Graaf (titel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Graaf is een hoge adellijke titel. Het vrouwelijke equivalent is gravin. In rangorde van de Belgische en Nederlandse adel staat de graventitel boven burggraaf en onder die van markgraaf.

Graaf als ambt en als titel[bewerken]

Oorspronkelijk werd met graaf een opzichter aangeduid, zoals bijvoorbeeld een dijkgraaf of markgraaf. Later werd de titel een ambtstitel voor de hoogste drager van ambtelijk, rechterlijk en militair gezag die werd aangesteld door keizer Karel de Grote. De graaf was de officiële vertegenwoordiger in het hem toegewezen gebied. Meestal werden de graven benoemd uit leden van aanzienlijke families en namen zij met de bisschoppen en abten deel aan de grote rijksvergaderingen.

In een veemgerecht konden een vrijgraaf, een ambtelijke, geen adellijke titel, en een aantal vrije schepenen of bijzitters oordelen over de aanklachten. Deze grafelijke functie is nooit een erfelijke adellijke titel geworden.

Er bestond een functionele en institutionele verscheidenheid onder de grafelijke ambten:

  • Een markgraaf of markies had een overwegend militaire functie en werd ingezet in de graafschappen aan de grenzen van het rijk. In het westen van het Duitse rijk gebeurde dit ter beveiliging van de grens met het Franse koninkrijk (de marken Valenciennes, Ename en Antwerpen) en in het oosten vooral tegen de Hongaarse gebieden.
  • Een paltsgraaf werd aangesteld voor de waarneming van de rechtspraak in een koninklijke verblijfplaats (een zogenaamde palts). Deze paltsgraven waren vanaf de 10e eeuw een (politiek) tegengewicht tegen de groeiende macht van de hertogen: men had rijksonderdanige paltsgraven in Lotharingen (vanaf ca. 1086 de Rijnpalts genoemd), Beieren, Zwaben en Saksen. Ook het Vaticaan kende paltsgraven. Het was een titel die door de paus werd verleend aan Ridders in de Orde van het Gulden Spoor.
  • Een landgraaf is een graaf die rechtstreeks leenhulde bracht aan de keizer en later koning, zonder bemiddeling van een andere leenheer (zoals een rijksbisschop, een hertog of paltsgraaf).
  • Een gouwgraaf werd aangesteld over een gouw (pagus). Hij nam de rechtspraak waar, verzekerde de militaire beveiliging en inde de belastingen.
  • Een woudgraaf (comes nemoris): een graaf die werd aangesteld over ondoordringbare of nog onontgonnen wouden. Sommige woudgraafschappen behoren evenwel tot het rijk van de fantasie en werden ingeschakeld in landsheerlijke legenden om de oorsprong van een gravengeslacht te mystificeren.
  • Een raugraaf: in 1667 verleende Karel Lodewijk van de Palts de titel raugraaf en raugravin aan zijn nazaten uit het morganatische, volgens sommige lezingen ook ongeldige, huwelijk met Louise von Degenfeld. Over de herkomst van de titel zijn diverse lezingen. Het Latijnse begrip comes hirsutus en het Duitse Ruegegraf is volgens sommige bronnen "een graaf zonder versierselen". Elders heet het een bestuurder van onbebouwd gebied te zijn. Eerder werd de titel gevoerd door de "Wildgrafen" uit het Huis der Emichonen in de 10e eeuw.
  • Een burggraaf: militaire bestuursfunctie voor een leenheer.

In het Karolingische rijk bestond ook de titel zendgraaf, missus dominicus. Het ging om een keizerlijk gezant die een tijdelijke controle toegewezen kreeg over een bepaald territorium. Het ambt mag beschouwd worden als een voorloper van de territoriale graven.

Graaf als erfelijke titel[bewerken]

Aanvankelijk was een gravenambt een persoonsgebonden beneficium (een niet-erfelijk leengoed) en was een graaf ook afzetbaar. Door de verankering van het gravenambt binnen eenzelfde stamgeslacht begon men het ambt vanaf de 10e/11e eeuw toch als erfelijk te ervaren. Men mag aannemen dat vanaf de 12e eeuw dit erfrecht door de grafelijke geslachten algemeen werd opgeëist en dat dit door de vorsten ook werd gedoogd. Er konden meerdere graafschappen in één hand verenigd worden. Daardoor verwierven sommige graven een grotere onafhankelijkheid van hun suzerein en werden weldra autonome landsheren. Meestal werden uit de grafelijke geslachten ook bisschoppen en abten verkozen.

Graaf in Nederland[bewerken]

Vanaf de 16e eeuw (de Habsburgse periode) is een graventitel eenvoudig een adellijke gradatie geworden met weinig of geen territoriaal gezag. De titel werd een financieel actief dat daardoor ook binnen een geslacht verankerd kon blijven. Zo zijn er nog slechts achttien Nederlandse geslachten die een graventitel voeren. Na 1814 is hij in Nederland ook nog wel eens verleend aan een oude dynastenfamilie (bijvoorbeeld: Huis Limburg Stirum) en aan bezitters van rijksgravendiploma's. Ook werd de graventitel wel eens wegens persoonlijke verdienste verleend.

Graventitel en het Nederlandse Koninklijk Huis[bewerken]

Om het aantal leden van het Nederlandse Koninklijk Huis terug te brengen heeft de regering besloten dat alleen de kinderen van de koning of de troonopvolger nog prins (of prinses) kunnen zijn. De kinderen van prins Constantijn en prinses Laurentien dragen de titel graaf en gravin.

Rangkroon in Nederland en België[bewerken]

Volgens een decreet uit 1817 van koning Willem I van Nederland mogen de graven de volgende rangkroon boven hun adellijke wapenschild plaatsen; een gouden ring met edelstenen, waarop drie bladeren of fleurons, en daartussen twee met parels getopte gouden punten. Toch voert het gros van de grafelijke families een rangkroon met negen met parels getopte gouden punten. In Nederland en België afgebeelde wapens met daarboven deze kroon zijn dus te herkennen als die van een graaf.

Plaatsnamen[bewerken]

In heel wat plaatsnamen komen verwijzingen naar een graaf voor, eenvoudigweg omdat het betrokken dorp of heerlijkheid aan een graaf toebehoorde. Dikwijls diende de toevoeging ook om onderscheid te maken met een gelijknamige gemeente, bijvoorbeeld:

Zie ook[bewerken]


Zoek dit woord op in WikiWoordenboek