Baljuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Willem van den Kerckhoven jr. (1678-1758), baljuw en burgemeester van Gouda, lid van de Raad van State, Jan Vollevens de jonge, ca. 1725 (Haags Historisch Museum)

Baljuw was de benaming voor de ambtenaar die tijdens het Ancien Régime de vorst vertegenwoordigde in de steden en in landelijke gebieden. Zijn ontstaan gaat terug op de Franse koning Filips II August die hen voor het eerst aanstelde. De benaming werd hoofdzakelijk in Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Zeeland, en in Noord-Frankrijk gebruikt. In andere noordelijke gewesten voerden soortgelijke functionarissen de titel van drost, drossaard (Brabant), amman (Brussel), meier (Leuven, Asse) en schout (Antwerpen, 's-Hertogenbosch, Turnhout).

Het woord baljuw (Frans bailli, Engels bailiff) is, via het Oudfranse baillif, afgeleid van het (middeleeuws) Latijnse baillivus of bajulivus = persoon belast met bestuursfunctie, op zijn beurt afgeleid van bajulare = torsen, dragen.

Ontstaan en evolutie[bewerken]

In de ontstaansperiode van de steden in de Nederlanden werkten de verplichtingen en lasten, opgelegd door de feodale heren, eerder remmend en hinderend op de handels- en nijverheidsactiviteiten van de stedelijke bevolking. De heren zagen zich geleidelijk aan verplicht een reeks vrijheden, privileges te verlenen, die zowel aan de steden als aan de landheer zelf ruime voordelen verschaften. De oude, vroegmiddeleeuwse instellingen raakten daarbij hopeloos verouderd en beantwoordden niet meer aan de vernieuwde levenswijze. De vroegere vorstelijke ambtenaren (burggraaf, schout, meier, amman, ... ) genoten een relatieve autonomie en lieten vaak hun gezag méér gelden in eigen voordeel dan in dat van hun landheer. Zulke misstanden konden sterke vorsten, zoals de Vlaamse graven uit het huis van de Elzas, niet langer dulden. Daartoe moesten zij kunnen beschikken over betrouwbare ambtenaren die geheel in hun dienst stonden, en geheel en al van hun afhingen. Zulke ambtenaren waren de baljuws.

De instelling van de baljuws ontstond terzelfder tijd in Frankrijk en Vlaanderen, tijdens de tweede helft van de 12e eeuw, en elders in de loop van de 13e eeuw. In Vlaanderen verschenen zij het eerst in Gent (1169), Veurne (1170), Ieper (1172) en Sint-Omaars (1178). Tegen het einde van de 13e eeuw waren er, naast vele anderen, twaalf die de titel van grootbaljuw mochten voeren: Brugge, Gent, Ieper, Rijsel, Dowaai, Veurne, Aalst, Oudenaarde, Kortrijk, Kassel, Sint-Winoksbergen en Broekburg (Bourbourg).

Het ambt en de bevoegdheden van de baljuw waren geen monopolie voor het graafschap Vlaanderen, maar in geen enkel ander vorstendom (Henegouwen, Brabant, ...) kende de instelling een zo algemene verspreiding. In Luxemburg kwamen baljuws slechts sporadisch voor. Behalve in Vlaanderen, hebben de baljuws nergens een zo grote invloed gehad op het bestuurlijk en rechterlijk gebied als in Holland, ook al verschenen zij er een stuk later.

Specificiteit[bewerken]

De Vlaamse baljuws verschilden in hun functie wel degelijk van de Franse koninklijke baljuws. Deze waren afgevaardigden van de Curia Regis, die groepsgewijs naar de verschillende provincies werden gezonden om er in naam van de koning het beheer van de provoosten te gaan controleren, om er onderzoeken in te stellen, klachten aan te horen en soms zelfs als rechters op te treden. Dat was niet zo in Vlaanderen, waar de baljuw alleen binnen zijn eigen rechtsgebied bevoegdheid had en er de graaf vertegenwoordigde.

Functiebeschrijving[bewerken]

Grosso modo kan men zeggen dat het rechtsgebied van de baljuw overeenkwam met de kasselrij, met inbegrip van de stad als hoofdplaats en bestuurscentrum van deze kasselrij. In tegenstelling tot de vroegere burggraaf werd de baljuw benoemd, ontslagen of verplaatst door de graaf, aan wiens toezicht hij geheel was onderworpen, en van wie hij ook een vaste bezoldiging ontving. Op deze manier voorkwam de graaf de willekeur en het machtsmisbruik van de voorgangers die grotendeels voor eigen rekening werkten.

De meeste baljuws behoorden tot de kleine landadel. De grafelijke dienst, waaraan talrijke gunsten en voordelen verbonden waren, bood hun de gelegenheid hun gehavende fortuin wat te herstellen. Zij moesten Vlaming zijn van geboorte, maar mochten niet afkomstig zijn uit de stad of het gebied waar zij hun ambt uitoefenden. Vele baljuws en (vooral) ex-baljuws kregen, in functie van hun verdiensten, een zetel in de grafelijke raad.

Op alle gebieden waren zij de vertegenwoordigers van de graaf en de verdedigers van zijn rechten. In de eerste plaats waren zij gerechtelijke en politie-ambtenaren, belast met de ordehandhaving en de misdaadbestrijding in hun ambtsgebied. Als vervolgingsambtenaren spoorden zij de misdrijven op en traden voor de rechtbanken op als openbare aanklagers. Zij waren zelf geen rechters, maar waakten over de objectiviteit van de rechtbanken, inden voor rekening van de graaf de gerechtelijke boeten en zorgden voor de correcte uitvoering van de vonnissen. Overigens was een baljuw geenszins verplicht vervolging in te stellen: hij kon met de beschuldigde een compromis sluiten, waarbij deze door het betalen van een zeker bedrag buiten vervolging werd gesteld. Dat gaf wel eens aanleiding tot misbruiken.

De baljuw was ook een financieel ambtenaar: de inkomsten die hij boekte voedden in aanzienlijke mate de grafelijke schatkist. In zijn rechtsgebied maakte hij ook de grafelijke verordeningen bekend en waakte over de uitvoering ervan. Bij de uitoefening van zijn macht werd hij bijgestaan door ondergeschikten, en door een militie van "serjanten", "vanghers" of "cnapen". Hoogst uitzonderlijk werd de baljuw met zijn militie belast met beperkte militaire operaties. In Holland was de baljuw ook met de zorg voor de waterkering belast.

Tegenwoordig[bewerken]

De magistraat van Den Haag ontvangt de officieren van de schutterij op de Sint Sebastiaansdoelen. Schilderij van Jan Antonisz. van Ravesteyn, 1618

Thans wordt de naam baljuw nog gebezigd als naam van de president van de Afdeling Nederland van de Soevereine en Militaire Orde van Malta, tot welke ook enkele personen behoren met de rang van erebaljuw.
Ook op Jersey heet de vertegenwoordiger van de Britse koning(in) baljuw, "bailiff". Op de munten in Jersey staat dan ook "bailiwick of Jersey".

Zie ook[bewerken]