Tachtigjarige Oorlog
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Geschiedenis van Nederland |
| Leidens ontzet door Otto van Veen |
|
..Naar chronologie
|
|
..Naar onderwerp
|
|
..Naar overzeese gebiedsdelen
|
|
..Naar voormalige koloniën
|
De Tachtigjarige Oorlog (in de modernere geschiedschrijving ook wel De Opstand of de Nederlandse Opstand genoemd) is de naam voor een opstand en strijd in de Nederlanden (1568[1]-1648, met het Twaalfjarig Bestand in de jaren 1609-1621).
Deze oorlog begon als opstand van een van de rijkste gebieden van Europa tegen het machtigste rijk in Europa, het Spaanse Rijk onder Filips II. Aanvankelijk trokken de uit zeventien gewesten bestaande Lage Landen min of meer gezamenlijk op, om een combinatie van religieuze, bestuursrechtelijke en fiscale redenen.
Na 1576 groeiden de noordelijke en zuidelijke Nederlanden echter steeds meer uit elkaar, vooral omdat de protestantse reformatie in het noorden dieper wortel had geschoten en het machtscentrum van de Habsburgse bestuurders in de Lage Landen in Brussel lag. Tijdens de oorlog ontstond in 1581 de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het calvinisme de toon aangaf. In 1585 bezegelde de val van Antwerpen de scheiding van noord en zuid. Een hechte eenheid was er overigens nooit geweest. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder het bewind van een landvoogd die door de koning van Spanje benoemd werd. Het katholicisme bleef daar de enige toegestane godsdienst.
De eerste twintig jaar van de oorlog was de situatie voor de opstandelingen vrijwel steeds somber of wanhopig, maar rond 1590 keerde het tij van de oorlog definitief ten gunste van de Republiek. De imperial overstretch van het Spaanse Rijk, de bekwame militaire leiding van prins Maurits en de maritieme expansie van de Nederlanden, veelal ten koste van het Spaanse koloniale rijk, maakten de uiteindelijke triomf mogelijk van de Republiek, die zich ontwikkelde tot een wereldmacht. De 17e eeuw wordt beschouwd als de Gouden Eeuw voor de Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. Voor de calvinisten was het ook de tijd waarin hun politieke invloed groter dan ooit ervoor of erna was en de nauwe band met het Huis van Oranje ontstond.
Inhoud
|
[bewerken] Aanloop
[bewerken] Particularisme
In de 16e eeuw was een groot deel van de Nederlanden onderdeel van de Bourgondisch Habsburgse staat. In de Bourgondische tijd had de centralisatiepolitiek al weerstand ondervonden door het stedelijk particularisme. Dit had vooral in Vlaanderen geleid tot opstanden, zoals de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan van 1482 tot 1492. De vader van Maximiliaan, keizer Frederik III van het Heilige Roomse Rijk, stuurde Duitse troepen naar Gent en Brugge, maar hierdoor sloten Brabant en de Hoeken zich aan bij de Vlamingen. Jan III van Egmont dwong echter in juni 1489 Rotterdam tot overgave en in juli 1492 gaf Gent zich over aan Albrecht III van Saksen. Het Sticht Utrecht (ruwweg de huidige provincies Utrecht en Overijssel omvattend) onderwierp zich in 1528 en Groningen en Drenthe in 1536 aan Karel V van het Heilige Roomse Rijk ter wille van bescherming tegen invallen van de hertog van Gelre. Ten slotte wist Karel V na afloop van de Gelderse oorlogen in 1543 ook Gelre onderdeel te maken van de Habsburgse Nederlanden. Ondanks de tegenstribbelingen leek het tot een geheel smeden van de Nederlanden succes te hebben en in 1548 werd de sinds 1512 bestaande Bourgondische Kreits omgevormd tot de Zeventien Provinciën.
Naast landsheer - vanaf 1549 Heer der Nederlanden - van de Zeventien Provinciën was Karel V echter ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. In die hoedanigheid kwam hij door zijn expansiepolitiek in conflict met Frans I van Frankrijk. Deze Italiaanse Oorlogen zorgden voor een toenemende belastingdruk op de rijke Nederlanden, vooral Vlaanderen. In de periode 1552 - 1556 steeg de rente in Antwerpen hierdoor bijvoorbeeld tot 48,8%, wat de economie van de Nederlanden ondermijnde. Door deze druk van het imperium kwam Gent daarvoor al in opstand, maar in 1540 wist Karel V de Gentse Opstand neer te slaan, waarna de privileges van de stad ontnomen werden, wat voor de andere steden een voldoende waarschuwing was.
De Italiaanse Oorlogen werden ook uitgevochten op het grondgebied van de Nederlanden. De Gelderse Oorlogen werden mede hierdoor gevoerd met steun van de Fransen. Dit zorgde er voor dat de Hollandse schepen constant gekonvooieerd moesten worden door de samenwerking tussen Karel van Gelre en de Friezen Grote Pier en Wijerd Jelckama. Deze methode van kaapvaart werd later voortgezet door de watergeuzen. Er volgden hierdoor echter ook directe oorlogen met Frankrijk. In de periode 1521 - 1525 vond de eerste oorlog met Frankrijk plaats, de zesde oorlog vond plaats tussen 1557 en 1559, gevolgd door het Verdrag van Cateau-Cambrésis.
Rond 1525 werd Holland ook meegesleept in de Deense Successieoorlogen door de steun die Karel V gaf aan zijn neef Christiaan II.
[bewerken] Religie
Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op. Dit was een spirituele beweging binnen de middeleeuwse kerk die de nadruk legde op de innerlijke ontwikkeling van het individu. De beweging ontstond door ontevredenheid over de misstanden in de kerk. De Moderne Devotie zorgde voor een verandering in denken. Dit creëerde een voedingsbodem voor het bijbels humanisme - in navolging van de humanisten uit Italië - en de Reformatie. Als reactie op de Reformatie ontstond de Contrareformatie.
Het gedachtegoed van de Reformatie verspreidde zich aanvankelijk eerst door de meest verstedelijkte delen van de Nederlanden, waaronder Doornik en Valencijn, vanwaar het zich al snel verspreidde naar Antwerpen. In 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan, waarna hij na de Rijksdag van Worms in de rijksban gedaan werd. In 1523 vonden de eerste verbrandingen in de Nederlanden plaats toen de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel terecht werden gesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.
Ook in Duitsland vonden naar aanleiding van de Reformatie schermutselingen plaats. Dit leidde zelfs tot de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond in 1531, waarin Duitse protestantse vorsten ijverden voor de erkenning van de nieuwe Duitse godsdienst, het lutheranisme. Hoewel dit aanvankelijk succesvol leek, wist de keizer in 1541 landgraaf Filips I van Hessen voor zich te winnen en later ook hertog Maurits van Saksen. Omdat de Schmalkaldische Bond nu verlamd was, besloot de keizer het religievraagstuk met geweld op te lossen en voerde in 1546 en 1547, verbonden met de paus, Beieren en enkele protestantse vorsten de Schmalkaldische Oorlog, die de bond verloor. Evenwel werd in 1555 de Godsdienstvrede van Augsburg getekend, die uitging van het principe cuius regio, eius religio (van wie het land is, is ook de godsdienst). Dit hield in dat iedere rijksvorst besliste welke godsdienst in zijn gebied opgelegd werd en dat hij daarom ook de kerkgoederen mocht beheren. De godsdienstvrede maakte definitief en officieel een einde aan de geloofseenheid in het Heilige Roomse Rijk, waarvan feitelijk al enige tijd geen sprake meer was.
Hoewel de oorlog en de daaropvolgende vrede niet direct te maken hadden met de Nederlanden, werd hierdoor wel heel duidelijk dat het mogelijk was af te wijken van het rooms-katholieke geloof.
In 1550 vaardigde keizer Karel in de Nederlanden het Bloedplakkaat uit. Hiermee werd het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen beantwoord. Een derde van de vervolgden waren anabaptisten. Omdat ze zo sterk aan hun geloof vasthielden, wachtte hun de brandstapel.
De lokale machthebbers, zoals de adel en de stadsbesturen, bleven weliswaar overwegend katholiek, maar stonden een veel gematigder beleid voor om ongeregeldheden met de grote protestantse minderheid te voorkomen. Vooral in de gewesten die ver van Brussel, sinds 1531 het regeringscentrum, gelegen waren, werd de anti-ketterijwetgeving vrijwel niet uitgevoerd. Dit was bijvoorbeeld het geval in Friesland, waar na 1559 de wetgeving zelfs helemaal niet meer werd toegepast. In Groningen werd het Bloedplakkaat van 1550 niet eens afgekondigd. Maar ook in Amsterdam werd tussen 1553 en 1567 geen enkel doodvonnis uitgevoerd. In Vlaanderen echter wist de inquisiteur Pieter Titelmans vele ketters op te pakken om deze tot de doodstraf te laten veroordelen.
In 1559 vaardigde paus Paulus IV de Super universas uit waarin een nieuwe bisschoppelijke indeling van de Nederlanden werd beschreven. Dit was een bijzonder impopulair plan, omdat men verwachtte dat hiermee ook de al bekende inquisitie vervangen zou worden door de Spaanse Inquisitie. Hierover deden gruwelijke verhalen de ronde, die niet noodzakelijk waren gebaseerd op de realiteit - de zogenaamde zwarte legende - maar waarvan de geuzen wel profiteerden.
[bewerken] Constitutioneel probleem
De religieuze tegenstellingen legden het constitutionele probleem bloot; had de koning absolute macht, of moest hij samenwerken met de hoge adel en de Staten-Generaal. De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V en zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Na het aantreden van Margaretha van Parma als landvoogdes richtte de hoge adel, Oranje, Egmont en Horne, zich vooral tegen haar adviseur Granvelle. Op 23 juli 1561 schreven Oranje en Egmont hun eerste protestbrief aan Filips. Nadat er een jaar later geen verandering was opgetreden, sloten zij zich aaneen in de Liga tegen Granvelle. In 1563 sloot Horne zich aan bij de tweede protestbrief. In 1564 wisten ze Granvelle weg te werken, waarna hun invloed op de landvoogdes toenam. Hierna konden zij zich weer meer richten op de godsdienstkwesties.
[bewerken] Economie
Economisch waren er in die tijd grote problemen. De Spaanse staatsschuld was opgelopen van twee miljoen gulden in 1544 tot zeven miljoen in 1556. In 1557 schortte Filips II de rentebetalingen op. Dit was een van de eerste van een serie Spaanse staatsbankroeten en had als gevolg dat de Zuid-Duitse bankiers en Antwerpse kleine spaarders geruïneerd waren.
Vlaanderen en Artesië waren in deze tijd sterk geïndustrialiseerd, waarbij de lakennijverheid domineerde. Deze was sterk afhankelijk van de wolimport uit Engeland en blokkade hiervan zorgde direct voor een grote werkloosheid onder handelaren en ambachtslieden. In de eeuwen daarvoor had dit al geregeld voor opstanden gezorgd en ook nu was er weer een handelsoorlog met Engeland, waardoor de Engelse wolstapel in 1563 uit Antwerpen was gehaald. Daarnaast viel door de zware winter in 1564 de oogst in Frankrijk en de Nederlanden tegen. Door de Zevenjarige Oorlog tussen Denemarken en Zweden werd eind april 1565 de Sont ook nog eens gesloten. Hoewel deze na twee maanden weer geopend werd onder druk van Polen - die op dat moment bondgenoot van Denemarken was en de handel op Danzig verstoord zag - zorgde de mede door speculaties gestegen graanprijs voor een hongersnood. Deze combinatie van economische malaise, particularisme en religieuze onderdrukking zorgde voor grote onlusten.
[bewerken] Machtsoverdracht
Met de Transactie van Augsburg van 1548 had Karel V de uitbreiding van zijn bezittingen in de Nederlanden bezegeld door de erkenning van de Zeventien Provinciën als Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. In 1549 had hij met de Pragmatieke Sanctie bepaald dat de Zeventien Provinciën steeds als één geheel overerfd moesten worden. In 1555 droeg Karel de regering van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De meeste vorsten bleven aan tot hun dood en mogelijk voorzag hij de oppositie tegen de onbekende Filips. Karel leunde bij deze plechtigheid op de schouder van Willem van Oranje.
Was het onder het gezag van Karel alleen in 1554 in Antwerpen tot onlusten gekomen, onder zijn zoon zou een einde komen aan de opgebouwde eenheid.
[bewerken] Start van de opstand
[bewerken] Wonderjaar of hongerjaar
[bewerken] Smeekschrift der edelen
Nadat Filips II de onverkorte tenuitvoerlegging van de ketterplakkaten beval aan Margaretha in de brieven uit het bos van Segovia, verbond de lagere adel zich in 1565 in het Eedverbond der Edelen. Deze edelen boden in 1566 - het wonderjaar of hongerjaar - op 5 april de landvoogdes een smeekschrift aan om tot verzachting van de vervolgingen te komen. Bij die gelegenheid zou Karel van Berlaymont tegen Margaretha N'ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux (Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars) gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. De baron van Montigny, die in 1562 al als woordvoerder naar Spanje was afgereisd, bracht de boodschap, nu met de markies van Bergen op Zoom, naar de koning. Beiden overleden daar in gevangenschap, Montigny zeer waarschijnlijk door wurging.
Gedurende de tijd die nodig was om met Filips in Spanje te communiceren over het smeekschrift, schortte Margaretha van Parma de vervolgingen tijdelijk op, wat door de lokale bestuurders ruimer werd geïnterpreteerd dan zij bedoeld had. Naar aanleiding hiervan keerden gevluchte protestanten terug, waarna zij tussen mei en augustus begonnen met hagenpreken. Vanaf 10 augustus tot oktober vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten de katholieke kerken binnendrongen en de beelden en afbeeldingen van rooms-katholieke heiligen vernietigden. Op 20 augustus bereikte deze Antwerpen en twee dagen later Mechelen. De schutterijen in veel steden weigerden op de eigen burgers te schieten, wat zorgde voor een machtsprobleem voor de stadsbesturen, waarna Margaretha op 23 augustus de calvinistische erediensten weer toestond nadat het Eedverbond der Edelen had toegezegd zichzelf op te heffen. Egmont wist in zijn Vlaanderen de rust te herstellen, net als Oranje in Antwerpen. Op 3 oktober bespraken Oranje, Lodewijk van Nassau, Egmont en Horne in Dendermonde of zij de wapens op zouden nemen tegen de landvoogdes, maar Egmont weigerde zover te gaan, waarop Oranje afzag van verdere actie. Hendrik van Brederode wilde wel zover gaan en versterkte zijn bolwerk Vianen, terwijl de calvinistische bolwerken Doornik en Valencijn - waar veel Hugenoten naar waren gevlucht vanwege de Hugenotenoorlogen in Frankrijk - hun poorten sloten voor de regeringstroepen.
[bewerken] Eerste vijandelijkheden
Op 27 december 1566 werden Vlaamse calvinisten en geuzen uitgemoord in Wattrelos. In januari 1567 werd Doornik door regeringstroepen belegerd en veroverd. Oranje, Horne en Brederode weigerden de eed van trouw af te leggen die Margaretha van alle Nederlandse edelen eiste. Op 13 maart verloren de geuzen onder leiding van Jan van Marnix de Slag bij Oosterweel, waarbij Willem van Oranje, die toen nog gouverneur van Antwerpen was, verbood hulp te bieden aan de geuzen en de stadspoorten sloot. Burgemeester Antoon Van Stralen wist een dag later de oproer in Antwerpen te bedaren. Op 24 maart viel Valencijn en leek de opstand voorbij. Op 15 april vertrok Willem van Oranje uit Breda naar zijn geboorteplaats, het Duitse Dillenburg, vanwaar hij later zelfs Alva zijn diensten aanbood.
[bewerken] Alva
Filips II besloot dat de harde lijn gevolgd moest worden - ook om te voorkomen dat het voorbeeld gevolgd zou worden in de Spaanse gebieden in Italië - en op 29 november 1566 stelde hij de hertog van Alva aan als landvoogd van de Nederlanden om de opstand te beteugelen. De bijnaam van Alva was de ijzeren hertog; een naam die hij eer aandeed gezien zijn brute optreden.
[bewerken] Alva's eerste optreden
Toen Alva in augustus 1567 in Brussel aankwam, was er door de tolerante politiek een goede kans dat de opstand zou bedaren. In plaats van de opstand te onderdrukken, was de legering van tienduizend vreemde troepen in de Vlaamse en Brabantse steden door Alva dan ook eerder een provocatie. Hij voerde meteen de drie opdrachten van Filips uit, namelijk de opstandelingen straffen, ervoor zorgen dat alleen het katholieke geloof in de Nederlanden beleden zou worden en centralisatie van het bestuur invoeren. In de praktijk kwam dit neer op een bestraffing van de Beeldenstormers, het instellen van nieuwe bisschoppen in bepaalde bisdommen en het doorvoeren van de besluiten van het Concilie van Trente.
Hij nodigde de edelen van de opstandige gebieden uit voor een gesprek. De meeste edelen doorzagen dat het een list was. Op 9 september werd de op de vlucht geslagen Antoon Van Stralen opgepakt en later ter dood veroordeeld. Een dag later werden Egmont en Horne gevangen genomen toen zij als weinigen wel op kwamen dagen bij Alva. Later werden beiden op beschuldiging van hoogverraad door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld. Nadat op 1 juni de eerste achttien edelen werden onthoofd op de Grote Markt van Brussel, volgden Horne en Egmont op 5 juni 1568, wat tot grote onrust onder de bevolking leidde.
[bewerken] Oranje waagt een inval
In 1568 probeerde Willem van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, Alva te verdrijven uit Brussel. Het ging hier nadrukkelijk om een opstand tegen Alva en niet tegen de koning. Het vers uit het Wilhelmus, dat omstreeks deze tijd geschreven werd, herinnert hieraan: De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Oranje en zijn bondgenoten deden dat jaar drie verschillende invallen. In april werd de Slag bij Dalheim door Joost de Soete verloren. Maar de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 was de eerste overwinning van de troepen van Willem van Oranje (aangevoerd door Lodewijk van Nassau) op die van Alva.
Er was echter nog weinig steun voor Oranje; geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand. Bovendien liet Alva op 5 juni de edelen Egmont en Horne onthoofden om het volk schrik aan te jagen, waarna hij naar het noorden trok en Lodewijk van Nassau versloeg in de Slag bij Jemmingen. Na deze nieuwe nederlaag deed Willem van Oranje in oktober zelf nog een inval, maar faalde om slag te leveren met Alva op het Lanakerveld, en bij Geldenaken werd Oranje uiteindelijk verpletterend verslagen. Dit beëindigde voorlopig zijn pogingen om de Nederlanden te bevrijden, terwijl Alva de orde herstelde.
[bewerken] Alva's maatregelen en de Geuzenplunderingen
Behalve de Raad van Beroerten voerde Alva ook een zware belasting in: de Tiende Penning. Dit leidde tot bijkomend ongenoegen. De Watergeuzen, op dat moment een stel zeerovers met een kaperbrief van Willem van Oranje, profiteerden hiervan. Bij gebrek aan een eigen marine zag Willem in de Geuzen een nieuwe mogelijkheid de troepen van Alva te verslaan en verleende hun het recht zijn oranje-wit-blauwe vlag te voeren. Kaperij was in die tijd een gebruikelijke aanvulling van de maritieme macht van veel vorsten.
De watergeuzen zorgden voor de bevoorrading van de troepen tijdens de Slag bij Heiligerlee en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Bossu opdracht om schepen uit te rusten om tegen de geuzen op te trekken. Tijdens de eerste zeeslag van de opstand die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal Francois van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems. Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, broer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Lumbres uit Artesië als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Lumbres had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruik maken van Engelse havens. Lumbres was geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval kwam men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.
In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte Boshuizen naar Dover.
Voor de tweede keer waren er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de Hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. Lumbres trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als Lumey.
[bewerken] De Geuzenopstand en Oranjes tweede invasie
Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Een van de gevolgen was de verovering van het stadje Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Lumey en Bloys van Treslong door de Noordpoort. Het wordt wel gezien als het begin van de opstand in de Nederlanden, maar voor Alva was het verlies van Vlissingen op 6 april schokkender. Op 14 april deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva.[2] Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen. De bedoeling was dat de geuzen enkele steden innamen en dat tezelfdertijd een nieuw invasieleger de Nederlanden binnenviel. Eind mei 1572 vielen de steden Valencijn en Bergen in Henegouwen in handen van de Geuzen. Een maand later, juni 1572, sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. Later volgden de meeste steden in Holland en Zeeland. Middelburg, Goes en Amsterdam bleven trouw aan Alva. Brugge werd door de Geuzen wel aangevallen, maar ze slaagden er niet in de Vlaamse stad te veroveren. Bovendien zorgde de Bartholomeüsnacht op 24 augustus te Parijs dat men voorlopig niet meer op Franse steun hoefde te rekenen.
Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de rebellen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat de watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Daarentegen vielen ze nu onder de magistraten van deze steden, die zorgden voor de financiering van de opstand. Op de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland - waarop Willem van Oranje werd bevestigd als stadhouder - werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden door hun gedrag. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd, dit alles tot woede van Willem van Oranje. Uiteindelijk liet hij Lumey ontslaan voor zijn aandeel in de moord op de Martelaren van Gorcum. Een gevolg van de terreur was dat er van een volksopstand al snel geen sprake meer was en katholieken steeds meer terugkeerden naar het Spaansgezinde kamp. Dit alles zorgde ervoor dat in 1573 de watergeuzen niet meer als één groep bestonden.
In een vergadering van de Staten van Holland werd nogmaals bevestigd dat Willem van Oranje stadhouder van de koning was. Nog altijd was de opstand alleen gericht tegen Alva en niet tegen het koninklijke gezag. Een zwager van Willem van Oranje veroverde ondertussen grote delen van Gelderland en Overijssel, waaronder Zutphen en Kampen. Ook Friesland schaarde zich geheel achter Oranje. Later dat jaar volgde nog de inname van steden als Mechelen, Dendermonde en Leuven.
[bewerken] Alva’s vertrek
Door Alva werd het verzet getypeerd als een opstand, niet als een oorlog. In 1572 berichtte Lodewijk van Nassau aan zijn broer Willem dat de hertog van Alva zeer verbaasd is ... dat de steden zo in opstand komen (les villes se revoltent ainsi). In brieven, kronieken en dagboeken uit die tijd wordt gesproken over verzet, verlatinghe, afzwering van de landsheer, enz.
Na de zes jaar durende harde lijn van Alva, bleek deze averechts gewerkt te hebben. De opstand was niet neergeslagen, maar de repressie had wel gezorgd voor een groeiende onvrede onder aanvankelijk nog gematigde onderdanen. In 1573 werd Alva dan ook teruggehaald naar Spanje. Hij werd op 17 oktober opgevolgd door de gematigder Requesens.
[bewerken] Externe invloed
Niet alleen de situatie in de Nederlanden was van belang. Spanje stond ook in het Middellandse Zeegebied onder druk. Een oude vriend van Willem van Oranje uit Antwerpen, de jood Josef Nasi, was adviseur geworden van de sultan in Istanboel.[3] Toen in 1566 de Beeldenstorm Antwerpen bereikte, stuurde Süleyman I in oktober een brief aan de vergadering te Antwerpen, waarin hij de opstandelingen financiële en militaire hulp aanbood. Kort daarna stierf hij. De Turkse vlaggen van de Watergeuzen en hun geuzenpenningen met de tekst 'Liever Turks dan Paaps', die zij ook vanaf het jaar 1566 droegen met een Turkse halve maan, wijzen naar het verbond. In 1568 stuurde Willem van Oranje een delegatie naar de nieuwe sultan, Selim II, om de samenwerking voort te zetten. De Turken hadden op dat moment echter al hun krachten nodig tegen Ivan de Verschrikkelijke in de Russisch-Turkse Oorlog die duurde tot 1570. In dat jaar wist Nasi met de hulp van Lala Kara Mustafa Pasha Selim te bewegen Cyprus te veroveren, tegen de wil van grootvizier Mehmet Sokollu in, de machtigste man aan het hof. In 1573 vertrokken de Venetianen van Cyprus, ondanks de nederlaag in de slag bij Lepanto tegen de Heilige Liga bestaand uit Spanje, Venetië, de Kerkelijke Staat, Genua, Savoye en de Maltezer Orde. In 1574 heroverden de Ottomanen Tunis op de Spanjaarden. De Ottomaanse druk verhinderde Spanje om zich volledig te richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden.
[bewerken] Mookerheide, Leidens ontzet, vredesoverleg
Vrijwel direct na hun nederlaag bij Alkmaar omsingelden de Spanjaarden Leiden. Tijdens dat beleg veroverden de legers van de prins Middelburg (9 februari 1574). Ook werd wederom een vlootoverwinning op de Spanjaarden behaald, ditmaal op de Oosterschelde (zie Slag bij Vlissingen). De legers van de prins konden echter niets doen om Leiden te ontzetten. Lodewijk van Nassau probeerde met financiële steun van zijn broer Jan en de Fransen een Duits invasieleger op de been te brengen. Het Spaanse leger rondom Leiden gaf tijdelijk de omsingeling op, om het nieuwe leger tegen te houden. Op 14 april 1574 vond op de Mookerheide een slag plaats tussen het leger van Lodewijk van Nassau en het Spaanse leger. Lodewijk van Nassau en zijn broer Hendrik van Nassau sneuvelden.
De verslagenheid over de nederlaag op de Mookerheide en het sneuvelen van twee van Willems broers was groot. De Spanjaarden hervatten het beleg van Leiden. De Leidenaren weigerden zich over te geven, waarna opnieuw besloten werd de dijken door te steken. Na twee maanden, op 3 oktober 1574 stond het water rondom Leiden zo hoog dat de Spanjaarden hun beleg moesten opgeven. De Geuzen werden op platte schuiten over het ondergelopen land als overwinnaars binnengehaald, daarbij haring en wittebrood uitdelend aan de uitgehongerde bevolking. Tot op de dag van vandaag wordt het Leidens Ontzet gevierd in de stad. In Leiden werd op initiatief van Willem van Oranje kort daarna, op 8 februari 1575, de universiteit gesticht, die overigens wel was opgedragen aan Filips II. Deze was immers nog niet afgezworen als staatshoofd; de opstand ging in principe slechts over herstel van geschonden autonome rechten van de provincies. Tijdens de belegering maakte predikant Adriaen Taling bezwaar tegen de spreuk op de noodmunt, haec libertatis ergo (dit is om de vrijheid). Hij vroeg zich af waarom daar geen haec religionis ergo (dit is om de religie) op stond. Duidelijk bleek dat er onenigheid was over het doel van de opstand.
De Spaanse bevelhebber Don Requesens probeerde een vredesverdrag te sluiten. Om de opinie gunstig te stemmen, schafte hij de Tiende Penning en de Raad van Beroerten af. Ook werd de opstandelingen amnestie beloofd, maar omdat hierop weer driehonderd uitzonderingen werden gemaakt, was dit vermoedelijk geen serieus aanbod. Op 3 mei 1575 vonden in Breda onderhandelingen plaats. Hier bleek echter hoe sterk de opstand het karakter van een godsdienstoorlog had gekregen; de onderhandelingen liepen stuk op godsdienstige eisen. Zo eisten de Spanjaarden dat de protestanten het land zouden verlaten en eisten de opstandelingen dat alle bisschoppen zouden vertrekken.
Na het mislukken van de onderhandelingen werd de strijd in alle hevigheid voortgezet. Oudewater en Schoonhoven werden door de Spanjaarden veroverd. In de herfst van dat jaar viel ook Zierikzee. De stad Woerden werd door de Spanjaarden belegerd, maar door het doorsteken van de dijken werden de Spanjaarden, na elf maanden, verdreven.
[bewerken] Algemene opstand
[bewerken] Pacificatie van Gent
Door het verlies van de steden leek de situatie voor de opstandelingen hopeloos. Maar vrij onverwacht keerden de kansen. Op 1 september 1575 werd Spanje voor de tweede keer bankroet verklaard: hierdoor moest er bezuinigd worden op de soldij van de troepen. Bovendien overleed Requesens onverwacht op 1 maart 1576 zonder een opvolger te hebben aangewezen. Door de achterstallige soldij en het ontbreken van een leider, begonnen Spaanse troepen te deserteren. Zierikzee en Aalst werden door plunderende troepen leeggeroofd; Mechelen en Brussel werden bedreigd. De Staten van Henegouwen en Brabant riepen begin september de Staten-Generaal bijeen en knoopten onderhandelingen aan met de opstandige gewesten Holland en Zeeland. In Gent werden eind oktober afspraken gemaakt tussen de opstandige en de koningsgetrouwe gewesten over het verdrijven van de muitende Spaanse troepen. De godsdienstige meningsverschillen hoopte men later op te lossen.
Op 4 november trokken Spaanse troepen moordend en plunderend Antwerpen binnen. Achtduizend Antwerpenaren vonden de dood en duizenden gebouwen gingen in vlammen op in de Spaanse Furie. Na deze zoveelste plundering werd de Pacificatie van Gent meteen ondertekend en op 8 november 1576 afgekondigd. De Nederlanders leken zich weer verenigd te hebben in hun verzet. Op 9 november werden de Spanjaarden verdreven uit Gent, in 1577 namen de inwoners van Utrecht de stad zelf in handen en kort daarna deden de Antwerpenaren hetzelfde.
[bewerken] Unie van Brussel
Filips II stuurde zijn halfbroer Don Juan - een bastaardzoon van Karel V, die in 1571 tijdens de Slag bij Lepanto de Turkse vloot had verslagen - naar de Nederlanden. De Staten-Generaal probeerden met hem tot een overeenkomst te komen. Op 7 januari 1577 werd de Unie van Brussel gesloten tussen de gewesten die de Pacificatie erkenden (alle Nederlanden behalve Luxemburg). Zij stelden de eisen van de Pacificatie samen in het Eeuwig Edict, en legden deze voor aan de nieuwe landvoogd Don Juan. Deze besloot op 12 februari het edict te tekenen vanwege de ernst van de situatie en erkende hiermee de Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal erkenden op hun beurt nogmaals de koning en beloofden zich sterk te maken voor het behoud van het rooms-katholieke geloof in de provincies. Don Juan zou landvoogd worden en de Spaanse troepen zouden zich (tegen betaling) terugtrekken. Op 6 april tekende ook Filips II de overeenkomst, echter niet uit overtuiging. In feite betekende het edict een wapenstilstand van enkele maanden.
De Spaanse troepen begonnen zich eind april 1577 terug te trekken. Maar na enkele maanden, op 24 juli, nam Don Juan de Citadel van Namen in, wat een breuk met het edict was. Het begon er dus naar uit te zien dat er geen vreedzame oplossing zou komen en op 31 augustus beval Filips II bovendien dat de Spaanse troepen terug moesten keren naar de Nederlanden.
Willem van Oranje liet zich op 24 september 1577 triomfantelijk binnenhalen in Brussel, om het volk zijn steun te betuigen tegen de Spanjaarden. Dit was een vrij revolutionaire daad, maar het volk steunde hem en bood hem zelfs de titel 'Ruwaard van Brabant' aan, die vroeger werd gegeven aan een plaatsvervanger van de hertog, als deze niet in staat bleek (goed) te regeren.
De Staten-Generaal moesten snel vergaderen over wat te doen tegen het nieuwe offensief van Don Juan, maar dat was niet gemakkelijk; men was onderling vooral verdeeld over godsdienstige kwesties, en het vormen van één gezamenlijk leger ging uiterst moeizaam. Op 28 oktober vond er bovendien een staatsgreep van radicale calvinisten plaats in Gent, die begonnen aan gewelddadige bekeringen onder de bevolking, wat katholieken en gematigde protestanten afschrok en het Willem van Oranje nog moeilijker maakte eenheid te smeden.
In januari 1578 kwam Alexander Farnese, zoon van Margaretha van Parma en de latere hertog van Parma, met verse troepen Don Juan ondersteunen. Op 31 januari behaalde Farnese een verpletterende overwinning op het Staatse leger in de Slag bij Gembloers, ten zuidoosten van Brussel. Na de slag werd Leuven in genomen. Hierdoor werden de Staten-Generaal nog verder verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de opstand.
Don Juan schreef aan Filips II dat Oranje feitelijk de macht had in de Nederlanden. De gewesten erkenden hem niet meer als landvoogd, maar stelden in zijn plaats de aartshertog Matthias van Oostenrijk, neef van Filips II, aan. Dit was tegen de zin van Filips II, voor wie Don Juan nog gewoon landvoogd was. Matthias van Oostenrijk was nog erg jong en politiek onervaren, zodat hij in de praktijk weinig in te brengen had tegen Willem van Oranje. In de volksmond werd hij spottend de griffier van de prins genoemd. De Spaanse troepen bedreigden Brussel en de Staten-Generaal besloten zich terug te trekken naar Antwerpen. Op 1 oktober 1578 overleed Don Juan in zijn legerkamp nabij Namen op 33-jarige leeftijd aan tyfus, nadat hij Farnese aangewezen had als zijn opvolger.
[bewerken] Unie van Atrecht en Unie van Utrecht
Het doel van de Pacificatie van Gent was het verenigen van de Nederlanden in de strijd tegen Spanje. Echter, al vrij snel begonnen de meningsverschillen op te spelen. Behalve de godsdienstige conflicten, speelde ook mee dat ieder gewest vooral voor zijn eigen belangen opkwam. Zo werd de toegangsweg naar de Antwerpse haven door Zeeland en Holland geblokkeerd: alleen tegen betaling werden schepen doorgelaten.
De zuidelijke gewesten Artesië en Henegouwen en de Franstalige Vlaamse stad Dowaai sloten op 6 januari 1579 de Unie van Atrecht, waarin zij zich weer onder het gezag van de koning schaarden. In de Unie van Atrecht werd wel afgesproken dat de buitenlandse troepen zich terug dienden te trekken. In het traktaat van Atrecht van 17 mei 1579 erkenden dezelfde gewesten Farnese als landvoogd. Deze begon het 'Project van Reconciliatie', waarbij hij onderzocht of de gewesten zich werkelijk wilden overgeven, en nog enkele praktische zaken. Dit rondde hij af op 4 oktober waarmee de Waals-Picardische gewesten weer onder Spaans gezag waren.
Op 23 januari 1579 tekenden Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden een eigen verdrag, de Unie van Utrecht. In de daaropvolgende maanden sloten ook de andere noordelijke provincies en veel steden in Brabant en Vlaanderen zich daarbij aan. Gent, Brussel en Antwerpen werden bestuurd door calvinistische "republieken". Willem van Oranje was aanvankelijk tegen deze Unie, omdat het in feite een afscheuring was en hij nog altijd geloofde in een verenigd Nederland. Feitelijk vielen ook de Staten-Generaal uiteen in een noordelijke ("Utrechtse") en een zuidelijke ("Atrechtse") vergadering. Op 3 mei 1579 ondertekende Willem echter een steunverklaring aan de Unie van Utrecht. Deze wordt gezien als de oprichting van de Verenigde Provinciën, die overigens pas na de Vrede van Münster op 15 mei 1648 internationaal werd erkend.
|
||
|
Intocht van de hertog van Anjou in Antwerpen in 1582.
|
[bewerken] Vredesoverleg in Keulen
Op uitnodiging van keizer Rudolf II begonnen in mei 1579 vredesonderhandelingen in Keulen. De Spanjaarden eisten dat de protestanten zich terugtrokken uit de Nederlanden en dat de politieke situatie van vóór 1559 werd hersteld. Van de kant van de koning verwachtte men niet dat de opstandelingen hierop in zouden gaan, maar hoopte men hen op het slagveld te dwingen. Parma veroverde intussen in juni 1579 Maastricht, en de stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, de graaf van Rennenberg, sloot zich in 1580 weer aan bij de koning. Hiermee gingen Coevorden, Groningen, Grol en het toch al weerspannige katholieke Oldenzaal verloren. Alleen in Friesland konden de opstandelingen hun posities behouden. Toen Rennenberg in 1581 overleed, werd hij vervangen door de Spanjaard Francisco Verdugo.
Gesteund door deze militaire successen besloot Filips II zich te richten op de oorlog tegen Portugal. Hij liet Willem van Oranje op 15 juni 1580 vogelvrij verklaren: hiermee raakte Willem van Oranje definitief vervreemd van de Spaanse troon. Op 13 december bood Oranje daarop zijn Apologie aan de Staten-Generaal aan, waarin hij zich voor het eerst openlijk afzet tegen Filips II in plaats van tegen diens landvoogd.
Door het uitblijven van steun van Spanje en doordat de hertog van Parma de buitenlandse troepen terugtrok zoals afgesproken, stokte de militaire campagne van de hertog. In twee jaar tijd werd alleen Doornik veroverd, op 29 november 1581.
[bewerken] Parma's Negen Jaren
[bewerken] Hertog van Anjou en Acte van Verlatinghe
Willem van Oranje zocht al in 1573 een buitenlandse partner. Engeland, met als staatshoofd de protestantse Elizabeth I leek voor de hand te liggen. Maar Elizabeth aarzelde om zich in een oorlog met Spanje te storten en de onderhandelaars keerden met lege handen terug.
In 1580 hadden de opstandelingen meer succes: de hertog van Anjou, broer van de Franse koning, zou de opstand met 10.000 man steunen, al was hij katholiek. Anjou eiste wel dat de noordelijke gewesten definitief de Spaanse koning zouden afzweren, en op 26 juli 1581 werd de Acte van Verlatinghe aangenomen. Op 10 februari 1582 kwam Anjou aan in Vlissingen en op 19 februari werd hij ingehuldigd als hertog van Brabant. De hertog was niet populair onder de bevolking en toen in 1582 een mislukte moordaanslag op Willem van Oranje werd gepleegd, dachten velen ook dat hij hierachter zat.
Op 4 juli werd Oudenaarde veroverd door de hertog van Parma. Pas toen in de herfst van 1582 de 10.000 man versterking kwam (voornamelijk Zwitserse huurlingen) keerden de kansen in de strijd. Uit frustratie over zijn ondergeschikte positie ten opzichte van Willem van Oranje, besloot de hertog van Anjou tot een aanval op Antwerpen en andere Brabantse steden om daar zijn gezag te vestigen. Op 17 januari 1583 raakte hij binnen de Antwerpse stadsmuren maar stuitte op hevig verzet van de bevolking, waarna de Fransen op de vlucht sloegen. De Franse politiek van Willem van Oranje had hiermee definitief afgedaan. Ondanks een verzoeningspoging verliet Anjou in juni 1583 de Nederlanden.
De hertog van Parma kreeg door deze ontwikkelingen opnieuw ruimte, en hij veroverde in hoog tempo steden aan de Vlaamse kust. De grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper werden ingesloten en veroverd en in september 1583 viel ook Zutphen.
[bewerken] Oranje vermoord
Op 10 juni overleed de hertog van Anjou. Voor de Staten-Generaal en Willem van Oranje was dit een reden om opnieuw met Frankrijk te onderhandelen over steun in de strijd. Frankrijk ging daar echter niet op in, en de moord op Willem van Oranje op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards maakte definitief een einde aan de gesprekken. Bovendien verloor de opstand met zijn dood haar leider. Maurits van Oranje, zijn 16-jarige oudste in Nederland verblijvende zoon, was wel zijn beoogde opvolger als stadhouder, maar speelde in het begin nog nauwelijks een rol.
[bewerken] Val van Antwerpen
Die maanden leek het einde van de opstand nabij. Het leger van de hertog van Parma begon een nieuwe opmars in Brabant. Op 27 augustus 1585 viel Antwerpen, na een beleg van ruim veertien maanden, weer in Spaanse handen. Eerder dat jaar hadden Parma's troepen ook al Brussel en Mechelen ingenomen. Parma had bij het beleg van Antwerpen de toevoerwegen naar Antwerpen één voor één afgesloten, met als technisch hoogtepunt een 730 meter lange brug van schepen dwars over de Schelde. Op 27 augustus op het kasteel van Beveren tekende de protestantse burgemeester Marnix van Sint-Aldegonde de overgave van de uitgehongerde stad.
De val van Antwerpen was de militaire bezegeling van de scheuring van de Nederlanden in een noordelijk en een zuidelijk deel, die al politiek vorm had gekregen in de Unie van Utrecht en de Unie van Atrecht. Het betekende ook de door Willem van Oranje ongewilde scheiding van de Nederlandse natie; de Vlamingen (behalve de Zeeuws-Vlamingen), de zuidelijke Brabanders en de inwoners van Opper-Gelre en Limburg zouden tot 1815 gescheiden blijven. Grote delen van de bevolking, vooral (protestantse) kooplui en intellectuelen vertrokken naar het Noorden, waar zij en hun nakomelingen in grote mate bijdroegen aan de zogenaamde "Gouden Eeuw" van de Noordelijke Nederlanden.
[bewerken] Engelse steun
Op 14 augustus 1585 weigerde de Engelse koningin Elizabeth de soevereiniteit over de Nederlanden te aanvaarden, omdat de relaties met Spanje toch al slecht genoeg waren, maar ze beloofde wel graaf van Leicester met een troepenmacht van 6000 man naar de Nederlanden te sturen. Leicester kwam in december 1585 in Vlissingen aan. Even voordien, in november 1585, was Willem van Oranjes tweede zoon, prins Maurits, op 18-jarige leeftijd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. Op 4 februari 1586 liet Leicester zich uitroepen tot landvoogd en kapitein-generaal van de Nederlanden, maar Elizabeth gelastte hem die titel op te geven omdat zij de al aan de gang zijnde Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) niet verder wilde laten escaleren. Vanaf februari 1586 regelde Johan van Oldenbarnevelt, landsadvocaat van Holland, de interne zaken binnen de Unie van Utrecht; graaf Leicester behield de leiding over de militaire operaties. Maar de Engelse militaire steun was halfslachtig: twee Engelse officieren, William Stanley en Rowland York, gaven Deventer en de schans voor Zutphen over aan de Spanjaarden. Ook Sluis viel in Spaanse handen, al kon prins Maurits, met zijn eerste krijgsdaad, Axel op 17 juli 1586 op de Spanjaarden veroveren. Leicester bleek echter op last van koningin Elizabeth op een vrede met Spanje aan te sturen. In december 1587 werd hij gedwongen te vertrekken.
Maurits en Van Oldenbarnevelt besloten na de debacles met de Franse en Engelse hulp geen pogingen meer te ondernemen om een soevereine vorst voor de Nederlanden te vinden. In de Justificatie of Deductie werd bepaald dat de politieke macht bij de Staten-Generaal zou komen te liggen. Daarmee waren zonder formeel besluit de Verenigde Provinciën geboren. Het was een nieuw fenomeen dat een land bestuurd werd zonder vorst.
Mede als reactie op deze halfslachtige Engelse inmenging besloot Filips II niettemin een invasievloot te sturen, om eindelijk de volgens hem illegitieme koningin Elizabeth van de troon te stoten en daarna definitief met de opstandelingen in de Nederlanden af te rekenen. Hoewel admiraal hertog van Medina Sidonia geen maritieme ervaring had, werd de vloot vanwege haar omvang als onoverwinnelijk beschouwd. De oorlogsvloot, armada invencible (gewapende onoverwinnelijke) of kortweg Armada genaamd, was 130 schepen en 30.000 man (waarvan 20.000 soldaten) groot. Er moesten voor de invasie ook troepen van Parma uit Vlaanderen worden opgehaald en over het Nauw van Calais gezet. De mega-operatie liep echter op een drama uit voor de Spanjaarden: in juli 1588 werd al een deel van de armada bij Grevelingen, tussen Calais en Duinkerken, zwaar toegetakeld door de beter manoeuvreerbare Engelse schepen, waarbij ook 30 Nederlandse 'kromstevens' betrokken waren. Daarna draaide ook nog de wind ongunstig voor een invasie in Engeland. De overgebleven schepen moesten, achtervolgd door de Engelsen, om Schotland en Ierland terug naar Spanje, maar door stormen en stromingen verging nogmaals een groot aantal schepen. Minder dan de helft van de vloot keerde terug in Spanje. De hertog van Parma kreeg de schuld van deze nederlaag.
[bewerken] Tien jaren
Na de nodige tegenslagen volgde een periode waarin de situatie voor de Republiek sterk verbeterde, door Fruin de Tien jaren genoemd. De Nederlandse Opstand ontwikkelde van vrijwel hopeloos in 1588 tot vrijwel gewonnen in 1598. Deels was deze ontwikkeling toe te schrijven aan internationale factoren zoals de Spaanse inmenging in de Franse Hugenotenoorlogen, deels echter ook aan de politieke bekwaamheid van Johan van Oldenbarnevelt en de militaire bekwaamheid van Maurits van Nassau.
De hertog van Parma kreeg van Filips II opdracht naar Parijs op te rukken, om te voorkomen dat Parijs in handen van de protestanten zou vallen. Op 19 september 1590 trok de hertog van Parma Parijs binnen. Deze ontwikkeling gaf prins Maurits, die inmiddels ook stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijssel was geworden, de mogelijkheid het leger te reorganiseren. Zijn neef Willem Lodewijk was stadhouder van Friesland geworden, en samen slaagden ze erin een goed leger op de been te krijgen.
De jonge republiek boekte hierop een reeks militaire successen. In 1590 werd Breda veroverd door troepen via een turfschip de stad binnen te smokkelen. In 1591 begon Maurits een veldtocht waarmee hij met name steden in het oosten van het land belegerde. Hij veroverde achtereenvolgens Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen. In 1592 werden in het noorden Steenwijk en Coevorden heroverd, in 1593 het Brabantse Geertruidenberg, in 1594 vond de 'reductie' van het hele gewest Groningen plaats en in 1597 werden in het oosten Grol en Bredevoort ingenomen.
Inmiddels was de hertog van Parma overleden op 6 december 1592. In het katholieke Zuiden volgde daarop een periode met niet minder dan 40 muiterijen. Omdat Filips II ook zijn eigen einde voelde naderen, liet hij zijn dochter Isabella trouwen met haar neef Albertus van Oostenrijk om samen over de Nederlanden te regeren. In 1598 werd door Spanje een poging ondernomen om de gewesten te verenigen, maar de Noordelijken kwamen niet opdagen bij de Statenvergadering in Brussel.
In datzelfde jaar overleed Filips II en werd opgevolgd door zijn niet al te bekwame zoon Filips III. De Spaanse macht was over zijn hoogtepunt heen.
[bewerken] Elf jaren strijd
Na de Negen jaren van Parma in Spaans voordeel, gevolgd door Tien jaren waarin Maurits en Willem Lodewijk het tij van de oorlog keerden, kwamen de 'Elf jaren', waarin noch de staatsen, noch de Spanjaarden de overhand wisten te krijgen. De beide kampen hadden wisselend succes, en na elf jaren vergeefs geprobeerd te hebben de ander te overwinnen, kwam men in 1609 het Twaalfjarig Bestand overeen.
[bewerken] Slag bij Nieuwpoort
In juni 1600 besloten de (Noordelijke) Staten-Generaal, waar Johan van Oldenbarnevelt grote invloed had, dat Duinkerke aan de Vlaamse kust moest worden ingenomen; het was een uitvalsbasis van de Duinkerker Kapers, die de handelsvloot regelmatig grote schade toebrachten. Prins Maurits was, evenals Willem Lodewijk, fel tegen deze aanval diep in vijandelijk gebied, maar hij ging toch omdat het hem bevolen was. Bij het beleg van Nieuwpoort onderweg naar Duinkerke werd het leger van de prins bijna verrast door een Spaans ontzettingsleger op het strand bij Nieuwpoort. De daarop volgende Slag bij Nieuwpoort werd gewonnen door de prins dankzij bekwaam achterwaarts manoeuvreren met zijn mobiele artillerie, die zodoende een ramp voor de Republiek voorkwam, maar het leger was dermate verzwakt, dat Duinkerke toen buiten bereik was; na 11 dagen vergeefs beleg van Nieuwpoort werd het risico van de komst van een nieuw ontzettingsleger te groot geacht; Maurits keerde terug naar huis. De verstandhouding tussen de politieke leider Van Oldenbarnevelt en de jonge militaire leider prins Maurits was van toen af behoorlijk verstoord.
De Spaanse legers werden inmiddels aangevoerd door Ambrogio Spinola, een kundig veldheer. Allereerst probeerde hij Oostende te veroveren. Het beleg van Oostende was kostbaar en langdurig, want vanuit zee kon de stad steeds bevoorraad worden. Pas na drie jaar werd de stad in 1604 ingenomen. Volkomen onverwacht viel hij de Achterhoek binnen: de steden Lochem, Rijnberk en Groenlo werden door hem heroverd, net als de Twentse stad Oldenzaal.
[bewerken] Slag bij Gibraltar
Op zee had de Republiek echter weinig meer te vrezen van Spanje. Op 25 april 1607 vernielden Nederlandse oorlogsschepen onder leiding van Jacob van Heemskerck een Spaanse vloot, nog gedeeltelijk in aanbouw in de haven van Cádiz. Deze zeeslag staat bekend als de Slag bij Gibraltar.
Dit succes voor de Republiek leidde na buitenlandse bemiddeling tot vredesbesprekingen in Den Haag. Spinola zelf kwam hiervoor naar Den Haag. Er kon geen overeenstemming worden bereikt over definitieve vrede, maar wel werd op 9 april 1609 in Antwerpen besloten tot een bestand, dat uiteindelijk twaalf jaar zou duren. Maurits was hier zeer op tegen omdat volgens hem de Spanjaarden hun leger weer kon herstellen en opnieuw op kon bouwen.
[bewerken] Twaalfjarig Bestand
Tijdens dit Twaalfjarig Bestand ontstond er nieuwe godsdienstige en politieke verdeeldheid binnen de Republiek. Volgelingen van de geestelijke Jacobus Arminius (de remonstranten) kregen een conflict met de volgelingen van Franciscus Gomarus (de contra-remonstranten). Behalve een godsdienstig meningsverschil (de remonstranten kenden een grotere rol toe aan de vrije wil van de mens), speelde er vooral een politiek conflict. De remonstranten waren meer republikeins dan de contra-remonstranten, die meer zagen in een sterke positie van het Huis van Oranje. Johan van Oldenbarnevelt koos partij voor de remonstranten. Doordat prins Maurits koos (uiteraard) voor de contra-remonstranten dreigde er zelfs even een burgeroorlog.
Prins Maurits wist tijdens het Twaalfjarig Bestand het gezag in te perken van de 'regenten', een informele, niet strikt erfelijke hogere laag van de bevolking die de invloedrijke functies bekleedden. Dit kwam onder meer doordat steeds meer burgers van buiten de regentenklasse kapitalen verdienden met de handel. Op 4 augustus 1617 begon het conflict te escaleren: de Staten van Holland namen de Scherpe Resolutie aan, waarin de steden de vrijheid kregen op te treden tegen de contra-remonstranten. Deze resolutie pakte echter averechts uit: prins Maurits liet de grijze eminentie Van Oldenbarnevelt en anderen op 28 augustus 1618 tot hun verbazing arresteren en beschuldigde hen van landverraad. Johan van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd.
In 1620 overleed Willem Lodewijk, op dat moment stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir.
[bewerken] Hervatting van de strijd
[bewerken] Maurits' laatste jaren
In 1621 overleed Albertus van Oostenrijk. Omdat zijn huwelijk met Isabella kinderloos was gebleven, kwamen de Zuidelijke Nederlanden weer onder Spaans bestuur. Isabella bleef wel landvoogdes, maar kon niet voorkomen dat de strijd tussen de Spaanse troepen en de Republiek weer oplaaide. Het eerste nieuwe gevecht was het tweede beleg van Bergen-op-Zoom door de Spanjaarden in 1622 dat door Maurits' bekwame optreden niet werd ingenomen.
Na de hervatting verliep de strijd aanvankelijk niet gunstig voor de Republiek. In 1625 veroverde Spinola Breda. Op 23 april van datzelfde jaar overleed prins Maurits.
[bewerken] Frederik Hendrik
Maurits werd opgevolgd door zijn broer Frederik Hendrik. Vanaf 1626 begon Frederik Hendrik samen met Ernst Casimir met een veldtocht, waarin hij verschillende successen boekte. Zo werden de inmiddels door de katholieke Contrareformatie stevig beïnvloede steden Oldenzaal (1626) en Groenlo (1627) heroverd. In 1628 veroverde de kaper Piet Hein in de Baai van Matanzas in naam van de Republiek een Spaanse Zilvervloot, die tot op de dag van vandaag nog bezongen wordt; plotseling was er geld in overvloed.
Een jaar na de verovering van de Zilvervloot sloeg Frederik Hendrik het Beleg van 's-Hertogenbosch. In een poging de troepen weg te lokken probeerden de Spaanse troepen onder leiding van Ernst van Montecuculi Amersfoort en de Veluwe in te nemen. Dit mislukte echter na een staatse aanval op een Spaans voedseldepot, waarna 's-Hertogenbosch zich overgaf.
Hierna kwam steeds meer gebied in handen van de Republiek. In 1632 liepen hoge Zuid-Nederlandse edelen over, waarna Frederik Hendrik zijn Veldtocht langs de Maas begon, waarin hij vrijwel probleemloos Roermond en Venlo in kon nemen. Maastricht werd na een belegering in datzelfde jaar ingenomen. Ernst Casimir overleed bij het beleg van Roermond; hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir I.
[bewerken] Vredespogingen en bondgenootschap met Frankrijk
Landvoogdes Isabella probeerde in 1633 op eigen gezag (zonder de koning in Madrid te raadplegen) vrede te sluiten met de Republiek door rechtstreekse onderhandelingen met de Republiek aan te gaan. De onderhandelingen liepen echter op niets uit. Isabella overleed nog datzelfde jaar. Een jaar later, op 4 november 1634, werd Ferdinand van Oostenrijk (Don Ferdinand) de nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Don Ferdinand ging voortvarend te werk en veroverde in 1635 de steden Sierck-les-Bains en Trier. Hierop verklaarde Frankrijk Spanje de oorlog. De Franse troepen versloegen de Spanjaarden in de Slag bij les Avins. Samen met het leger van de Republiek veroverden ze enkele steden in de Zuidelijke Nederlanden, waaronder Tienen, Diest en Aarschot. Op 8 februari 1635 formuleerden kardinaal Richelieu namens Frankrijk en Frederik Hendrik namens de Republiek een verdrag om de Waalse Nederlanden bij Frankrijk en de Vlaamse Nederlanden bij de Republiek te voegen. Dit verdrag werd echter niet van kracht omdat Frederik Hendrik zich terug trok uit argwaan. Het gevolg van deze opdeling van de Spaanse Nederlanden zou immers zijn dat de jonge Republiek direct aan het machtige Frankrijk grensde. De gezamenlijke troepen van Frankrijk en Nederland misdroegen zich bovendien zo, dat de publieke opinie in sommige van de Zuidelijke Nederlanden zich fel tegen de Republiek keerde. Het beleg van de katholieke universiteitsstad Leuven mislukte. Opnieuw vonden in 1636 vredesonderhandelingen plaats, maar opnieuw zonder resultaat.
[bewerken] Spaans tegenoffensief
In 1637 werd het leger van Frederik Hendrik verslagen bij het Zeeuws-Vlaamse Hulst, waarna hij Breda belegerde. Don Ferdinand begon een campagne in Limburg en veroverde op 7 augustus 1637 Venlo en op 4 september Roermond. Ook heroverde hij enkele steden op de Fransen. Hij kon echter niet voorkomen dat Breda werd ingenomen door Frederik Hendrik. Op 20 juni 1638 probeerde een leger onder leiding van Willem van Nassau Antwerpen te veroveren: het leger werd echter door de Spanjaarden verpletterend verslagen in de slag bij Kallo of Calloo.
De Spanjaarden ondernamen vervolgens een tweede poging om met een armada de zeemacht van de Republiek te breken. Op deze tweede armada behaalde Maarten Harpertsz. Tromp vermoedelijk zijn grootste overwinning, in de Slag bij Duins, vlak onder de Engelse zuidkust. In 1640 werd het Zeeuws-Vlaamse Hulst alsnog veroverd op de Spanjaarden. Hendrik Casimir I sneuvelde echter bij de slag. Hij werd door zijn broer Willem Frederik opgevolgd als stadhouder van de noordelijke gewesten. Ook op een ander front leed Spanje een gevoelige nederlaag: Portugal werd onafhankelijk.
[bewerken] Ingesloten tussen Republiek en Frankrijk
Don Ferdinand werd in 1641 vervangen door Francisco de Melo als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. In datzelfde jaar nam Frederik Hendrik Gennep in. Francisco de Melo richtte zich aanvankelijk op de strijd tegen de Franse troepen. In 1642 maakte hij grote delen van de Franse gebiedswinsten ongedaan en hij behaalde grote overwinningen. De Republiek vocht in dat jaar nauwelijks, maar een aanbod tot onderhandelingen over vrede werd door Frederik Hendrik afgewezen. Na zijn aanvankelijke successen tegen de Fransen, werd Francisco de Melo op 16 mei 1643 echter vernietigend verslagen bij Rocroi: voor hem het begin van het einde van zijn loopbaan. Op 20 september 1644 werd hij opgevolgd door Manuel de Castel Rodrigo. Inmiddels hadden de Fransen Grevelingen (in het huidige Frans-Vlaanderen) veroverd op de Spanjaarden en had Frederik Hendrik Sas van Gent veroverd.
Door de opeenvolgende nederlagen tegen de Republiek en ook in de Dertigjarige Oorlog en door de interne spanningen nam de kracht van het Spaanse leger snel af. In 1645 veroverden de Fransen enkele steden en herwon Frederik Hendrik Hulst. In 1646 sloeg Frederik Hendrik opnieuw het beleg van Antwerpen: de Fransen konden daardoor enkele steden in het zuiden veroveren, waaronder Duinkerke en Kortrijk. Het beleg van Antwerpen werd de laatste militaire operatie voor Frederik Hendrik: in 1647 kwam hij te overlijden op 63-jarige leeftijd; zijn gezondheid was al geruime tijd achteruitgegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon stadhouder Willem II. Landvoogd van de zuidelijke Nederlanden werd aartshertog Leopold van Oostenrijk.
[bewerken] Vrede van Münster
Inmiddels was het oorlog in grote delen van Europa, de Dertigjarige Oorlog. In 1641 begonnen vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen in deze oorlog. Afgesproken werd dat in Münster en Osnabrück onderhandeld zou worden. Hoewel de Republiek niet meevocht in de Dertigjarige Oorlog, werd besloten de Republiek toch uit te nodigen bij de vredesonderhandelingen. Door de oorlog tegen Spanje was de Republiek te veel een partij geworden. Via Frankrijk ontving de Republiek een uitnodiging.
Hoewel er rond die tijd enorme militaire successen werden geboekt, was er binnen de Republiek steeds meer sprake van een vredesstemming. De langdurige oorlog kostte veel geld en mensenlevens. Alleen de provincies Holland, Zeeland en Utrecht, en de stad Leiden, bleven tot het einde toe voorstander van de oorlog.
De Republiek slaagde erin als volwaardige staat aan de onderhandelingen mee te mogen doen: zelfs Spanje stemde hiermee in. In januari 1646 kwamen 8 vertegenwoordigers van de Staten aan in Münster om te onderhandelen met de Spanjaarden over vrede. De onderhandelingen zouden plaatsvinden in het Huis van het Kramersgilde, tegenwoordig het Haus der Niederlande genoemd. De Spaanse onderhandelaars hadden uitgebreide volmachten meegekregen van koning Filips IV, die al jaren vrede zocht. Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek en Spanje het snel eens: de tekst van het Twaalfjarig bestand werd als uitgangspunt genomen en de Republiek werd door Spanje als soevereine staat erkend. De vrede leek snel nabij. Frankrijk gooide echter roet in het eten door steeds met nieuwe eisen te komen. De Staten besloten hierop buiten Frankrijk om vrede te sluiten met Spanje. Op 30 januari 1648 werd de vredestekst vastgesteld. Deze werd ter ondertekening naar Den Haag en Madrid gestuurd. Op 15 mei werd de vrede definitief getekend.
[bewerken] De vluchtelingenstroom uit Vlaanderen
Zoals steeds in tijden van oorlog had de burgerbevolking het meest te lijden onder de voortdurende vijandelijkheden. Vooral de Zuidelijke Nederlanden waren het toneel van talloze onlusten en plunderingen tijden de Spaanse herovering onder de landvoogden Alva en Farnese. Dat vertaalde zich in een verbijsterende terugloop van de bevolking. Van de ongeveer 18.000 mensen die in 1566 in Hondschote woonden, 'het meest ketterse nest van Vlaanderen', bleven er twintig jaar later nog maar 385 over. De Leuvense bevolking daalde in die periode van 17.000 tot 9700. Antwerpen, een handelscentrum van wereldformaat, met 90.000 inwoners in 1566, hield er in 1589 nog 42.000 over. Op het platteland was de toestand nog hachelijker. In enkele streken daalde de populatie met 80 procent. Een deel van de bevolking werd afgeslacht door Spanjaarden of rebellen. Nog veel meer mensen kwamen om door ziekte en ellende. Anderen ontvluchtten het oorlogsgeweld.
De emigratie kwam al rond 1540 op gang; het waren vooral protestanten die naar Engeland en Duitsland uitweken om aan de geloofsvervolging te ontkomen. Een eerste exodus op grote schaal vond plaats tussen 1567 en 1573. Zo'n 50.000 mensen vluchtten voor het schrikbewind van Alva. Ook nu trokken de Vlamingen grotendeels naar Engeland, terwijl de Brabanders en de Walen zich vooral in de Duitse gebieden vestigden. Later kwamen de meeste van die emigranten in de republiek terecht.
Een tweede piekmoment was de periode tussen 1577 en 1589, toen Farnese de grote steden één voor één onderwierp en het grondgebied van de jonge Republiek reduceerde tot Zeeland, Utrecht, Holland en Friesland. Opnieuw ontvluchtten tienduizenden mensen het oorlogsgeweld en de repressie, deze keer voornamelijk naar de vrije provincies in het noorden.
In het begin van de 17e eeuw woonden er niet minder dan 150.000 Zuid-Nederlanders in de Republiek, zo'n 10 procent van de bevolking. Vooral in de steden waren ze prominent aanwezig. In 1622 was 67 procent van de Leidenaars van Zuid-Nederlandse afkomst. In Rotterdam was dat 40 procent en in Amsterdam 33 procent.
Het aandeel van de massa immigranten bij de opbouw van de Republiek was enorm. Ze hebben als schoolmeesters en predikanten, schilders en schrijvers, geleerden en drukkers een moeilijk te overschatten bijdrage geleverd aan de Nederlandse cultuur. Figuren zoals de cartograaf Jodocus Hondius, de dichter Joost van den Vondel, de schilder Frans Hals, de geleerde ingenieur Simon Stevin, de drukker Lodewijk Elsevier waren stuk voor stuk immigranten of kinderen daarvan. Amsterdam dat daarvoor een provinciaal nest was geweest, groeide door de inwijking van Antwerpse kooplieden uit tot een economisch en financieel zwaargewicht. De Oost-Indische Compagnie, waaraan de republiek haar welvaart dankte, was een Zuid-Nederlandse idee. De West-Indische Compagnie, die zich vooral toelegde op de exploitatie van de koloniën in Zuid- en Noord-Amerika, was het geesteskind van de Antwerpenaar Usselincx en van Johan vander Veecken uit Mechelen. Vander Veecken was met zijn fortuin van zeshonderdduizend gulden de rijkste koopman van Rotterdam.
Minstens even belangrijk was de inbreng van de naamloze arbeiders die onder meer de kwijnende lakennijverheid in Leiden nieuw leven inbliezen. Rond 1650 was Leiden de grootste textielproducent ter wereld. De integratie van de nieuwelingen verliep niet altijd even vlot. De Noord-Nederlandse - 'hersenloze Hollandse boerenkinkels' volgens de Brabanders - ergerden zich mateloos aan de arrogantie en de flamboyante levensstijl van de zuiderlingen. Sommigen hielden aan die cultuurschok zelfs een pijnlijk minderwaardigheidsgevoel over. Zoals P.C. Hooft, die zich in 1611 vertwijfeld afvroeg of 'het soms een gebrek of een vervloeking was als Hollander geboren te zijn'. Na 1630 gingen de immigranten geleidelijk op in de inheemse bevolking.
[bewerken] Latere visie op de Tachtigjarige Oorlog
De naam "Tachtigjarige Oorlog" werd voor het eerst gebruikt in de 19e eeuw. Tot die tijd werd vooral gesproken van De Opstand of De Nederlandse Opstand. De naam "Opstand" slaat vooral op de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog, toen de Republiek nog niet bestond. In een recente studie spreekt onder meer Arie van Deursen over De Opstand van 1572-1584. Door allerlei geschiedkundigen is de Opstand verschillend beoordeeld. De discussie over de opstand tegen Spanje gaat tot op de dag van vandaag voort.
Bronnen, noten en/of referenties:
Noten
- ↑ Sommigen zien de Slag bij Oosterweel in 1567 als het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Meestal wordt echter de Slag bij Heiligerlee in 1568 als "officieel" startpunt van de oorlog gezien.
- ↑ dutchrevolt, Willem van Oranje roept op tot verzet
- ↑ Mehmet Bulut. Ottoman-Dutch Economic Relations in the Early Modern Period 1571-1699, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2001
Literatuur
- Groenveld, S. ... [et al.]. De Tachtigjarige Oorlog : opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650) / Zutphen : Walburg Pers, cop. 2008. - 432 p. : ill. ; 31 cm. Oorspr. uitg. in 2 dl. o.d.t.: De kogel door de kerk? : de opstand in de Nederlanden 1559-1609. - 1983, en De bruid in de schuit : de consolidatie van de Republiek 1609-1650. - 1985. - Met index, lit. opg. ISBN 90-5730-537-2 geb. ISBN 978-90-5730-537-5 geb.
- Deursen, A. Th. De last van veel geluk. Geschiedenis van Nederland 1555-1702 ISBN 9035126270 (eerste uitgave 2004)
- Fruin, R. Het voorspel van de 80-jarige oorlog (eerste uitgave 1859)
- Fruin, R. Tien Jaren uit de 80-jarige oorlog 1588-1598 (eerste uitgave 1857)
- Graaf, R. de, Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648 ISBN 9051942729 (eerste uitgave november 2004)
- Israel, J.I. De Republiek 1477-1806, Franeker 1996 (vertaling van The Dutch Republic: its rise, greatness and fall 1477-1806, Oxford 1995)
- Presser, J. e.a. De Tachtigjarige oorlog ISBN 9010013070 (niet geldig) (eerste uitgave 1941, maar niet onder de naam Presser i.v.m. zijn Jood-zijn)
- De Tachtigjarige Oorlog, Universiteit Leiden

