Persoonlijke gegevens
Geboortedatum 24 oktober 1632
Geboorteplaats Delft
Sterfdatum 26 augustus 1723
Sterfplaats Delft
Wetenschappelijk werk
Vakgebied Microscopie en biologie
Bekend van Microscoop
Spermatozoa
Sir William Davidson of Curriehill stelde Anthonie van Leeuwenhoek in 1648 als zijn assistent. Van Leeuwenhoek verliet na zes jaar dienst zijn Amsterdamse patroon.[1][2] (By Abraham van den Tempel, 1664)
De geograaf, Johannes Vermeer, 1669.
Leeuwenhoeks microscopen
Doorsnede fraxinus door van Leeuwenhoek
Grafsteen in de Oude Kerk te Delft

Antoni van Leeuwenhoek (of Anthonie, Antonie of Theunis) (Delft, 24 oktober 1632 – aldaar, 26 augustus 1723) was een Nederlandse handelsman, landmeter, wijnroeier, glasblazer en microbioloog. Van Leeuwenhoek is vooral bekend door zijn zelf gefabriceerde microscoop en zijn pionierswerk voor de celbiologie en de microbiologie. Vanaf 1674 deed hij vele ontdekkingen die bekend werden door zijn correspondentie met de Royal Society in Londen.

Leven[bewerken]

Van Leeuwenhoek werd geboren te Delft in 1632 als zoon van Philips Antonyszoon, mandenmaker en Margaretha Bel van den Berch die stamde uit een geslacht van bierbrouwers. Op 4 november 1632 werd hij gedoopt als 'Thonis Philipszoon', hij noemde zich van Leeuwenhoek omdat zijn ouderlijk huis in Delft op de hoek naast de Leeuwenpoort stond. Toen hij in 1637 vijf jaar oud was stierf zijn vader en kort daarna hertrouwde zijn moeder. Tien jaar later overleed zijn stiefvader. Hij ging in Warmond naar school en verbleef bij een oom in Benthuizen. Vervolgens werd hij in Amsterdam vijf tot zes jaar opgeleid tot kassier en boekhouder bij de Schotse lakenhandelaar William Davidson. Op jonge leeftijd ontwikkelde hij een brede belangstelling voor sterrenkunde, wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Van Leeuwenhoek trouwde met Barbara de Meij en ging met haar in 1653 of 1654 in Delft wonen waar hij een winkel begon in linnen, garen en band. Ze kregen vijf kinderen en in 1666 stierf Barbara. Het verkrijgen van de sinecure van Kamerbewaarder van Heeren Schepenen in 1660 verschafte hem een vast inkomen (een sinecure is een ambt met een salaris of privileges maar zonder wezenlijke verplichtingen).

In 1669 haalde hij het landmeterexamen. Na de dood van Johannes Vermeer in 1675 trad Van Leeuwenhoek op als executeur-testamentair van diens nalatenschap. Hij was vier dagen na Vermeer in dezelfde kerk gedoopt. Vaak wordt verondersteld dat de twee goed bevriend waren. Sommigen opperden zelfs dat de natuurvorser misschien model heeft gestaan voor Vermeers schilderijen De Geograaf en De Astronoom, en dat hij de kunstenaar zou hebben voorzien van lenzen voor diens camera obscura, maar dit is nooit aangetoond.

Van Leeuwenhoek hertrouwde in 1671 met Cornelia Swalmius, telg uit een predikantengeslacht. De stad Delft benoemde hem in 1679 tot wijnroeier waarvoor een zekere wiskundige kennis was vereist. In 1694 overleed ook Cornelia waarna hij alleen achter bleef met zijn dochter Maria - zijn andere kinderen waren reeds overleden.

Hij was rijk. Dit blijkt uit het vermogen dat zijn dochter 20 jaar na zijn dood naliet: 90 duizend gulden, maar het blijkt ook uit zijn aankoop in 1666 van een tuin buiten de stad en dat hij in 1681 beschikte over een paard. Op 26 augustus 1723 overleed Antoni van Leeuwenhoek in zijn geboortestad, bijna 91 jaar oud, volgens de verhalen dicteerde hij op zijn sterfbed een brief aan de Royal Society waarin hij het fladderen van zijn middenrif zo grondig beschreef dat de aandoening de ziekte van Van Leeuwenhoek wordt genoemd. Hij werd op 31 augustus 1723 in de Oude Kerk te Delft begraven.

Wetenschappelijk werk[bewerken]

Microscopen[bewerken]

De ontwikkeling van de vroegste microscoop is onduidelijk, maar aan het begin van de 17e eeuw kende de Republiek in Middelburg twee vermaarde lenzenmakers. Hans Lippershey (15701619) en Sacharias Jansen (ca. 1585 – ca. 1632) worden verbonden met de uitvinding van microscoop en telescoop. Hierdoor had de lakenhandelaar Van Leeuwenhoek de beschikking over lenzen en loepen voor de controle van stoffen. In 1648 kreeg hij voor het eerst een vergrootglas in handen: een loep voor de textielhandel met een vergrotende kracht van drie - een dradenteller. De Nederlander Jan Swammerdam (1637-1680) en de Engelsman Robert Hooke (1635-1703) gebruikten reeds een samengestelde microscoop met oculair en objectief, maar de vergrotende kracht van deze apparaten vielen in het niet bij de sterke lenzen die Van Leeuwenhoek zou maken. Zo vergrootte Hookes samengestelde microscoop slechts 30x terwijl het vergrotend vermogen van de enkelvoudige microscoop van Van Leeuwenhoek kon oplopen tot 480x (Het Universiteitsmuseum in Utrecht bezit nog een door Van Leeuwenhoek gefabriceerd exemplaar met een vergroting van 270x). Het microscopisch natuurwetenschappelijk onderzoek door Hooke leidde in september 1664 tot het baanbrekende boek Micrographia: or Some Physiological Descriptions of Miniature Bodies Made by Magnifying Glasses. Hierin beschrijft Robert Hooke minutieus onder meer een plantencel, een vliegenoog en een vlo.

Het is mogelijk indirect deze publicatie die Van Leeuwenhoek geïnspireerd heeft zijn lenzen op iets anders te richten dan lakens. Van Leeuwenhoek was een autodidact: zonder enige natuurwetenschappelijke opleiding en zonder kennis van vreemde talen leerde hij zichzelf in een achtervertrek van de winkel de kunst van het observeren en beschrijven. Maar hij was ook een verbazingwekkende vakman die zichzelf glas leerde blazen, slijpen en polijsten. In tegenstelling tot de samengestelde microscoop van Hooke klemde Van Leeuwenhoek vrijwel altijd één lens tussen twee metalen plaatjes, het te bestuderen onderwerp werd met schroeven vastgeklemd en in een positie geplaatst zodat het scherp kon worden waargenomen.

Geheime methode[bewerken]

Zijn wetenschappelijke status stond of viel met zijn exclusieve kennis van lenzenproductie en daarom hield hij zijn methode angstvallig geheim. Mogelijk maakte hij zijn lenzen uit het bolletje dat bij glasblazen aan het einde van de blaaspijp overblijft. Hij legde zijn waarnemingen en conclusies vast in brieven die hij aan bekenden schreef waardoor de Delftse arts en anatoom Reinier de Graaf hem in 1673 introduceerde bij de Royal Society te Londen. Vanaf 1674 werden zijn bevindingen gepubliceerd in de Philosophical Transactions, maar op den duur wekten zijn wonderlijke waarnemingen zoveel ongeloof dat een delegatie werd afgevaardigd om de microscopische wezentjes met eigen ogen te aanschouwen. In 1680 benoemde de Society hem als lid en kreeg hij erkenning voor zijn wetenschappelijke productie. Vele preparaten stuurde Van Leeuwenhoek naar Londen. In 1981 ontdekte de Britse microscopist Brian J. Ford dat Van Leeuwenhoeks oorspronkelijke preparaten in uitstekende staat en van hoge kwaliteit bewaard waren in de Royal Society’s verzamelingen. Tot aan zijn dood, in 1723, stuurde Van Leeuwenhoek brieven met zijn bevindingen naar de Royal Society.

Globulentheorie[bewerken]

Volgens de theorie van de spontane generatie ontstaat leven uit levenloos materiaal (bijvoorbeeld maden uit rottend vlees of vlooien uit vieze lakens). Door de natuurlijke eenheid die Van Leeuwenhoek waarnam, zoals de zaadcellen bij dieren en planten, verwierp hij deze theorie en concludeerde hij dat alle dode en levende stof bestond uit kleine bolvormige deeltjes: globulen, overeenkomstig de heersende leer van Descartes. Nadat hij spierweefsel had bestudeerd erkende hij echter dat vlees niet uit zulke globulen is opgebouwd, maar uit "striemtgens" die van insect tot zoogdier worden aangetroffen.

Ontdekkingen[bewerken]

Van Leeuwenhoek microscoop Museum Boerhaave
  • In 1674: de infusoria (afgietseldiertjes, mini-waterorganismen) en protisten (eencelligen met een celkern) gevonden tijdens waterbloei in het Berkelse Meer bij Rotterdam.
  • in 1674: rode bloedcellen waarvan hij ten onrechte dacht dat deze bolvormig en uit 6 x 6 kleinere globulen waren opgebouwd.
  • in 1675: ontleding van luizeneieren en ontdekking van embryonale luizen en hiermee wordt de theorie van de spontane generatie ondermijnd.
  • in 1676: bacteriën gevonden in een peperinfuus. De bijna onzichtbare kaasmijt, die leeft in oude, harde kaas werd destijds voor het kleinste diertje gehouden.
  • in 1677: spermatozoa. Via een professor uit Leiden kreeg hij de beschikking over het sperma van een man die aan gonorroe leed, maar de materie was binnen een paar uur dood.[3] Vervolgens deed hij onderzoek op gezond sperma. Hij zag een geweldige menigte diertjes.[4] De zaadcellen bewegen (met hun staart) en daarom waren zij volgens hem de levensdragers. De vrouwelijke voortplantingsorganen dienden slechts voor de voedselvoorziening voor de reeds aanwezige organismen in het sperma. Hij liet de tekst over de menselijke zaadcellen in het Latijn vertalen.
  • in 1682: streeppatroon op spiervezels.
  • in 1685: Robert Boyle vroeg hem de kleurstof cochenille te onderzoeken. Van Leeuwenhoek maakte geen tekeningen van wat hij zag en gaf daarmee Nicolaas Hartsoeker de gelegenheid hem de loef af te steken.[5]
  • in 1688: onderzoek naar bloed en bloedsomloop leidt tot de publicatie van Den waaragtigen omloop des bloeds, als mede dat de arteriën en venae gecontinueerde bloedvaten zijn, klaar voor de oogen gestelt.
  • in 1694: nauwkeurige beschrijving van het facetoog van een libel.
  • in 1694: anastomosen (netwerk) in het spierweefsel van een eendenhart. Dit netwerk werd pas in 1849 herontdekt.

Trivia[bewerken]

Verder lezen[bewerken]

  • Henk Smit, Peter Willemsen, Willem Reijnders, Joop van Doorn, Klaas Krab, Jantien Backer, Lesley Robertson en Claud Biemans, Van Leeuwenhoek - Groots in het kleine, VeenMedia, 2014
  • Hooykaas, R., Geschiedenis der natuurwetenschappen, Utrecht, 1976
  • Kooijmans, L., Gevaarlijke kennis. Inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam. 2007
  • Palm, L.C., Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723) in Kox, A.J. & M. Chamalaun [eds.]. Van Stevin tot Lorentz. Portretten van Nederlandse natuurwetenschappers. Amsterdam, Intermediair, 1980

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://lensonleeuwenhoek.net/biography.htm
  2. Giants of Delft: Johannes Vermeer and the natural philosophers : the ... Door Robert D. Huerta [1]
  3. Van Leeuwenhoek had zich vier jaar eerder al eens op het onderwerp geworpen, samen met Henry Oldenburg, maar door aversie had hij het onderzoek laten liggen.
  4. Stipriaan, R. van (2005) Ooggetuigen van de Gouden Eeuw, p. 223-224.
  5. Butler-Greenfield, A. (2005) "Het Volmaakte Rood", p. 162.