Lakenindustrie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kledij van de Zweedse koning Gustav II Adolf gemaakt van donker paarse laken en goud.

De lakenindustrie is de nijverheid die zich bezighoudt met het maken van lakenstoffen. Hierbij mag men niet denken aan lakens zoals we die nu gebruiken, maar aan stoffen gemaakt uit wol.

Algemeen[bewerken]

Laken is een wollen stof die eerst wordt geweven (in platbinding of keperbinding) en vervolgens wordt vervilt, waardoor hij warmer is dan geweven stoffen maar sterker dan vilt. Laken was al bekend bij de Kelten en werd na de verovering van Gallië ook populair bij de Romeinen. Vanaf de late middeleeuwen werd de stof populair onder grote delen van de bevolking, vooral omdat hij slijtvast en vuil- en waterafstotend was. Hierdoor ging laken kleding lang mee en had zij weinig onderhoud nodig.

Er waren veel soorten laken, in diverse kwaliteiten. Sommige soorten waren dik en stug (voor mantels), andere dun en soepel (voor jurken). Verder werd er onderscheid gemaakt tussen mat of glanzend laken, dichtgeweven of losgeweven laken, en meer of minder vervilte varianten. Vanwege het productieproces waren lakens meestal effen gekleurd. Productiecentra specialiseerden zich vaak in één of enkele kwaliteiten en kleuren om de herkenbaarheid te vergroten.

Alhoewel er grote verschillen waren in prijs en kwaliteit was laken - vanwege het nogal gecompliceerde productieproces - min of meer een luxeproduct. Dit had tot gevolg dat de lakennijverheid al spoedig een zaak van gespecialiseerde ambachtslieden werd, terwijl een groot deel van de plattelandsbevolking zich nog kleedde in huisgesponnen en huisgeweven stoffen.

De lakennijverheid had de neiging zich in bepaalde gebieden te concentreren, zoals Noord-Frankrijk, Vlaanderen en Holland. Tussen 1150 en 1400 vond de voornaamste productie plaats in diverse Vlaamse steden, maar na 1400 groeide de lakenindustrie van Leiden uit tot de belangrijkste in Europa. In Leiden werd de productie voor het eerst geïndustrialiseerd. Dat wil zeggen dat het gehele productieproces niet meer binnen één bedrijf plaatsvond maar volgens een strikte taakverdeling, waarbij in diverse stappen halffabricaten werden geproduceerd. Het gehele productieproces stond onder strenge controle. Hiermee werd een constante hoge kwaliteit van het laken bereikt, waardoor Leids laken zeer gewild was. In 1417 besloot de Hanze dat alleen gekeurd Leids laken mocht worden verkocht. Na 1500 nam de concurrentie uit andere delen van Europa, met name Engeland, toe en verloor Leiden haar leidende positie in de lakenproductie. In Italië werd Florence een belangrijk centrum van lakennijverheid.

Middeleeuwse spoelput voor de lakenindustrie te Zierikzee

Productiewijze[bewerken]

  • De ruwe wol werd ingekocht en aangevoerd. Aanvankelijk kwam de wol veelal uit Nederland en Vlaanderen, maar later werd het merendeel geïmporteerd uit Engeland en Schotland.
  • De wol werd, na een uitgebreid was- en kamproces, geverfd en tot draden gesponnen. De volgende verfstoffen werden hiertoe gebruikt: wouw voor gele verfstof, meekrap voor rode verfstof, wede en lakmoes voor blauwe verfstof. Ook maakte men gebruik van aluin om de verfstoffen aan de wol te laten hechten.
  • De lakenwever spande zijn draden op het weefgetouw en weefde het laken tot een voorgeschreven afmeting. De standaardmaat voor een onbewerkt Vlaams of Hollands laken was 5 el breed bij 50 el lang (3,5 bij 35 meter). Er ging ongeveer 40 kg wol in een laken. Hiervan werd ongeveer 40% voor de schering gebruikt en 60% voor de inslag.
  • De volder of voller bewerkte het weefsel om de vezels dichter ineen te werken en zo te vervilten (zie vilt). Het werkwoord 'vollen' betekent hetzelfde als 'vullen'.
  • Na het vollen door voetvolders of in de volmolen werd het laken op 'ramen' gespannen om weer opgerekt te worden. De 'ramen' waren rechtop in de grond staande palen met dwarslatten. Aan deze latten en palen zaten haken zodat het laken tot de juiste lengte en breedte kon worden opgerekt. Hierbij kreeg een bewerkt laken de standaardmaat 3,5 el breed bij 42 el lang (2,5 bij 29,3 meter).
  • Vervolgens werd het laken 'geruwd' (geborsteld) in één richting, waardoor de stof weer wat meer volume kreeg en soepeler werd. Door in één richting te borstelen gaf men de stof een duidelijke 'vleug': alle haren staan één kant uit. Bij het verwerken van een laken tot een kledingstuk moest de vleug naar de onderkant van een kledingstuk wijzen, zodat water in die richting van de stof af kon lopen. Duurdere lakensoorten werden aan beide kanten geruwd.
  • Daarna werden de duurdere lakens 'geschoren' (droogscheren): met grote scharen werden uitstekende pluisjes en haren verwijderd, zodat het geborstelde weefsel een effen oppervlak kreeg (zie ook scharlaken).
  • Vervolgens werd er geappreteerd, wat wil zeggen dat het laken op glans werd gebracht. Hiervoor werd sandelhoutolie gebruikt.
  • Tussen al deze stappen werden keuringen uitgevoerd die met loodzegels werden gemerkt.

Het ontbreken van een goede historiografie is voornamelijk te wijten aan het ontbreken van veel gegevens. Grote delen van de gildenarchieven zijn door de eeuwen heen verloren gegaan.

Geschiedenis[bewerken]

Graafschap Vlaanderen[bewerken]

In Vlaanderen en in andere kustgebieden van de Lage Landen hielden de bewoners van oudsher al schapen. De wol werd verwerkt tot kleren en dekens. In de derde eeuw schreven Romeinen al over de kwaliteit van de mantels uit Doornik en Atrecht. In de elfde eeuw beleefde de Vlaamse lakenindustrie haar opgang, met Atrecht als koploper. Technologische vooruitgang en de internationale handel waarvan het graafschap een van de centra was droegen hieraan bij. Aan het einde van de eeuw stonden steden verder noordwaarts in het graafschap voorop bij de ontwikkeling: (Rijsel, Dowaai en Sint-Omaars).

Lakenhal in Ieper, een van Europa's grootste burgerlijke gebouwen in gotische stijl (11 okt 2004)

Halverwege de dertiende eeuw waren Ieper, Wervik, Brugge en Gent de bekendste Vlaamse lakencentra. Elke stad probeerde in een of andere specialiteit of variëteit uit te blinken. De kruistochten zorgden ervoor dat het Vlaams laken bij heersers en de hoge adel van vele landen bekend raakte. De inventaris van een koning van het Koninkrijk Napels uit die tijd vermeldt lakens uit Aalst.

De beste wol kwam uit Engeland. Er ontstond een intense wolhandel tussen Engeland en Vlaanderen. Die afhankelijkheid van de Engelse wol brak de Vlamingen vaak zuur op in hun relatie met hun leenheer, de Franse koning, die het vaak aan de stok had met de Engelsen. Vlaanderen koos dan ook partij voor de Engelsen bij het uitbreken van de Honderdjarige Oorlog, om de wolinvoer veilig te stellen. Engelse koningen aarzelden niet om de uitvoer tijdelijk te boycotten om hun zin te krijgen. Zo hief Jan zonder Land een accijns op de uitgevoerde wol en Edward III kreeg te maken met ontevreden wolexporteurs toen hij de export verbood. Vanaf 1300 probeerde men dan ook alternatieve aanvoerroutes te realiseren. Die werden gevonden in Schotland, waar met name vanuit Veere op gevaren werd. Veel Vlaamse steden getuigen nog van de welvaart die de lakenindustrie bracht.

Gouda[bewerken]

Gouda bezat in de veertiende eeuw een belangrijke lakenindustrie en -handel. Er zijn vermeldingen aangetroffen van volders en 'ververs' in Goudse geschriften daterend uit 1331 en 1338, wat aangeeft dat er toen, maar waarschijnlijk al eerder, in Gouda laken werd geweven. De oudste keuren die bekend zijn dateren van 1391, wat aangeeft dat er toen sprake was van een belangrijke tak van nijverheid. In de loop van de vijftiende eeuw beleefde de Goudse lakenindustrie haar grootste bloei, al was zij nooit zo belangrijk als die van Leiden. In de zestiende eeuw brak er een moeilijke periode aan, toen de aanvoer van wol en de handel in laken bemoeilijkt werd door oorlog.

Na de val van Antwerpen in 1585 namen Vlaamse arbeiders hun intrek in Gouda. De Vlamingen mochten in Gouda hun werk verrichten volgens de keur van Brugge, wat in Leiden verboden was. Er werden hun daarvoor zelfs enige gebouwen van het Maria-Magdalena-klooster ter beschikking gesteld. Ook werden er werkplaatsen, compleet met ovens, ingericht. Daarmee verbeterde de toestand zich weer enigszins. De Vlamingen vervaardigden namelijk een lichtere kwaliteit en daarmee goedkopere stof. Deze beter concurrerende producten gingen vooral naar de landen in het zuiden van Europa. Omstreeks 1620 was de Goudse lakenindustrie tot de belangrijkste plaatselijke nijverheid uitgegroeid.

Het lakenzegel[bewerken]

In de Goudse "Keuren op de draperie" wordt doeltreffend verwoord welke functie de lakenzegels hadden. Bij hun aanstelling moesten de waardijns, degenen die de kwaliteit controleerden, zweren: 'alle laeckenen, die qualick gheverwet zijn, alle laeckenen, die te groff van hair zijn, ende alle onghelijcke laeckenen (...) onghesegelt te laeten.' Het loodzegel diende dus om de hoge kwaliteit te garanderen.

De beste kwaliteit was de puik. Het voorlaken was van mindere kwaliteit. Op het lood werd aangegeven in welke categorie het desbetreffende laken viel. De strenge controle zorgde ervoor dat de koper volkomen vertrouwde op de gegevens die het lood vermeldde zonder het laken zelf aan een 'test' te onderwerpen. Aan het eind van de zestiende eeuw was één lood niet meer voldoende om alle informatie te bevatten die van belang was, zoals lengte, kwaliteit, plaats van productie, het verfprocedé.

Als een laken het staallood aangehecht kreeg, was het af. Er mocht niet meer aan de stof gewerkt worden. Het staallood was weliswaar het laatste zegel aan het laken, het was zeker niet het eerste. Na iedere deelbewerking werd het laken gekeurd. 'Die wever of volre of verwer of droechscherer' deed na zijn werk een lood met zijn huismerk aan de stof om het door de waardijns te laten keuren. Na goedkeuring hechtten zij er een lood aan met het stadswapen en kon het laken naar de volgende bewerking, of terug naar degene die zijn werk niet goed had verricht. In dat geval werd het lood van een klop -een inslag- voorzien, waaruit de bewerker af kon leiden wat eraan schortte. Bijvoorbeeld de D duidde op een te dunne stof.

Het mag duidelijk zijn dat de keurmeesters geen loopje met zich lieten nemen. Je moest daarom ook niet met slechte kwaliteit aankomen. In het keurboek stonden in dat geval de straffen al vast. Als het 'laecken an den raem' geen lood 'creech by sculde van den verwer' ging hem dat 'poene' kosten. Kreeg hij zelfs geen klein lood -de grootte van het lood speelde dus een rol in de rangorde- dan moest de verver het laken overnemen voor de prijs van een laken met een 'vol' -lees: groot- lood. De deelbewerker was dus gewaarschuwd.

De waardijns maakten gebruik van verschillende loden. Verschillend qua grootte, qua klop en qua afbeelding. Ieder kenmerk van het laken kon op het zegel aangegeven worden. Illustratief is het volgende voorbeeld. Wilde men van 'grauwe wol' een voorlaken maken, dan moesten de keurmeesters 'die laeckenen teyckenen mit een sonderlinge loot' .

De deelbewerkers hebben tevens bijgedragen aan de verscheidenheid aan verschijningsvormen van de loden. Naar vorm zijn de pijp- en pinneloden te onderscheiden. De pijploden zijn langwerpige loden die om een aantal draden werden geklemd. Met name wevers maakten gebruik van dit type lood. Een pijplood van Goudse makelij is niet bekend. De meest voorkomende loden zijn de pinneloden. Deze bestaan uit twee ronde schijfjes, verbonden door een lip, die op elkaar werden geklemd. De pin van de ene schijf paste in het gat van de andere.