Dowaai

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dowaai
Douai
Gemeente in Frankrijk Vlag van Frankrijk
Wapen van Dowaai
Dowaai
Dowaai
Situering
Regio Nord-Pas-de-Calais
Departement Noorderdepartement (59)
Arrondissement Dowaai
Kanton hoofdplaats van 4 kantons: Dowaai-Noord, Dowaai-Noordoost, Dowaai-Zuid en Dowaai-Zuidwest
Coördinaten 50° 22′ NB, 3° 5′ OL
Algemeen
Oppervlakte 16,88 km²
Inwoners (1 jan. 2011) 41.915 (2.483,1 inw/km²)
Hoogte gemiddeld: 27 m
laagste: 16 m
hoogste: 38 m
Burgemeester Jacques Vernier
Zittingsperiode: 2001-2008
Overig
Postcode 59500
INSEE-code 59178
Detailkaart
Detailkaart ligging Dowaai
Detailkaart ligging Dowaai
Foto's
Pontlevi2.jpg
Portaal  Portaalicoon   Frankrijk

Dowaai of Douai[1] (Frans: Douai) is een stad in het noordwesten van Frankrijk (in Frans-Vlaanderen) en maakt deel uit van het Noorderdepartement.

Geschiedenis[bewerken]

Dowaai bewaart talrijke herinneringen aan zijn militair verleden als vestingstad zoals de twee stadspoorten, het militair arsenaal, de kazernes en de kanonnengieterij.

Dowaai wordt voor het eerst vermeld in 930 als Duacum en was al in die tijd een residentie van de graven van Vlaanderen. De bevaarbaarheid van de Scarpe maakte het al snel tot een bloeiende stad. Met Rijsel en Orchies vormde ze de drie steden van Rijsels-Vlaanderen, het min of meer zelfstandige deel van het graafschap Vlaanderen dat al sinds de 12e eeuw Franssprekend is. In de 13de en 14 de eeuw was ze een speelbal in de strijd tussen de Franse koningen en Vlaanderen.

Een Zeeuws-Franse vloot versloeg op 10 augustus 1304 bij Zierikzee de Vlaamse zeemacht; Gwijde van Namen werd gevangengenomen. Het jaar daarop werd op 23 juni 1305 het Verdrag van Athis-sur-Orge tussen het graafschap Vlaanderen en het koninkrijk Frankrijk afgesloten. Er werd een groot bedrag vastgesteld dat betaald diende te worden aan de Franse koning. De overeenkomst voorzag in een algehele amnestie, de vrijlating van alle gevangenen en het herstel van Vlaanderen als vorstendom met erkenning van de graaf als hoogste gezag; maar dus ook een boete van 20.000 pond en een herstelbetaling van 400.000 pond, te betalen door de Vlamingen, en het recht van de Franse koning om in geval van oorlog Vlaamse krijgers op te eisen. Als waarborg werden de kasselrijen van Dowaai, Orchies en Rijsel naar Frankrijk overgeheveld. Na de ondertekening werd Robrecht III van Bethune na 5 jaar vrijgelaten uit Franse gevangenschap, en op de troon geplaatst, waarna hij zich officieel met de Franse koning verzoende. Aan de Vlaams-Brabantse bedreiging van Henegouwen en Holland kwam hiermee een einde.

Met het Verdrag van Pontoise van 11 juli 1312 tussen Robrecht III van Bethune, graaf van Vlaanderen, en Filips de Schone deed de graaf van Vlaanderen afstand van Frans-Vlaanderen (de gebieden Orchies, Rijsel en Dowaai met bijhorende kasselrijen). Aan het groot bedrag dat in 1305 was vastgesteld om aan de Franse koning te betalen werd door de overdracht van deze bezittingen voor de helft voldaan. De andere helft werd betaald door de Vlamingen door middel van annuïteiten. Om in deze jaarlijkse betaling te voorzien, werd het Transport van Vlaanderen opgesteld, een lijst met de bedragen die elk gebied diende te betalen.

De streek bleef erg Vlaamsgezind: Tos Flamens, tos Flamens estons. Een overwinning op Lodewijk XI van Frankrijk in 1479 ligt aan de oorsprong van de Reuzenommegang, de gayants, die nog altijd rondgaat in Dowaai.

Koning Filips II van Spanje stichtte er in 1562 een universiteit, de tweede in de Nederlanden na Leuven. De universiteit van Dowaai werd een bolwerk van de katholieke contrareformatie. Dowaai was dan ook in 1579 een van de ondertekenaars van de Unie van Atrecht om de katholieke Spaanse vorst en het katholicisme te verdedigen tegen de Nederlandse opstand. In 1573 brachten de jezuïeten de in 1563 te Rome gestichte Congregatie der Heilige Maagd naar Dowaai over. Deze verspreidde zich weldra in al hun onderwijscolleges, vanwaar zich de Mariacultus dankzij gewezen scholieren vanaf begin 17e eeuw onder de stedelijke bevolking voortzette.

In 1607 liet de abt van de Abdij van Sint-Vaast zelf te Dowaai de kerk der Engelse benedictijner nonnen oprichten. In 1613 werden op aanbeveling van het aartshertogelijk hof de Engelse recollecten in die stad ontvangen. Verder trof men er Schotse jezuïeten en kloosters van Britten zoals ook te Rijsel, Dowaai nam dan ook op kerkelijk gebied een belangrijke plaats in. In 1612 was de kerkelijke Provincie Belgica zo belangrijk geworden, dat men ze splitste volgens de taalgrens die het land in twee bijna gelijke delen sneed. Daarbij werd noch met de bestuurlijke, noch met de staatkundige verdelingen rekening gehouden. Het onderwijs werd sterk gestimuleerd en nieuwe scholen opgericht. Het aantal jezuïetenscholen in de katholieke Nederlanden was naar verhouding het hoogst van heel Europa. Dowaai lag daar als het meest bloeiende centrum aan de basis van. In 1614 reeds werd door hen in Namen een college gesticht.

Tijdens de Devolutieoorlog werd Dowaai op 6 juli 1667 door de troepen van Lodewijk XIV van Frankrijk ingenomen en met het Verdrag van Aken het jaar daarop werd de stad definitief Frans. Als vestingstad, versterkt door Vauban, kreeg ze een arsenaal, kazernes en een kanonnengieterij. De koning verplaatste zijn noordelijk hooggerechtshof, het Parlement van Vlaanderen, van Doornik over Kamerijk naar Dowaai. De stad is nog altijd de zetel van een beroepshof.

In 1710 richtten de geallieerden gedurende de Spaanse Successieoorlog zich zonder Namen in te nemen direct op Frankrijk en werd op 4 mei Dowaai ingesloten om zich op 25 juni over te geven. Ondanks hardnekkige weerstand vielen in Frans-Vlaanderen ook Béthune, Aire en Saint-Venant in handen van de alliantie.

Tijdens de Franse Revolutie werd Dowaai de hoofdplaats van het departement Nord, maar moest die functie al snel aan Rijsel afstaan, met uitzondering van het hof van beroep. Ook de universiteit verhuisde in 1887 naar Rijsel. Tijdens de negentiende eeuw kwamen er belangrijke industrieën en in de buurt werden kolenmijnen geëxploiteerd. De beide wereldoorlogen brachten de stad zware schade toe en zetten een rem op de ontwikkeling.

De stad[bewerken]

De oude gebouwen in het centrum (belfort, kerken, herenhuizen) contrasteren nogal met de troosteloze arbeiderswijken.

In het Musée de la Chartreuse wordt het Jacobus- en Stefanusaltaarstuk uit 1540 bewaard, een groot veelluik van Jan van Scorel, dat oorspronkelijk geschilderd was voor de abdij van Marchiennes.

Het wapen van de stad is volledig keel (zonder stukken).

Demografie[bewerken]

Onderstaande figuur toont het verloop van het inwonertal (bron: INSEE-tellingen).

Grafiek inwonertal gemeente

Geboren[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Buitenlandse Aardrijkskundige Namen, Nederlandse Taalunie