Geschiedenis van Weert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Weert.

Ontstaan[bewerken]

De naam 'Weert' geeft reeds aan hoe de plaats is ontstaan. 'Weert' is identiek met 'waard': een stuk land, gelegen bij of te midden van wateren en moerassen, m.a.w. een ingedijkt stuk land. Dat de plaats deze naam ontving is heel begrijpelijk wanneer men bedenkt dat destijds deze streek zowel in het noorden, oosten als in het zuiden omgeven was door uitgestrekte Peelplassen en moerassen, die vroeger een veel grotere oppervlakte bestreken dan tegenwoordig. Tussen deze onbewoonbare wildernissen lag een hoog en droog eiland en hierop is Weert ontstaan. Het hele gebied werd onderscheiden in twee gedeelten: het hoger gedeelte ‘Overweert’ (Thans Weert) en het lagere gedeelte Nederweert. In de omgeving van Weert hebben al sinds de prehistorie mensen gewoond. Dat blijkt uit vondsten uit de steentijd en de aanwezigheid van de resten van een groot urnenveld uit de late bronstijd op de Boshoverheide. Door middel van een verhard voetpad is dit urnenveld toegankelijk gemaakt. Tevens zijn er bewoningssporen uit de ijzertijd en de Romeinse tijd gevonden.

De plaats is ontstaan aan een knooppunt van wegen in het heide- en veengebied op de grens van Brabant en Limburg aan de rand van de Peel. Weert wordt voor het eerst als Wertha vermeld in een akte uit 1062. Dit is het oudste document waarin voor het eerst sprake is van Weert. De akte is gedateerd op 21 september 1062. De akte is echter een falsificatie van ongeveer een eeuw later. In de akte wordt vermeld dat markgraaf Otto van Thüringen en zijn echtgenote Adela, Weert afstonden aan het kapittel van Sint-Servaas in Maastricht.

Weert wordt stad onder de heren van Horne[bewerken]

Het was in die tijd gebruikelijk, dat geestelijken en stichtingen van geestelijke aard hun wereldlijke bezittingen niet zelf bestuurden. Zij stelden over hun aardse goederen een beheerder aan, die zij 'voogd' noemden. Voor de heerlijkheid Weert werden dat de heren van Horne, afstammend van een bekend riddergeslacht, residerend in een burcht nabij de Maas in Horn (Limburg). De heren van Horne, later de graven van Horne, wisten grote zeggenschap te verkrijgen over Weert en Nederweert. Graaf Jacob I bouwde er in 1455 het kasteel 'De Nijenborgh', dichtbij de stadsmuren.

Het kasteel werd in 1703 tijdens de Spaanse Successieoorlog voor een groot deel verwoest door de troepen van graaf Marlborough. Alleen de ruïne van de toegangspoort van de voorburcht en resten van enkele hoektorens getuigen nu nog van de aanwezigheid van dit kasteel.

Het oude versterkte huis van de heren in Weert, 'De Aldenborgh', was in 1461 afgestaan aan de minderbroeders, die een klooster en de paterskerk bouwden op de grondvesten ervan. Zij kregen van de graaf van Horne een verplichting mee: de patroonheilige moest gelijk zijn aan die van het huis van van Horne, namelijk Sint-Hieronymus.

In 1885 werd in de buurtschap Biest een schuttersgilde opgericht: Sint-Hieronymus. Ook nu nog is dit nauw verbonden met de paterskerk.

In het jaar 1414 werd Weert marktrechten verleend, waarmee Weert min of meer officieel de status van stad verkreeg.

In het jaar 1480 werd in Weert het Gilde van Wieerter Stadsschutte Sinte Catharina 1480 opgericht. Dit Gilde is het oudste onafgebroken bestaande Gilde van Weert. Het Gilde was in ruste voor vele jaren maar werd in 1987 "heropgericht" door Bert Adriaens in samenwerking met Frits Weerts en de toenmalige voorzitter Janssen van het in ruste zijnde Gilde. Het Gilde vierde in het jaar 2005 haar 525-jarig jubileum met een feest "Anno 1480" .

Middeleeuwse bloei en ontwikkeling van de stad in de daaropvolgende eeuwen[bewerken]

Dankzij de bescherming van de graaf van Horn kwam ook een zekere economische bloei over het stadje en de periode 1450—1550 kan met recht genoemd worden de eerste Gouden Eeuw van Weert.

Vooral de talrijke gilden hebben veel bijgedragen tot de welvaart. Het meest bekend was het gilde van het wolambacht of het lakengilde, de oudste Weerter industrie. Het wolambacht telde een groot aantal leden, zoals reizigers, verwerkers, spinners en spinsters, wevers. Het laken door dit gilde gefabriceerd genoot een grote bekendheid en werd uitgevoerd naar Engeland, Frankrijk en heel overig West-Europa.

Om aan de toenemende vraag naar het Weerter laken te kunnen voldoen werden er in Antwerpen en Bergen op Zoom opslagplaatsen, de zogenaamde lakenhallen opgericht, van waaruit het product verder werd geëxporteerd.

Sint-Martinuskerk Weert

Spoedig na de bouw van het kasteel werd zodoende een aanvang gemaakt met de bouw van de Sint-Martinuskerk, een driebeukige hallenkerk in late Kempense gotiek met een lage massieve toren (zie afbeelding). In tegenstelling tot dat wat algemeen werd (en wordt) aangenomen is de toren nooit onvoltooid geweest maar hielden de middeleeuwse bouwmeesters terdege rekening met de omgeving en de proporties van het kerkgebouw. De Sint-Martinuskerk was en is sedertdien, naast de Sint Michaël in Zwolle, de enige in steen overwelfde laatgotische hallenkerk van Nederland. De gewelfschilderingen die men heeft aangebracht zijn zeer rijk en van een uitmuntende kwaliteit. Zij werden herontdekt tijdens een restauratie in de jaren zeventig van de twintigste eeuw onder verschillende lagen witte kalk. Kenmerkend voor de Kempense laatgotiek zijn de zogenaamde speklagen, een afwisseling van lagen baksteen met natuursteen, die het gebouw een rijke uitstraling geven. Aan de middeleeuwse bloeiperiode van Weert kwam echter een redelijk abrupt einde door het begin van de Tachtigjarige Oorlog (1568 -1648). De laatste graaf van Horn, Filips van Montmorency, beter bekend als "de graaf van Hoorne", was samen met graaf Lamoraal van Egmont, een der kopstukken van het verzet geweest tegen de tirannie van Filips II van Spanje. Hun onthoofding in 1568 op de Grote Markt in Brussel werd het sein voor de opstand tegen Spanje. Het hart van Filips van Montmorency werd begraven in het koor van de Martinuskerk. Een in 1841 door koning Willem I geschonken steen siert nog steeds dit graf.

Het wegvallen van de beschermende invloed van de graven van Horn, de Tachtigjarige Oorlog, de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden, -Weert hoorde bij de Spaanse en later bij de Oostenrijkse Nederlanden-, deden deels de routes, die handel en verkeer volgden, veranderen. Belastingen en vorderingen van militairen, van zowel Staatse als Spaanse zijde, zorgden ervoor dat Weert tot armoede verviel. De stad deelde weliswaar dit lot met verscheidene andere steden, maar in tegenstelling met deze andere plaatsen herstelde Weert zich slechts zeer langzaam en zeer laat. De sterk geïsoleerde ligging tussen de Peel en de Kempen in werkte remmend op het ontstaan van handel en nijverheid. Van verharde wegen naar andere plaatsen was geen sprake; eerst in het midden van de 20e eeuw werden de wegen naar Roermond en Eindhoven verhard. Er waren geen waterwegen en ook de spoorwegaansluiting zou zeer lang op zich laten wachten. Rondom de stad lag nog steeds enkele kilometers brede strook van wateren en moerassen. Weert was geheel op zich zelf aangewezen: Landbouw was het hoofdmiddel van een armzalig bestaan. Ruim drie en een halve eeuw zou de infrastructuur weinig veranderen. Een belangrijke stap tot de ontsluiting was de aanleg van de Zuid-Willemsvaart in 1825, doch het zag er naar uit dat de stad, verstard in eeuwen van stilstand en vastgeroest in haar agrarische belangen, deze gouden kans op nieuwe voorspoed zou verwaarlozen. Slechts een scheepswerf dankt er haar ontstaan aan. De noodzakelijke voorwaarde voor industriële bloei en bevordering van de handel, namelijk de spoorwegaansluiting bleef uit tot 1879 toen de lijn Antwerpen-Weert-Roermond-Duitsland (IJzeren Rijn) werd aangelegd. Langzamerhand kon het economisch herstel intreden en herwon de stad haar zelfvertrouwen. Een eerste symptoom van dit groeiend zelfbewustzijn was de verhoging van de weerter kerktoren tot meer dan 100 meter in 1889. Dit besluit van Deken Custers werd mede mogelijk door de enkele decennia daarvoor herwonnen godsdienstvrijheid in Nederland: men mocht weer officieel Katholiek zijn. Het ophogen van de toren visualiseerde wellicht het meest duidelijk de tweede bloeifase van de stad Weert, zowel in economisch als religieus opzicht. In 1886 werd de oude toren van zijn middeleeuwse spits ontdaan en kort daarop verhoogd met ruim 20 meter metselwerk in neogotische stijl naar een ontwerp van architect Johannes Kayser (een leerling van de bekende architect P.J.H. Cuypers). Een bijna 60 meter hoge langgerekte houten spits bedekt met leien maakte dat de toren bij afronding van de werken in 1889 maar liefst 104 meter mat. Al in 1906 moest echter, op last van rijksarchitect Pierre Cuypers, het kruis met 7 meter worden ingekort. Het 17,80 meter lange gevaarte stond inmiddels al zo'n 60 centimeter uit het lood. Toch bleef de 'Lange Jan' met zijn 97 meter behoren tot de hoogste kerktorens van Nederland.

De toestand rond 1900[bewerken]

Wilhelmus-Hubertus molen, gebouwd in 1901

Ondanks de gunstige economische factoren tijdens de tweede helft van de negentiende eeuw kwam het herstel van de stad Weert maar heel langzaam op gang. De voordelen van de verbeterde verkeerssituatie werden niet voldoende uitgebuit en het industriële klimaat was nog allesbehalve gunstig. Promotie en acquisitie waren nog onbekende begrippen. Rond 1900 is Weert nog steeds een kleine plattelandsgemeente van nog geen 9000 inwoners. De landbouw bleef er het hoofdmiddel van bestaan; zelfs binnen de eigenlijke stadskern lagen op meerdere plaatsen boerderijen. De industrie betekende nog niet veel; naast een scheepswerf en de drukkerij Smeets waren er een kerkorgelfabriek en verder enige bedrijven zoals leerlooierijen, zoutziederijen, touwslagerijen, hoedenfabrieken en bierbrouwerijen. Handel was er praktisch alleen in granen en vee.

Uiterlijk had de plaats meer weg van een gezond dorp dan van een welvarende stad. Er was veel laagbouw en huisjes zonder enige verdieping waren zelfs talrijk. De eigenlijke stad strekte zich niet verder uit dan het gebied binnen de grachten, de huidige singels; daarbuiten regen zich de akkers en bossen aaneen. Klinkers en maaskeien vormden de bestrating terwijl de wallen een grindlaag als wegdek hadden, dat bij regenweer grote modderplassen vertoonde. Langs de straten in de binnenstad liepen open riolen, de zogenaamde 'ziepen' (Weerter dialect). Er was te weinig contact met andere grote steden. Brabant en 'Holland' lagen ver weg en waren tot 1913 per spoor enkel te bereiken via een omweg over Roermond-Venlo-Helmond of over Neerpelt-Eindhoven.

Een grote sprong voorwaarts was de oprichting - overigens met grote moeite vanwege tegenstand van de gemeenteraad - van een gasfabriek in 1906. Vooral na 1910 begint het streven naar vernieuwing en modernisering. Het bevolkingsaantal was intussen gestegen tot 10.000. De opening in 1913 van de spoorwegverbinding met het nabije Noord-Brabant en met het centrum van het land, de lijn Eindhoven-Weert, opende rijke perspectieven en wettigde de verwachting, dat de stad eens zou uitgroeien tot een belangrijk industriecentrum.

Krachtig gesteund door de thans gunstig geworden verkeerspositie en door de gunstige arbeidsmarkt kwam na de Eerste Wereldoorlog (1914 – 1918) de industrialisatie op gang. In de periode tot 1930 werden onder meer opgericht een chemische fabriek, een tweede drukkerij, een beschuitfabriek, een meelfabriek, een brouwerij, een tricotagefabriek, een machinefabriek, een houtzagerij en enkele betonfabrieken. Voorts vestigden zich enkele bedrijven, die nauw verband hielden met het agrarische karakter van de streek, waaronder een strohulzenfabriek en verder het Landbouwbelang en de Landbouwbond. In de jaren dertig, de tijd van een grote economische wereldcrisis, ontstonden nog enkele metaalverwerkende bedrijven en een lucifersfabriek. In 1930 was de agrarische bedrijfstak nog verreweg de grootste doch sindsdien heeft de arbeidsbevolking zich zeer sterk ontwikkeld en streefde zij de agrarische tak voorbij. Dit industrialisatieproces was zeer belangrijk voor het opvangen van de vele arbeidskrachten, die in de landbouw niet meer geplaatst konden worden; het land van Weert kende immers een zeer hoog geboortecijfer, dat ver uitsteeg boven het provinciaal en landelijk gemiddelde. Na de Tweede Wereldoorlog zette de verruiming van de werkgelegenheid zich op grote schaal voort, die in 1959 zou resulteren in de aanwijzing van Weert als primaire ontwikkelingskern, wat belangrijke rijkssubsidies met zich meebracht voor de bevordering van de werkgelegenheid. Talrijke bestaande en nieuwe industrieën danken hieraan hun uitbreiding of ontstaan. De stimuleringsmaatregelen, verbonden aan de aanwijzing als primaire ontwikkelingskern, zijn echter in 1971 opgeschort.

Verandering van het stadsbeeld[bewerken]

Jacob van Horne, museum in binnenstad van Weert

Ook het uiterlijke aanzien van de stad begon na de Eerste Wereldoorlog te veranderen; op alle terreinen werd de achterstand van eeuwen langzamerhand ingelopen. Rond het begin van de jaren twintig werd een begin gemaakt met het aanleggen van elektriciteit binnen de bebouwde kom en de omliggende gehuchten, gevolgd door de aanleg van de waterleiding in 1928 en de riolering in de jaren dertig. In 1920 ziet men de eerste trottoirs aan gelegd terwijl na 1930 de asfaltering van de straten in de binnenstad wordt aangepakt.

De middeleeuwse stadsgrachten zijn daarbij echter ten offer gevallen aan de verkeerseisen, waardoor een ingrijpende verandering kwam in het oude stadsbeeld. Doordat nu ook een meer intensievere bebouwing langs de vroegere stadswallen tot stand kwam, veranderde het gezicht van de stad nog meer. Ten gevolge van de Tweede Wereldoorlog kwam er een einde aan de plannen tot sanering van de woonomgeving en aan alle verdere modernisering en uitbouw van de plaats. Vlak voor het uitbreken van de oorlog kwam nog de bouw gereed van de Van Horne-kazerne, die in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de vooruitgang van de stad, maar die tevens al een schaduw vooruit wierp van de komende werelddreiging. Op 14 november 1940 was het echter niet het oorlogsgeweld maar een hevige najaarsstorm die de Sint Martinustoren opnieuw van uiterlijk deed veranderen. De langgerekte spits tuimelde van de onderbouw, nam in zijn val één van de vier hoekpinakels mee en kwam met groot geweld op hotel 'de Vesper' terecht. Wonder boven wonder vielen daarbij geen doden of gewonden maar de ravage was enorm. In de daarop volgende jaren werd de "onthoofde" toren gebruikt als radiozendmast en liet de gemeente vastleggen dat zij de toren indien nodig geschikt zou mogen maken voor wateropslag.

Na 1945 zette de ingezette groei en ontwikkeling zich goed door. Deze derde bloeiperiode kwam, net als de voorgaande bloeiperioden, allereerst tot uiting in de Sint Martinustoren. De gemeente besloot een prijsvraag uit te schrijven. Het winnende ontwerp voor de torenbekroning die ook nu nog de toren siert was van de hand van architect Th. Verlaan en werd gerealiseerd tussen 1958 en 1960. Dit carillon is in feite een voorstudie van zijn latere ontwerp voor de Arnhemse Eusebiuskerktoren uit 1964. Hoewel de detaillering niet verfijnd is (zeker in vergelijking tot zijn Arnhemse navolger) mag het ontwerp zélf met recht geniaal genoemd worden. Het is een zeer geslaagd en bijzonder voorbeeld van historisch verantwoorde jaren vijftig architectuur uit de twintigste eeuw. Met name bij een meer nauwkeurige bestudering van de plattegrond van de nieuwe opbouw blijkt op welk een vernuftige wijze deze is samengesteld. In de jaren die volgden op de voltooiing van de torenbekroning drukten de textielfabrieken zoals die van Van de Kimmenade en bouwbedrijven zoals de bouwonderneming Wilma steeds duidelijker hun stempel op het naoorlogse uiterlijk van de stad Weert. Zij deden tevens een steeds grotere behoefte ontstaan aan de realisatie van zogenaamde 'moderne' woon- en winkelvoorzieningen. Weert onderging een ware metamorfose die, volgens de toen geldende inzichten, ook de noodzaak deed ontstaan tot het intensief aanpassen van de oude middeleeuwse binnenstad met als doel het "gezond maken van de binnenstad als het centrum van stad en streek". Keerzijde van de medaille was echter dat deze ambitieuze groei ten kostte ging van oude en schilderachtige volksbuurten zoals de 'Hoge kei', het 'Morregat' en de 'Doolhof'. Een gebrek aan historisch besef en een ongeremd en té enthousiast vooruitgangsdenken hebben er toe bijgedragen dat de sloophamer zelfs tot in de jaren tachtig zijn werk grondig heeft kunnen doen. Ondanks het feit dat niet het gevoel voor authenticiteit maar de commerciële exploitatie alles bepalend was en is bij de realisatie van bouwplannen in het centrum van de stad, lijkt men de laatste decennia toch iets zorgvuldiger om te gaan met de weinige historische bebouwing die er nog rest. Zo zijn de gewelfschilderingen in de Martinuskerk en de Sint Martinustoren in 2005-2006 zorgvuldig gerestaureerd. In de toren zijn grote hoeveelheden van het in de jaren vijftig bij de bouw van het carillon gebruikte poreuze tufsteen vervangen door het veel duurzamere witte Chinese graniet; hetzelfde geldt voor de decoraties in de balustraden rond de eerste omgang. Ook het zink van de bekroning, de koperen bol bovenop de kroon met de Latijnse tekst: "de wereld draait, het kruis staat" en het bijna manshoge gouden kruis zélf werden hersteld.