Graafschap Loon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Zie Graafschap Lohn voor het historisch graafschap in de Achterhoek.
Graafschap Loon
 Haspinga 1040–1366 Prinsbisdom Luik 
Loon Arms.svg
Kaart
Het Graafschap Loon omstreeks 1350.
Het Graafschap Loon omstreeks 1350.
Algemene gegevens
Hoofdstad Borgloon, Hasselt
Talen Oudnederlands, Diets (Middelnederlands), Waals
Religie(s) Rooms-katholiek
Regering
Regeringsvorm Graafschap
Dynastie Huis Loon
Staatshoofd Graaf
Geschiedenis
- Ontstaan 1040
- Inlijving door Prinsbisdom Luik 1366

Het Graafschap Loon (Frans: Comté de Looz) was een vorstendom van het Heilige Roomse Rijk dat bestond van 1040 tot 1366. De grafelijke burcht stond eerst in Looz (het huidige Borgloon), daarna onder Gerard van Loon in Kuringen, nu deelgemeente van Hasselt vlak bij de Abdij van Herkenrode.

Algemeen[bewerken]

Het graafschap Loon situeerde zich ten westen van de Maas in het hedendaagse Vlaanderen, ten oosten van het oude Hertogdom Brabant en ten noorden van het Prinsbisdom Luik waar het een leen van uitmaakte. Zijn grondgebied kwam ongeveer overeen met de hedendaagse Belgische provincie Limburg. Zoals andere gebieden die uiteindelijk toekwamen aan de prins-bisschop van Luik, had Loon politiek gezien niets te maken met de rest van België tot de Franse Revolutie. In de nadagen van de Franse bezetting, die erop volgde, hield het graafschap zoals vele relicten uit het Ancien Régime, op te bestaan. Onder verscheidene nieuwe namen werd het eerst geannexeerd door Frankrijk, dan ondergebracht bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, totdat het na het Verdrag van Londen toetrad tot het nieuwe koninkrijk België in 1839, negen jaar nadat de rest van België onafhankelijk werd van Nederland.
Loon maakte nooit deel uit van de Spaanse of Oostenrijkse Nederlanden en heeft daardoor een heel eigen geschiedenis.
De aanvankelijke hoofdstad van dit graafschap voordat het zich uitbreidde was Borgloon, aanvankelijk gewoon Loon genaamd, in het zuidelijke deel van het graafschap. Dit deel van het graafschap ligt geografisch gezien in de heuvelachtige Belgische regio die bekendstaat als Haspengouw. Het breidde zich later noordwaarts uit naar de laaggelegen Kempen die bekendstond als Toxandrië in de vroege middeleeuwen.
In de destijds heersende feodale omgeving was de Loonse graaf onderhorig aan twee leenheren: de Luikse bisschop en de Duitse keizer. Men sprak van een dubbele horizontale vazalliteit, via de prins-bisschop een grondleen en via de Duitse keizer een ambtsleen.

Geschiedenis van het graafschap Loon[bewerken]

Geschiedenis van 1040 tot 1366[bewerken]

Duitstalige kaart van de zuidelijke Nederlanden in 1250. Loon (Looz) in geel

Wanneer in de 9e eeuw het erfland van Karel de Grote af te rekenen krijgt met innerlijke twisten en invallen van de Noormannen verzwakte het koninklijk gezag. Doordat eigendomstitels en investituurdocumenten vaak werden vernietigd door plunderingen, konden sommige graven zich als usurpator gedragen. Zij eigenden zich in deze verwarring onrechtmatig delen van oude graafschappen toe. In deze context verschijnen de graven van Loon rond het jaar 1040 plots ten tonele. Er is alleszins geen geschreven bewijs dat het graafschap vóór 1031 bestond.
Men vermoedt dat het graafschap Loon in 1040 een opgedragen leen van het Prinsbisdom Luik werd op het ogenblik dat het graafschap Haspinga, waarvan het op zijn beurt een leen was, aan bisschop Nithard van Luik werd afgestaan.

Een graaf van Haspinga was Arnold, een broer van Giselbert, de eerste graaf van Loon. De leenrechtelijke band tussen hun beide ontstond hoogstwaarschijnlijk bij de regeling van de erfopvolging door hun vader Rodolf. Arnold en Giselbert hadden een broer, bisschop Balderik II van Luik, die mogelijk een rol heeft gespeeld bij de afstand van Haspinga aan Luik. De graaf bezat ook gebieden in Waals Haspengouw en op de rechteroever van de Maas. Voor de rechtspraak was hij een vazal van de keizer van het Heilige Roomse Rijk. Na Giselbert regeerde zijn zoon Emmo van Loon van 1046 tot 1079.
Vervolgens regeerden Arnold I van Loon van Loon, Arnold II van Loon, Lodewijk I van Loon, Gerard. Gedurende het bestuur van Gerard verhuisde de hoofdplaats van het graafschap naar een nieuwe grafelijke burcht in Kuringen genoemd het Prinsenhof. De meer centrale ligging en de nabijheid van de abdij van Herkenrode die hij in 1182 stichtte en die als mausoleum voor het grafelijk geslacht kon dienen, verklaarde deze wisseling.
Vervolgens bestuurden Lodewijk II van Loon en Arnold III van Loon het graafschap. Deze laatste schonk samen met zijn zus Machtildis, abdis van Munsterbilzen in 1220 een kapel met een miraculeus Mariabeeld met aanhorigheden en de rechten aan de Duitse Orde waaruit later de landcommanderij Alden Biesen ontstond. Arnold III stierf echter kinderloos. Lodewijk III van Loon die het eerder verworven graafschap Rieneck bestuurde en zoon van de jongere broer van Arnold III volgde hem op.
Na deze tussengraaf bestuurde zijn opvolger Arnold IV het graafschap meer dan 50 jaar. Hij huwde met Johanna, de enige dochter van de graaf van Chiny. Na de dood van zijn schoonvader erfde hij het uitgestrekte graafschap Chiny. Na deze graaf kwamen de graven Jan van Loon en Arnold V van Loon(1279-1323). Vijf van de acht kinderen van Arnold V traden in de Duitse Orde. Eén van hen, Gerard van Loon was van 1317 tot 1324 landcommandeur van de Landcommanderij Alden Biesen.
Na het kinderloos overlijden van Arnolds V opvolger, graaf Lodewijk IV van Loon in 1336 eiste zijn neef, Diederik van Heinsberg de titel op. Pas in 1346 ging de prins-bisschop met deze dubieuze machtswissel akkoord. Toen ook Diederik kinderloos stierf en zijn neef, Godfried van Dalenbroek de titel opeiste, was de maat voor Luik vol en werd het graafschap, na een lange strijd in 1366, ingelijfd nadat een andere pretendent en lid van de grafelijke familie, Arnold van Rummen, zijn aanspraak op de titel tegen een levensrente van de hand deed aan de Luikse prins-bisschop.

Geschiedenis na de annexatie door het Prinsbisdom Luik (van 1366 tot 1794)[bewerken]

Na 1366 voerde de Luikse prins-bisschop zelf de titel van Graaf van Loon, dat hij zoals het prinsbisdom in leen hield van de Duitse keizer. De prins-bisschop was wel zo wijs dat hij de bestaande rechts- en staatsstructuren behield. Op heel veel gebieden bestond er daardoor een ander stelsel in het eigenlijke prinsbisdom en het Land van Loon, en behield het graafschap een grote mate van autonomie. In 1522 werd die nog eens bevestigd. Zo kon de prins-bisschop niet zo maar belastingen innen of verhogen, en moest hij bij zijn aantreden de oude privileges van Loon erkennen. De leenzaal van het oude graafschap Loon hield tot in 1584 de leenverheffingen in Kuringen.
Een bewijs van de gespannen sfeer die er heerste tussen het graafschap en het prinsbisdom werd geleverd door de arrestatie van de Hasseltse graaf de Geloes. Hij werd in 1675 beschuldigd van samenzwering tegen het prinsbisdom en acht maanden lang opgesloten in het kasteel van Stokkem. Een bekentenis kregen ze van hem niet los.

De situatie bleef zo tot in 1794 (zie slag bij Fleurus) het Prinsbisdom en met haar het vroegere Loon door Frankrijk werd geannexeerd en deel werd van het departement Nedermaas (Meuse-Infèrieure) met Maastricht als hoofdstad. Belgisch en Nederlands Limburg werden verenigd.

In 1830, bij de Belgische onafhankelijkheid, werd Loon vergeten en kreeg de nieuwe Belgische "Provincie Loon" door toedoen van koning Willem II verkeerdelijk de naam Limburg. Na de definitieve scheiding van de beide Limburgen in 1839 met het Verdrag van Londen werd Hasselt in plaats van Maastricht de provinciehoofdstad van het nieuwe Belgisch-Limburg.

Steden van het graafschap[bewerken]

Bijna al deze steden dragen nog steeds de kleuren van Loon (gele en rode strepen) in hun wapenschild. Een bekende Loonse hofdichter was Hendrik van Veldeke, die in Spalbeek bij Hasselt in de 12e eeuw werd geboren.

Het drossaardschap in het graafschap Loon[bewerken]

Loon was onderverdeeld in zes ambten of drossaardschappen: Hasselt, Bilzen, Stokkem, Montenaken, Horne en Pelt-Grevenbroeck. Aan het hoofd van ieder ambt stond een drossaard die in andere streken baljuw of seneschalk werd genoemd. Hij was door zijn heer belast met de ordehandhaving, het opsporen, vervolgen en eventueel terechtstellen van misdadigers. Het waren lieden van adel die zich lieten bijstaan door een luitenant-drossaard die dan zelf drossaard of drost werden genoemd.

Het ambt Stokkem had graaf de Geloes als drossaard met, vanaf 1790, Jan Matthijs Clercx als luitenant. Clercx, die een stevige reputatie had, slaagde er in de bende van de Bokkenrijders op te doeken.

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • Baerten, J., Het graafschap Loon (11e-14e eeuw). Ontstaan-politieke instellingen, (Maaslandse Monografieën, 9), Assen, 1969.
  • Lyna,J., Het graafschap Loon. Politieke en sociale overzichtelijke geschiedenis, Beringen, 1956.
  • Vaes, J., Geschiedenis van het graafschap Loon in Europees perspectief, Hasselt, 2007.

Externe link[bewerken]