Tachtigjarige Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tachtigjarige Oorlog
Slag bij Heiligerlee
Slag bij Heiligerlee
Datum 1568[1]-1648
Locatie Europa: Nederlanden, Gibraltar
Resultaat onafhankelijkheid Noordelijke Nederlanden
Territoriale
veranderingen
ontstaan van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden
Verdrag Vrede van Münster
Strijdende partijen
Prinsenvlag.svg Nederlandse Opstandelingen Flag of Cross of Burgundy.svg Spaanse Rijk
Portaal  Portaalicoon   Tachtigjarige Oorlog
Geschiedenis van België

Tijdlijn - Bibliografie


..Naar voormalige koloniën

Portaal  Portaalicoon  België
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Geschiedenis van Nederland

Tijdlijn - Bibliografie



Portaal  Portaalicoon  Nederland
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Tachtigjarige Oorlog, in de modernere geschiedschrijving ook De Opstand of de Nederlandse Opstand genoemd, is de naam voor een opstand en strijd in de Nederlanden (1568[1]- 1648, met een Twaalfjarig Bestand in de jaren 1609 - 1621).

De oorlog begon als opstand in een van de rijkste gebieden van Europa, de Nederlanden, tegen het machtigste rijk in Europa, het Spaanse Rijk onder koning Filips II. Aanvankelijk trokken de uit Zeventien Provinciën bestaande Lage Landen meestal gezamenlijk op, om een combinatie van religieuze, bestuursrechtelijke en fiscale redenen.

Na 1576 groeiden de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden steeds meer uit elkaar, vooral omdat de protestantse Reformatie in het noordelijke deel dieper wortel had geschoten dan in het zuidelijke deel, waar (in Brussel) het machtscentrum van de (katholieke) Habsburgse bestuurders in de Lage Landen lag. De 'Val van Antwerpen' in 1585 wordt vaak gezien als aanleiding tot de definitieve scheiding van noord en zuid. Tijdens de oorlog ontstond in 1588 de noordelijke Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waar het calvinisme de toon aangaf. De Zuidelijke Nederlanden bleven onder het bewind van een landvoogd die door de koning van Spanje benoemd werd. Het katholicisme bleef daar de enige toegestane godsdienst.

De eerste twintig jaar van de oorlog was de situatie voor de opstandelingen vaak somber of wanhopig, maar rond 1590 keerde het tij definitief ten gunste van de Republiek. De imperial overstretch van het Spaanse Rijk, de bekwame militaire leiding van prins Maurits van Oranje en de maritieme expansie van de Nederlanden, veelal ten koste van het Spaanse koloniale rijk, maakten de uiteindelijke triomf mogelijk voor de Republiek, die zich ontwikkelde tot een wereldmacht. De 17e eeuw wordt beschouwd als de Gouden Eeuw voor de Republiek op economisch, wetenschappelijk en cultureel gebied. Voor de calvinisten was het ook de tijd waarin hun politieke invloed groter dan ooit ervoor of erna was en de nauwe band met het Huis van Oranje ontstond.

Aanloop[bewerken]

Particularisme[bewerken]

In groen: het Habsburgse Rijk onder Karel V.

Al in de 15e eeuw had de centralisatiepolitiek van de Bourgondische hertogen weerstand ondervonden van het stedelijk particularisme. Dit had vooral in Vlaanderen geleid tot opstanden, zoals de Vlaamse Opstand tegen Maximiliaan van 1482 tot 1492. De vader van Maximiliaan, keizer Frederik III, stuurde Duitse troepen naar Gent en Brugge, maar hierdoor sloten Brabant en de Hoeken zich aan bij de Vlamingen. Jan III van Egmont dwong echter in juni 1489 Rotterdam tot overgave en in juli 1492 gaf Gent zich over aan Albrecht van Saksen.

Naast landsheer van de Habsburgse Nederlanden was Karel V echter ook keizer van het Heilige Roomse Rijk. In die hoedanigheid kwam hij door zijn expansiepolitiek in conflict met Frans I van Frankrijk. Deze Italiaanse Oorlogen zorgden voor een toenemende belastingdruk op de rijke Nederlanden, vooral Vlaanderen. In de periode 1552 - 1556 steeg de rente in Antwerpen hierdoor bijvoorbeeld tot 48,8%, wat de economie van de Nederlanden ondermijnde. Door deze druk van het imperium kwam Gent daarvoor al in opstand, maar in 1540 wist Karel V de Gentse Opstand neer te slaan, waarna de privileges van de stad ontnomen werden, wat voor de andere steden een voldoende waarschuwing was.

De oorlogen met Frankrijk werden ook uitgevochten op het grondgebied van de Nederlanden. De Gelderse Oorlogen werden mede hierdoor gevoerd met steun van de Fransen. Dit zorgde er voor dat de Hollandse schepen constant gekonvooieerd moesten worden door de samenwerking tussen Karel van Gelre en de Fries Grote Pier. Deze methode van kaapvaart werd later voortgezet door de watergeuzen.

Ter bescherming tegen invallen van de hertog van Gelre onderwierp het Sticht Utrecht (ruwweg de huidige provincies Utrecht en Overijssel omvattend) zich in 1528 en Groningen en Drenthe in 1536 aan Karel V. Ten slotte wist Karel V na afloop van de Gelderse Oorlogen in 1543 ook Gelre onderdeel te maken van de Habsburgse Nederlanden. Ondanks de tegenstribbelingen leek het tot één geheel smeden van de Nederlanden succes te hebben en in 1548 kon dit middels de Transactie van Augsburg geconsolideerd worden. Alle Zeventien Provinciën werden toen opgenomen in de Bourgondische Kreits en kregen als zodanig vergaande onafhankelijkheid binnen het Heilige Roomse Rijk.

Religie[bewerken]

Martin Luther 2.jpg Calvinus.jpg
Luther Calvijn

Aan het eind van de 14e eeuw kwam de Moderne Devotie op. Dit was een spirituele beweging binnen de middeleeuwse kerk die de nadruk legde op de innerlijke ontwikkeling van het individu. De beweging ontstond door ontevredenheid over de misstanden in de kerk. Het begin lag in de IJsselstreek, van daar uit verspreidde ze zich via handelssteden als Deventer en Zwolle over de hele wereld van de Hanze, met name in het noorden en oosten van Duitsland. De Moderne Devotie zorgde voor een verandering in denken. Dit creëerde een voedingsbodem voor het bijbels humanisme - in navolging van de humanisten uit Italië - en de Reformatie, die allereerst vaste voet aan de grond kreeg in Duitsland (Saksen). Als reactie op de Reformatie ontstond de Contrareformatie.

Het gedachtegoed van de Reformatie verspreidde zich aanvankelijk eerst door de meest verstedelijkte delen van de Nederlanden, waaronder Doornik en Valencijn, vanwaar het zich al snel verspreidde naar Antwerpen. In 1521 werd Luther in de kerkelijke ban gedaan, waarna hij na de Rijksdag van Worms in de rijksban gedaan werd. In 1523 vonden de eerste ketterverbrandingen in de Nederlanden plaats toen de augustijner monniken, Jan van Essen en Hendrik Voes, op de Grote Markt van Brussel terecht werden gesteld. Zij hadden in Antwerpen het woord van Luther verspreid.

Ook in Duitsland vonden naar aanleiding van de Reformatie schermutselingen plaats. Dit leidde tot de oprichting van het Schmalkaldisch Verbond in 1531, waarin Duitse protestantse vorsten ijverden voor de erkenning van de nieuwe Duitse godsdienst, het lutheranisme. Hoewel dit aanvankelijk succesvol leek, wist de keizer in 1541 landgraaf Filips I van Hessen voor zich te winnen en later ook hertog Maurits van Saksen. Omdat het Schmalkaldisch Verbond nu verlamd was, besloot de keizer het religievraagstuk met geweld op te lossen en voerde in 1546 en 1547, verbonden met de paus, Beieren en enkele protestantse vorsten de Schmalkaldische Oorlog, die het Verbond verloor. Evenwel werd in 1555 de Godsdienstvrede van Augsburg getekend, die uitging van het principe cuius regio, eius religio: van wie het land is, is ook de godsdienst. Dit hield in dat iedere rijksvorst besliste welke godsdienst in zijn gebied opgelegd werd en dat hij daarom ook de kerkgoederen mocht beheren. De godsdienstvrede maakte definitief en officieel een einde aan de geloofseenheid in het Heilige Roomse Rijk, waarvan feitelijk al enige tijd geen sprake meer was.

Hoewel de oorlog en de daaropvolgende vrede niet direct te maken hadden met de Nederlanden, werd hierdoor wel heel duidelijk dat het mogelijk was om af te wijken van het rooms-katholieke geloof. Vooral in de Zuidelijke Nederlanden kreeg het protestantisme naar de leer van Frans-Zwitserse theoloog Johannes Calvijn (calvinisme) een grote aanhang. Het lutheranisme, dat aanvankelijk sterker stond in het noorden en vooral het oosten van de Nederlanden, werd er in de tweede helft van de 16e eeuw door verdrongen.

In 1550 vaardigde Karel V in de Nederlanden het Bloedplakkaat uit. Hiermee werd het drukken, schrijven, verspreiden en bezitten van ketterse boeken en afbeeldingen, het bijwonen van ketterse bijeenkomsten, het prediken van een tegendraadse religie en het huisvesten van ketters, met de doodstraf en inbeslagname van alle goederen bestraft. Een derde van de vervolgden waren anabaptisten. Omdat ze zo sterk aan hun geloof vasthielden, wachtte hen de brandstapel.

De lokale machthebbers, zoals de adel en de stadsbesturen, bleven weliswaar overwegend katholiek, maar stonden een veel gematigder beleid voor om ongeregeldheden met de grote protestantse minderheid te voorkomen. Vooral in de gewesten ver van Brussel, sinds 1531 het regeringscentrum, werd de anti-ketterijwetgeving vrijwel niet uitgevoerd. Dit was bijvoorbeeld het geval in Friesland, waar na 1559 de wetgeving zelfs helemaal niet meer werd toegepast. In Groningen werd het Bloedplakkaat van 1550 niet eens afgekondigd. Maar ook in Amsterdam werd tussen 1553 en 1567 geen enkel doodvonnis uitgevoerd. In Vlaanderen echter wist de inquisiteur Pieter Titelmans vele ketters op te pakken om deze tot de doodstraf te laten veroordelen.

In 1559 vaardigde paus Paulus IV de bul Super universas uit waarin een nieuwe bisschoppelijke indeling van de Nederlanden werd beschreven. Dit was een bijzonder impopulair plan, omdat men verwachtte dat hiermee ook de al bekende inquisitie vervangen zou worden door de Spaanse Inquisitie. Hierover deden gruwelijke verhalen de ronde, die niet noodzakelijk waren gebaseerd op de realiteit, de zogenaamde zwarte legende, maar waarvan de geuzen wel profiteerden.

Constitutioneel probleem[bewerken]

Willem van Oranje, de invloedrijkste edelman in de Nederlanden.

De religieuze tegenstellingen legden het constitutionele probleem bloot: had de koning absolute macht, of moest hij samenwerken met de hoge adel en de Staten-Generaal? De stadhouders en de hoge adel hadden onder Karel V en zijn zuster, landvoogdes Maria van Hongarije, veel van hun macht moeten inleveren ten bate van ambtelijke juristen. Na het aantreden van Margaretha van Parma als landvoogdes richtte de hoge adel, onder anderen Van Oranje, Van Egmont en Van Horne, zich vooral tegen haar adviseur Granvelle. Op 23 juli 1561 schreven Van Oranje en Van Egmont hun eerste protestbrief aan Filips. Nadat er een jaar later geen verandering was opgetreden, sloten zij zich aaneen in de Liga tegen Granvelle. In 1563 sloot Horne zich aan bij de tweede protestbrief. In 1564 wisten ze Granvelle weg te werken, waarna hun invloed op de landvoogdes toenam. Hierna konden zij zich weer meer richten op de godsdienstkwesties.

Economie[bewerken]

Economisch waren er in die tijd grote problemen. De Spaanse staatsschuld was opgelopen van twee miljoen gulden in 1544 tot zeven miljoen in 1556. In 1557 schortte Filips II de rentebetalingen op. Dit was een van de eerste van een serie Spaanse staatsbankroeten en had als gevolg dat de Zuid-Duitse bankiers en Antwerpse kleine spaarders geruïneerd waren.

Vlaanderen en Artesië waren in deze tijd sterk geïndustrialiseerd, waarbij de lakennijverheid domineerde. Deze was sterk afhankelijk van de wolimport uit Engeland en blokkade hiervan zorgde direct voor een grote werkloosheid onder handelaren en ambachtslieden. In de eeuwen daarvoor had dit al geregeld voor opstanden gezorgd en ook nu was er weer een handelsoorlog met Engeland. Elizabeth I van Engeland had een uitvoerverbod afgekondigd, waardoor de Engelse wolstapel in 1563 uit Antwerpen was gehaald. Daarnaast viel door de zware winter in 1564 de oogst in Frankrijk en de Nederlanden tegen. Door de Zevenjarige Oorlog tussen Denemarken en Zweden werd eind april 1565 de Sont ook nog eens gesloten. Hoewel deze na twee maanden weer geopend werd onder druk van Polen - die op dat moment bondgenoot van Denemarken was en de handel op Danzig verstoord zag - zorgde de mede door speculaties gestegen graanprijs voor een hongersnood. Deze combinatie van economische malaise, particularisme en religieuze onderdrukking zorgde voor grote onlusten.

Machtsoverdracht[bewerken]

Met de Transactie van Augsburg van 1548 had Karel V de uitbreiding van zijn bezittingen in de Nederlanden bezegeld door de erkenning van de Zeventien Provinciën als Bourgondische Kreits binnen het Heilige Roomse Rijk. In 1549 had hij met de Pragmatieke Sanctie bepaald dat de Zeventien Provinciën steeds als één geheel overgeërfd moesten worden. In 1555 droeg Karel de regering van de Nederlanden over aan zijn zoon Filips II. De meeste vorsten bleven aan tot hun dood en mogelijk voorzag hij de oppositie tegen de onbekende Filips. Karel leunde bij deze plechtigheid op de schouder van Willem van Oranje.

Was het onder het gezag van Karel alleen in 1554 in Antwerpen tot onlusten gekomen, onder zijn zoon zou een einde komen aan de opgebouwde eenheid.

Begin van de opstand (1566-1576)[bewerken]

Smeekschrift der Edelen[bewerken]

Filips II, koning van Castilië en Aragon (Spanje) en heer der Nederlanden.

Nadat Filips II de onverkorte tenuitvoerlegging van de ketterplakkaten beval aan Margaretha in de brieven uit het bos van Segovia, verbond de lagere adel zich in 1565 in het Eedverbond der Edelen. Deze edelen boden in 1566 - het wonderjaar of hongerjaar - op 5 april de landvoogdes een smeekschrift aan om tot verzachting van de vervolgingen te komen. Bij die gelegenheid zou Karel van Berlaymont tegen Margaretha N'ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux (Wees niet bang mevrouw, het zijn slechts bedelaars) gezegd hebben, waarna de edelen dit overnamen als erenaam en geuzenpenningen en bedelnappen gingen dragen. De baron van Montigny, die in 1562 al als woordvoerder naar Spanje was afgereisd, bracht de boodschap, nu met de markies van Bergen op Zoom, naar de koning. Beiden overleden daar in gevangenschap, Montigny zeer waarschijnlijk door wurging.

Gedurende de tijd die nodig was om met Filips in Spanje te communiceren over het smeekschrift, schortte Margaretha van Parma de vervolgingen op, wat door de lokale bestuurders ruimer werd geïnterpreteerd dan zij bedoeld had. Naar aanleiding hiervan keerden gevluchte protestanten terug, waarna zij tussen mei en augustus begonnen met hagenpreken. Vanaf 10 augustus tot oktober vond de Beeldenstorm plaats, waarbij protestanten de katholieke kerken binnendrongen en de beelden en afbeeldingen van rooms-katholieke heiligen vernietigden. Op 20 augustus bereikte deze Antwerpen en twee dagen later Mechelen. De schutterijen in veel steden weigerden op de eigen burgers te schieten, wat zorgde voor een machtsprobleem voor de stadsbesturen, waarna Margaretha op 23 augustus de calvinistische erediensten weer toestond nadat het Eedverbond der Edelen had toegezegd zichzelf op te heffen. Van Egmont wist in zijn Vlaanderen de rust te herstellen, net als Van Oranje in Antwerpen. Op 3 oktober bespraken Van Oranje, Lodewijk van Nassau, Van Egmont en Van Horne in Dendermonde of zij de wapens op zouden nemen tegen de landvoogdes, maar Van Egmont weigerde zover te gaan, waarop Van Oranje afzag van verdere actie. Hendrik van Brederode wilde wel zover gaan en versterkte zijn bolwerk Vianen, terwijl de calvinistische bolwerken Doornik en Valencijn - waar veel Hugenoten naar waren gevlucht vanwege de Hugenotenoorlogen in Frankrijk - hun poorten sloten voor de regeringstroepen. Ook Amsterdam, Antwerpen, 's-Hertogenbosch en Maastricht werden door opstandelingen bezet.[2]

Eerste vijandelijkheden[bewerken]

Met de succesvolle belegering van het Henegouwse Valencijn werd de eerste opstand door Spanje gebroken.

Toen de calvinisten die Valencijn bezetten weigerden een regeringsregiment binnen de muren toe te laten, werden zij op 17 september 1566 door het regeringsleger tot rebel verklaard, wat op 14 december door de regering in Brussel werd bevestigd, terwijl de koninklijke troepen op 6 december reeds begonnen waren de stad te belegeren. Op 27 december 1566 werden Vlaamse calvinisten en geuzen, die trachtten Valencijn te ontzetten, uitgemoord in Wattrelos.

In januari 1567 werd Doornik door regeringstroepen belegerd en veroverd. Oranje, Horne en Brederode weigerden intussen opnieuw de eed van trouw af te leggen die Margaretha van alle Nederlandse edelen eiste. Op 13 maart verloren de geuzen onder leiding van Jan van Marnix de Slag bij Oosterweel, waarbij Willem van Oranje, die toen nog gouverneur van Antwerpen was, verbood hulp te bieden aan de geuzen en de stadspoorten sloot. Burgemeester Antoon van Stralen wist een dag later het oproer in Antwerpen te bedaren. Op 24 maart viel Valencijn, en toen de andere opstandige steden tegen mei ook heroverd waren op de rebellen, leek de opstand voorbij.[2] Op 15 april vertrok Willem van Oranje uit Breda naar zijn geboorteplaats, het Duitse Dillenburg, vanwaar hij later zelfs Alva zijn diensten aanbood.

Komst van de hertog van Alva[bewerken]

Titiaan: De hertog van Alva, Spaans legeraanvoerder, eerste helft 16e eeuw.

Filips II besloot dat de harde lijn gevolgd moest worden - ook om te voorkomen dat het voorbeeld gevolgd zou worden in de Spaanse gebieden in Italië - en op 29 november 1566 stelde hij de hertog van Alva aan als landvoogd van de Nederlanden om de opstand te beteugelen. De bijnaam van Alva was de ijzeren hertog[3], een naam die hij eer aandeed gezien zijn brute optreden.

Toen Alva in augustus 1567 in Brussel aankwam, was er door de tolerante politiek een goede kans dat de opstand zou bedaren. In plaats van de opstand te onderdrukken, was de legering van tienduizend vreemde troepen in de Vlaamse en Brabantse steden door Alva dan ook eerder een provocatie. Hij voerde meteen de drie opdrachten van Filips uit, namelijk de opstandelingen straffen, ervoor zorgen dat alleen het katholieke geloof in de Nederlanden beleden zou worden en centralisatie van het bestuur invoeren. In de praktijk kwam dit neer op een bestraffing van de Beeldenstormers, het instellen van nieuwe bisschoppen in bepaalde bisdommen en het doorvoeren van de besluiten van het Concilie van Trente.

Hij nodigde de edelen van de opstandige gebieden uit voor een gesprek. De meeste edelen doorzagen dat het een list was. Op 9 september werd de op de vlucht geslagen Antoon Van Stralen opgepakt en later ter dood veroordeeld. Een dag later werden Egmont en Horne gevangengenomen toen zij wel op kwamen dagen bij Alva. Later werden beiden, evenals Van Oranje, op beschuldiging van hoogverraad door de Raad van Beroerten ter dood veroordeeld. De laatste was inmiddels naar zijn slot in Dillenburg gevlucht. Nadat op 1 juni de eerste achttien edelen waren onthoofd op de Grote Markt van Brussel, volgden Horne en Egmont op 5 juni 1568, wat tot grote onrust onder de bevolking leidde.

Oranjes eerste invasie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oranjes eerste invasie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In 1568 probeerde Willem van Oranje, stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht, Alva te verdrijven uit Brussel. Het ging hier nadrukkelijk om een opstand tegen Alva en niet tegen de koning. Het vers uit het Wilhelmus, dat omstreeks deze tijd geschreven werd, herinnert hieraan: De koning van Hispanje heb ik altijd geëerd. Oranje en zijn bondgenoten deden dat jaar drie verschillende invallen. In april werd de Slag bij Dalheim door Jan van Montigny verloren. Maar de Slag bij Heiligerlee op 23 mei 1568 was de eerste overwinning van de troepen van Willem van Oranje (aangevoerd door Lodewijk van Nassau) op die van Alva.

Er was echter nog weinig steun voor Oranje - geen enkele stad verkoos zich aan te sluiten bij de opstand. Bovendien liet Alva op 5 juni de edelen Egmont en Horne onthoofden om het volk schrik aan te jagen, waarna hij naar het noorden trok en Lodewijk van Nassau versloeg in de Slag bij Jemmingen. Na deze nieuwe nederlaag deed Willem van Oranje in oktober zelf nog een inval, maar faalde om slag te leveren met Alva op het Lanakerveld, en bij Geldenaken werd Oranje uiteindelijk verpletterend verslagen. Dit beëindigde voorlopig zijn pogingen om de Nederlanden te bevrijden, terwijl Alva de orde herstelde.

Alva's maatregelen en de Geuzenplunderingen[bewerken]

Allegorie: Spanjaard bedreigt de Nederlandse maagd in de Tachtigjarige Oorlog, prent uit Johannes Gysius: Oorspronck ende voortgang der Neder-landtscher beroerten ende ellendicheden, 1616

Behalve de Raad van Beroerten voerde Alva ook belastingen in. De kosten van het bestuur en de verdediging van de Nederlanden werden namelijk voor een groot deel gefinancierd door Spanje, en Filips II wilde dat de Lage Landen deze kosten zelf gingen dragen. Onder dreiging van Alva stelden de provinciale staten voor om een aantal nieuwe belastingen in te voeren, zoals de Honderdste Penning, de Twintigste Penning en de controversiële Tiende Penning, die veel weerstand opwekte. De Watergeuzen, op dat moment een stel zeerovers met een kaperbrief van Willem van Oranje, profiteerden hiervan. Bij gebrek aan een eigen marine zag Willem in de Geuzen een nieuwe mogelijkheid de troepen van Alva te verslaan en verleende hun het recht zijn oranje-wit-blauwe vlag te voeren. Kaperij was in die tijd een gebruikelijke aanvulling van de maritieme macht van veel vorsten.

De watergeuzen zorgden voor de bevoorrading van de troepen tijdens de Slag bij Heiligerlee en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Bossu opdracht om schepen uit te rusten om tegen de geuzen op te trekken. Tijdens de eerste zeeslag van de opstand die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal François van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems. Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, broer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Lumbres uit Artesië als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Lumbres had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruikmaken van Engelse havens. Lumbres was geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval kwam men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.

In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte Boshuizen naar Dover.

Voor de tweede keer waren er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de Hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. Lumbres trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als Lumey.

De Geuzenopstand en Oranjes tweede invasie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geuzenopstand en Oranjes tweede invasie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.
De in 1572 door Geuzen en Oranjes huurlingen ingenomen steden.

Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Een van de gevolgen was de verovering van het stadje Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Lumey en Bloys van Treslong door de Noordpoort. Het wordt wel gezien als het begin van de opstand in de Nederlanden, maar voor Alva was het verlies van Vlissingen op 6 april schokkender. Op 14 april deed Willem van Oranje een oproep aan de inwoners van de Nederlanden om in verzet te komen tegen het bestuur van de hertog van Alva.[4] Hij had intussen zijn broer Lodewijk aangesteld tot leider van de geuzen. De bedoeling was dat de geuzen enkele steden innamen en dat tezelfdertijd een nieuw invasieleger de Nederlanden binnenviel. Eind mei 1572 vielen de steden Valencijn en Bergen in Henegouwen in handen van de Geuzen. Een maand later, juni 1572, sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. Later volgden de meeste steden in Holland en Zeeland. Middelburg, Goes en Amsterdam bleven trouw aan Alva. Brugge werd door de Geuzen wel aangevallen, maar ze slaagden er niet in de Vlaamse stad te veroveren. Bovendien zorgde de Bartholomeusnacht op 24 augustus te Parijs dat men voorlopig niet meer op Franse steun hoefde te rekenen. De zoon van Alva, Fadrique Álvarez de Toledo zet een tegenoffensief in. De steden Mechelen en Zutphen werden met harde hand heroverd. De innames gingen gepaard met zware mishandelingen, martelingen, verkrachtingen, grootschalige moord en brandstichting. De strafexpeditie bereikt een dieptepunt in het bloedbad van Naarden. Slechts zestig burgers zouden de slachtpartij hebben overleefd.[5] Alva en Don Frederik richtten zich vervolgens op de belegering van Haarlem, terwijl Willem van Oranje en de Watergeuzen Amsterdam blokkeerden in een poging om de Haarlemse belegering te breken. Er werd gevochten in Diemen, op de Zuiderzee en het Haarlemmermeer en bij Muiden.

Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de rebellen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat de watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Daarentegen vielen ze nu onder de magistraten van deze steden, die zorgden voor de financiering van de opstand. Op de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland - waarop Willem van Oranje werd bevestigd als stadhouder - werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden door hun gedrag. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd, dit alles tot woede van Willem van Oranje. Uiteindelijk liet hij Lumey ontslaan voor zijn aandeel in de moord op de Martelaren van Gorcum. Een gevolg van de terreur was dat er van een volksopstand al snel geen sprake meer was en katholieken steeds meer terugkeerden naar het Spaansgezinde kamp. Dit alles zorgde ervoor dat in 1573 de watergeuzen niet meer als één groep bestonden.

In een vergadering van de Staten van Holland werd nogmaals bevestigd dat Willem van Oranje stadhouder van de koning was. Nog altijd was de opstand alleen gericht tegen Alva en niet tegen het koninklijke gezag. Willem van den Bergh, een zwager van Willem van Oranje, veroverde ondertussen grote delen van Gelderland en het graafschap Zutphen en Overijssel, waaronder Doesburg, Bredevoort, Doetinchem, Zutphen, Harderwijk, Zwolle en Kampen. Ook Friesland schaarde zich geheel achter Oranje. Later dat jaar volgde nog de inname van steden als Mechelen, Dendermonde en Leuven.

Door Alva werd het verzet getypeerd als een opstand, niet als een oorlog. In 1572 berichtte Lodewijk van Nassau aan zijn broer Willem dat de hertog van Alva zeer verbaasd is ... dat de steden zo in opstand komen (les villes se revoltent ainsi). In brieven, kronieken en dagboeken uit die tijd wordt gesproken over verzet, afzwering van de landsheer enzovoorts.

Na de zes jaar durende harde lijn van Alva, bleek deze averechts gewerkt te hebben. De opstand was niet neergeslagen, maar de repressie had wel gezorgd voor een groeiende onvrede onder aanvankelijk nog gematigde onderdanen. In 1573 werd Alva dan ook teruggehaald naar Spanje. Hij werd op 17 oktober opgevolgd door de gematigder Requesens.

Externe invloed[bewerken]

"Liever Turks dan paaps". Penning in de vorm van de Turkse halve maan door Geuzen gedragen en symbool voor de calvinistische harde kern van de opstand tegen de rooms-katholieke landvoogd.

Voor het verloop van de Opstand was niet alleen de situatie in de Nederlanden van belang; Spanje stond in het Middellandse Zeegebied onder druk van het Ottomaanse Rijk, dat net als Spanje in die tijd op het hoogtepunt van zijn macht was. Een oude vriend van Willem van Oranje uit Antwerpen, de jood Josef Nasi, was adviseur geworden van de sultan in Istanboel.[6] Toen in 1566 de Beeldenstorm Antwerpen bereikte, stuurde Süleyman I in oktober een brief aan de vergadering te Antwerpen, waarin hij de opstandelingen financiële en militaire hulp aanbood, opdat zij samen tegen de Spanjaarden zouden strijden. Kort daarna stierf hij. De Turkse vlaggen van de Watergeuzen en hun geuzenpenningen met de tekst 'Liever Turks dan paaps', die zij ook vanaf het jaar 1566 droegen met een Turkse halve maan, verwijzen naar dit aanbod. In 1568 stuurde Willem van Oranje een delegatie naar de nieuwe sultan, Selim II, om de samenwerking voort te zetten. De Turken hadden op dat moment echter al hun krachten nodig tegen Ivan de Verschrikkelijke in de Russisch-Turkse Oorlog, die duurde tot 1570. In dat jaar wist Nasi met de hulp van Lala Kara Mustafa Pasha Selim te bewegen Cyprus te veroveren, tegen de wil van grootvizier Mehmet Sokollu in, de machtigste man aan het hof. Het Ottomaanse Rijk leed in 1571 een grote nederlaag in de slag bij Lepanto tegen de Heilige Liga, die bestond uit Spanje, de republiek Venetië, de Kerkelijke Staat, de republiek Genua, Savoye en de orde van Malta. Dat was echter geen definitieve nederlaag, want de Heilige Liga viel al in 1573 weer uiteen. In datzelfde jaar verloren de Venetianen Cyprus aan de Ottomanen. In 1574 heroverden de Ottomanen Tunis op de Spanjaarden. Het zou nog meer dan een eeuw duren voordat het Ottomaanse Rijk definitief tot de terugtocht werd gedwongen. De Ottomaanse druk verhinderde Spanje zich volledig te richten op het neerslaan van de opstand in de Nederlanden.

Mookerheide, Alkmaars en Leidens ontzet, vredesoverleg[bewerken]

Otto van Veen (1556-1629): Leidens ontzet nadat de stad vanaf 1573 een jaar lang werd belegerd door Spanje.

Vrijwel direct na hun nederlaag bij Alkmaar omsingelden de Spanjaarden Leiden. Tijdens dat beleg werd door de legers van de prins van Oranje Middelburg ingenomen (9 februari 1574). Ook werd wederom een vlootoverwinning op de Spanjaarden behaald, ditmaal op de Oosterschelde (zie Slag bij Vlissingen). De legers van de prins konden echter niets doen om Leiden te ontzetten. Lodewijk van Nassau probeerde met financiële steun van zijn broer Jan en de Fransen een Duits invasieleger op de been te brengen. Het Spaanse leger rondom Leiden gaf tijdelijk de omsingeling op, om het nieuwe leger tegen te houden. Op 14 april 1574 vond op de Mookerheide een slag plaats tussen het leger van Lodewijk van Nassau en het Spaanse leger. Lodewijk van Nassau en zijn broer Hendrik van Nassau sneuvelden.

De verslagenheid over de nederlaag op de Mookerheide en het sneuvelen van twee van Willems broers was groot. De Spanjaarden hervatten het beleg van Leiden. De Leidenaren weigerden zich over te geven, waarna opnieuw besloten werd de dijken door te steken. Na twee maanden, op 3 oktober 1574 stond het water rondom Leiden zo hoog dat de Spanjaarden hun beleg moesten opgeven. De Geuzen werden op platte schuiten over het ondergelopen land als overwinnaars binnengehaald, daarbij haring en wittebrood uitdelend aan de uitgehongerde bevolking. Tot op de dag van vandaag wordt het ontzet zowel in Alkmaar als in Leiden jaarlijks gevierd. In Leiden werd op initiatief van Willem van Oranje kort daarna, op 8 februari 1575, de universiteit gesticht, die overigens wel was opgedragen aan Filips II. Deze was immers nog niet afgezworen als staatshoofd; de opstand ging in principe slechts over herstel van geschonden autonome rechten van de provincies. Tijdens de belegering maakte predikant Adriaen Taling bezwaar tegen de spreuk op de noodmunt, haec libertatis ergo (dit is om de vrijheid). Hij vroeg zich af waarom daar geen haec religionis ergo (dit is om de religie) op stond. Duidelijk bleek dat er onenigheid was over het doel van de opstand.

De Spaanse bevelhebber Don Requesens probeerde een vredesverdrag te sluiten. Om de opinie gunstig te stemmen, schafte hij de Tiende Penning en de Raad van Beroerten af. Ook werd de opstandelingen amnestie beloofd, maar omdat hierop weer driehonderd uitzonderingen werden gemaakt, was dit vermoedelijk geen serieus aanbod. Op 3 mei 1575 vonden in Breda onderhandelingen plaats. Hier bleek echter hoe sterk de opstand het karakter van een godsdienstoorlog had gekregen: de onderhandelingen liepen stuk op godsdienstige eisen. Zo eisten de Spanjaarden dat de protestanten het land zouden verlaten en eisten de opstandelingen dat alle bisschoppen zouden vertrekken. Na het mislukken van de onderhandelingen werd de strijd in alle hevigheid voortgezet. Oudewater en Schoonhoven werden door de Spanjaarden veroverd. In de herfst van dat jaar viel ook Zierikzee. De stad Woerden werd door de Spanjaarden belegerd, maar door het doorsteken van de dijken werden de Spanjaarden, na elf maanden, verdreven.

Algemene opstand (1576-1579)[bewerken]

Pacificatie van Gent[bewerken]

De Spaanse Furie, de plundering van Antwerpen door muitende Spaanse troepen vanwege het uitblijven van soldij.

Door het verlies van de steden leek de situatie voor de opstandelingen hopeloos. Maar vrij onverwacht keerden de kansen: op 1 september 1575 werd Spanje voor de tweede keer bankroet verklaard, en hierdoor moest er bezuinigd worden op de soldij van de troepen. Bovendien overleed Requesens onverwacht op 1 maart 1576 zonder een opvolger te hebben aangewezen. Door de achterstallige soldij en het ontbreken van een leider, begonnen Spaanse troepen te deserteren en te muiten. Zierikzee en Aalst werden door plunderende troepen leeggeroofd, Mechelen en Brussel werden bedreigd. De Staten van Henegouwen en Brabant riepen begin september de Staten-Generaal bijeen en knoopten onderhandelingen aan met de opstandige gewesten Holland en Zeeland. Dit was uitzonderlijk omdat de Staten-Generaal niet op eigen initiatief mochten vergaderen, en bovendien trachtten de gematigden en radicalen samen te werken. In Gent werden eind oktober afspraken gemaakt tussen de opstandige en de koningsgetrouwe gewesten over het verdrijven van de muitende Spaanse troepen. De godsdienstige meningsverschillen hoopte men later op te lossen.

Op 4 november trokken Spaanse troepen moordend en plunderend Antwerpen binnen. Achtduizend Antwerpenaren vonden de dood en duizenden gebouwen gingen in vlammen op in de Spaanse Furie. Een storm van verontwaardiging over deze gruweldaad raasde door de Nederlandse steden, waar nu in grote omvang opstanden uitbraken. Na deze zoveelste plundering werd de Pacificatie van Gent meteen ondertekend en op 8 november 1576 afgekondigd. De Nederlanders leken zich weer verenigd te hebben in hun verzet. Op 9 november werden de Spanjaarden verdreven uit Gent, waarop vele andere steden volgden: in 1577 maakten opstandelingen zich meester van de steden Antwerpen, Brussel, Breda, Eindhoven, Groningen, Goes, Haarlem, Maastricht, Steenbergen, Utrecht en Valencijn. De regeringstroepen moesten zich in veel plaatsen op bevel van de nieuwe landvoogd don Juan van Oostenrijk terugtrekken.

Unie van Brussel[bewerken]

Don Juan, die de Ottomanen bij Lepanto had verslagen, bond nu de strijd aan met de Nederlandse opstandelingen.

Filips II stuurde zijn halfbroer Don Juan - een bastaardzoon van Karel V, die in 1571 tijdens de Slag bij Lepanto de Turkse vloot had verslagen - naar de Nederlanden. De Staten-Generaal probeerden met hem tot een overeenkomst te komen. Op 7 januari 1577 werd de Unie van Brussel gesloten tussen de gewesten die de Pacificatie erkenden (alle Nederlanden behalve Luxemburg). Zij stelden de eisen van de Pacificatie samen in het Eeuwig Edict, en legden deze voor aan de nieuwe landvoogd Don Juan. Deze besloot op 12 februari het edict te tekenen vanwege de ernst van de situatie en erkende hiermee de Pacificatie van Gent. De Staten-Generaal erkenden op hun beurt nogmaals de koning en beloofden zich sterk te maken voor het behoud van het rooms-katholieke geloof in de provincies. Don Juan zou landvoogd worden en de Spaanse troepen zouden zich (tegen betaling) terugtrekken. Op 6 april tekende ook Filips II de overeenkomst, echter niet uit overtuiging. In feite betekende het edict een wapenstilstand van enkele maanden.

De Spaanse troepen begonnen zich eind april 1577 terug te trekken. Maar na enkele maanden, op 24 juli, nam Don Juan de Citadel van Namen in, wat een breuk met het edict was. Het begon ernaar uit te zien dat er geen vreedzame oplossing zou komen en op 31 augustus beval Filips II bovendien dat de Spaanse troepen terug moesten keren naar de Nederlanden.

Willem van Oranje liet zich op 24 september 1577 triomfantelijk binnenhalen in Brussel, om het volk zijn steun te betuigen tegen de Spanjaarden. Dit was een vrij revolutionaire daad, maar het volk steunde hem en bood hem zelfs de titel 'Ruwaard van Brabant' aan, die vroeger werd gegeven aan een plaatsvervanger van de hertog, als deze niet in staat bleek (goed) te regeren.

De Staten-Generaal moesten snel vergaderen over wat te doen tegen het nieuwe offensief van Don Juan, maar dat was niet gemakkelijk: men was onderling vooral verdeeld over godsdienstige kwesties, en het vormen van één gezamenlijk leger ging uiterst moeizaam. Op 28 oktober vond er bovendien een staatsgreep van radicale calvinisten plaats in Gent, die begonnen aan gewelddadige bekeringen onder de bevolking, wat katholieken en gematigde protestanten afschrikte en het Willem van Oranje nog moeilijker maakte eenheid te smeden.

Gembloers was een grote Spaanse overwinning die de rebellen diep verdeelde.

In januari 1578 kwam Alexander Farnese, zoon van Margaretha van Parma en de latere hertog van Parma, met verse troepen Don Juan ondersteunen. Op 31 januari behaalde Farnese een verpletterende overwinning op het Staatse leger in de Slag bij Gembloers, ten zuidoosten van Brussel. Na de slag werd Leuven ingenomen. Hierdoor werden de Staten-Generaal nog verder verdeeld tussen voor- en tegenstanders van de opstand.

Don Juan schreef aan Filips II dat Oranje feitelijk de macht had in de Nederlanden. De gewesten erkenden hem niet meer als landvoogd, maar stelden in zijn plaats de aartshertog Matthias van Oostenrijk, neef van Filips II, aan. Dit was tegen de zin van Filips II, voor wie Don Juan nog gewoon landvoogd was. Matthias van Oostenrijk was nog erg jong en politiek onervaren, zodat hij in de praktijk weinig in te brengen had tegen Willem van Oranje. In de volksmond werd hij spottend de griffier van de prins genoemd. De Spaanse troepen bedreigden Brussel en de Staten-Generaal besloten zich terug te trekken naar Antwerpen. Op 1 oktober 1578 overleed Don Juan in zijn legerkamp nabij Namen op 33-jarige leeftijd aan tyfus, nadat hij Farnese aangewezen had als zijn opvolger.

Intussen werd in op 26 mei 1578 in Amsterdam de Alteratie ingevoerd, waarmee de katholieke stadsregering werd afgezet. Amsterdam was in 1578 een belangrijke stad die nog niet tot de prins was overgegaan. De oorlog was kostbaar en een aantal steden dreigde af te haken. Tijdens de Satisfactie verzoende de stad zich met de overige steden van Holland.

De scheuring: Atrecht en Utrecht[bewerken]

Het doel van de Pacificatie van Gent was het verenigen van de Nederlanden in de strijd tegen Spanje. Echter, al vrij snel begonnen de meningsverschillen op te spelen. Behalve de godsdienstige conflicten, speelde ook mee dat ieder gewest vooral voor zijn eigen belangen opkwam. Zo werd de toegangsweg naar de Antwerpse haven door Zeeland en Holland geblokkeerd: alleen tegen betaling werden schepen doorgelaten.

De zuidelijke gewesten Artesië en Henegouwen en de Franstalige Vlaamse stad Dowaai sloten op 6 januari 1579 de Unie van Atrecht, waarin zij zich weer onder het gezag van de koning schaarden. In de Unie van Atrecht werd wel afgesproken dat de buitenlandse troepen zich terug dienden te trekken. In het traktaat van Atrecht van 17 mei 1579 erkenden dezelfde gewesten Farnese als landvoogd. Deze begon het 'Project van Reconciliatie', waarbij hij onderzocht of de gewesten zich werkelijk wilden overgeven, en nog enkele praktische zaken. Dit rondde hij af op 4 oktober waarmee de Waals-Picardische gewesten weer onder Spaans gezag waren.

Op 23 januari 1579 tekenden Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht en de Ommelanden een eigen verdrag, de Unie van Utrecht. In de daaropvolgende maanden sloten ook de andere noordelijke provincies en veel steden in Brabant en Vlaanderen zich daarbij aan. Gent, Brussel en Antwerpen werden bestuurd door "calvinistische republieken". Willem van Oranje was aanvankelijk tegen deze Unie, omdat het in feite een afscheuring was en hij nog altijd geloofde in een verenigd Nederland. Feitelijk vielen ook de Staten-Generaal uiteen in een noordelijke ("Utrechtse") en een zuidelijke ("Atrechtse") vergadering. Op 3 mei 1579 ondertekende Willem echter een steunverklaring aan de Unie van Utrecht. Deze wordt gezien als de oprichting van de Verenigde Provinciën, die overigens pas na de Vrede van Münster op 15 mei 1648 internationaal werd erkend.

Hoewel indianen bij wet als onderdanen van de koning gelijk waren aan Europeanen, had de eigenlijke behandeling van de indianen in de Nieuwe Wereld in Spanje zelf al voor kritische geluiden gezorgd. In de Nederlanden werd dit gebruikt om de opstand te rechtvaardigen. In 1552 kwam Brevíssima relación de la destrucción de las Indias uit van Bartolomé de las Casas, bedoeld om de Spaanse koning aan te zetten tot het sturen van meer ambtenaren om de wet overzees beter te handhaven. In 1578 werd dit ontdekt in de Nederlanden en nog dat jaar vertaald. Het boek speelde een belangrijke rol in het versterken van de negatieve beeldvorming van de Spanjaarden, ook doordat het was geschreven door een Spaanse geestelijke. In Den spiegel der Spaensche tijrannije, gheschied in West-Indien, een uitgave uit 1620, zijn gravures van Theodoor de Bry toegevoegd die het beeld versterkten.
Intocht van de hertog van Anjou in Antwerpen in 1582.

Vredesoverleg in Keulen[bewerken]

Op uitnodiging van keizer Rudolf II begonnen in mei 1579 vredesonderhandelingen in Keulen. De Spanjaarden eisten dat de protestanten zich terugtrokken uit de Nederlanden en dat de politieke situatie van vóór 1559 werd hersteld. Van de kant van de koning verwachtte men niet dat de opstandelingen hierop in zouden gaan, maar hoopte men hen op het slagveld te dwingen. Parma veroverde intussen in juni 1579 Maastricht, en de stadhouder van Groningen, Friesland en Drenthe, de graaf van Rennenberg, sloot zich in 1580 weer aan bij de koning. Hiermee gingen Coevorden, Groningen, Grol en het toch al weerspannige katholieke Oldenzaal verloren. Alleen in Friesland konden de opstandelingen hun posities behouden. Toen Rennenberg in 1581 overleed, werd hij vervangen door de Spanjaard Francisco Verdugo.

Gesteund door deze militaire successen besloot Filips II zich te richten op de oorlog tegen Portugal. Hij liet Willem van Oranje op 15 juni 1580 vogelvrij verklaren: hiermee raakte Willem van Oranje definitief vervreemd van de Spaanse troon. Op 13 december bood Oranje daarop zijn Apologie aan de Staten-Generaal aan, waarin hij zich voor het eerst openlijk afzet tegen Filips II in plaats van tegen diens landvoogd.

Door het uitblijven van steun van Spanje en doordat de hertog van Parma de buitenlandse troepen terugtrok zoals afgesproken, stokte de militaire campagne van de hertog. In twee jaar tijd werd alleen Doornik veroverd, op 29 november 1581.

Parma's negen jaren (1579-1588)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Parma's negen jaren voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hertog van Anjou en Plakkaat van Verlatinghe[bewerken]

Willem van Oranje zocht al in 1573 een buitenlandse partner. Engeland, met als staatshoofd de protestantse Elizabeth I, leek voor de hand te liggen, maar Elizabeth aarzelde om zich in een oorlog met Spanje te storten en de onderhandelaars keerden met lege handen terug.

In 1580 hadden de opstandelingen meer succes: de hertog van Anjou, broer van de Franse koning, zou de opstand met 10.000 man steunen, al was hij katholiek. Anjou eiste wel dat de noordelijke gewesten definitief de Spaanse koning zouden afzweren, en op 26 juli 1581 werd de Plakkaat van Verlatinghe aangenomen. Op 10 februari 1582 kwam Anjou aan in Vlissingen en op 19 februari werd hij ingehuldigd als hertog van Brabant. De hertog was niet populair onder de bevolking en toen in 1582 een mislukte moordaanslag op Willem van Oranje werd gepleegd, dachten velen ook dat hij hierachter zat.

Op 4 juli werd Oudenaarde veroverd door de hertog van Parma. Pas toen in de herfst van 1582 de 10.000 man versterking kwam (voornamelijk Zwitserse huurlingen) keerden de kansen in de strijd. Uit frustratie over zijn ondergeschikte positie ten opzichte van Willem van Oranje, besloot de hertog van Anjou tot een aanval op Antwerpen en andere Brabantse steden om daar zijn gezag te vestigen. Deze gebeurtenis staat bekend als de Franse Furie. Op 17 januari 1583 raakte hij binnen de Antwerpse stadsmuren maar stuitte op hevig verzet van de bevolking, waarna de Fransen op de vlucht sloegen. De Franse politiek van Willem van Oranje had hiermee definitief afgedaan. Ondanks een verzoeningspoging verliet Anjou in juni 1583 de Nederlanden.

De hertog van Parma kreeg door deze ontwikkelingen opnieuw ruimte, en hij veroverde in hoog tempo steden aan de Vlaamse kust. De grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper werden ingesloten en veroverd en in september 1583 viel ook Zutphen.

Oranje vermoord[bewerken]

Op 10 juni overleed de hertog van Anjou. Voor de Staten-Generaal en Willem van Oranje was dit een reden om opnieuw met Frankrijk te onderhandelen over steun in de strijd. Frankrijk ging daar echter niet op in, en de moord op Willem van Oranje op 10 juli 1584 door Balthasar Gerards maakte definitief een einde aan de gesprekken. Bovendien verloor de opstand met zijn dood haar leider. Maurits van Nassau, zijn 16-jarige oudste in Nederland verblijvende zoon, was wel zijn beoogde opvolger als stadhouder, maar speelde in het begin nog nauwelijks een rol.

Val van Antwerpen[bewerken]

De Spaanse legeraanvoerder Alexander Farnese, hertog van Parma.

Die maanden leek het einde van de opstand nabij. Het leger van de hertog van Parma begon een nieuwe opmars in Brabant. Op 27 augustus 1585 viel Antwerpen, na een beleg van ruim veertien maanden, weer in Spaanse handen. Eerder dat jaar hadden Parma's troepen ook al Brussel en Mechelen ingenomen. Parma had bij het beleg van Antwerpen de toevoerwegen naar Antwerpen één voor één afgesloten, met als technisch hoogtepunt een 730 meter lange brug van schepen dwars over de Schelde. Op 27 augustus op het kasteel van Beveren tekende de protestantse burgemeester Filips van Marnix van Sint-Aldegonde de overgave van de uitgehongerde stad.

De val van Antwerpen was de militaire bezegeling van de scheuring van de Nederlanden in een noordelijk en een zuidelijk deel, die al politiek vorm had gekregen in de Unie van Utrecht en de Unie van Atrecht. Het betekende ook de door Willem van Oranje ongewilde scheiding van de Nederlandse natie: de Vlamingen (behalve de Zeeuws-Vlamingen), de zuidelijke Brabanders en de inwoners van Opper-Gelre en Limburg zouden tot 1815 gescheiden blijven. Grote delen van de bevolking, vooral (protestantse) kooplui en intellectuelen vertrokken naar het Noorden, waar zij en hun nakomelingen in grote mate bijdroegen aan de zogenaamde "Gouden Eeuw" van de Noordelijke Nederlanden.

Engelse steun[bewerken]

Op 14 augustus 1585 weigerde de Engelse koningin Elizabeth de soevereiniteit over de Nederlanden te aanvaarden, omdat de relaties met Spanje toch al slecht genoeg waren, maar ze beloofde wel graaf van Leicester met een troepenmacht van 6000 man naar de Nederlanden te sturen. Leicester kwam in december 1585 in Vlissingen aan. Even voordien, in november 1585, was Willem van Oranjes tweede zoon, graaf Maurits van Nassau, op 18-jarige leeftijd benoemd tot stadhouder van Holland en Zeeland. Op 4 februari 1586 liet Leicester zich uitroepen tot landvoogd en kapitein-generaal van de Nederlanden, maar Elizabeth gelastte hem die titel op te geven omdat zij de al aan de gang zijnde Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) niet verder wilde laten escaleren. Vanaf februari 1586 regelde Johan van Oldenbarnevelt, landsadvocaat van Holland, de interne zaken binnen de Unie van Utrecht. Graaf Leicester behield de leiding over de militaire operaties. Maar de Engelse militaire steun was halfslachtig: twee Engelse officieren, William Stanley en Rowland York, gaven Deventer en de schans voor Zutphen over aan de Spanjaarden. Ook Sluis viel in Spaanse handen, al kon graaf Maurits, met zijn eerste krijgsdaad, Axel op 17 juli 1586 op de Spanjaarden veroveren. Leicester bleek echter op last van koningin Elizabeth op een vrede met Spanje aan te sturen. In december 1587 werd hij gedwongen te vertrekken.

De Spaanse Armada, bedoeld voor de invasie van Engeland, werd verpletterend verslagen.

Maurits en Van Oldenbarnevelt besloten na de debacles met de Franse en Engelse hulp geen pogingen meer te ondernemen om een soevereine vorst voor de Nederlanden te vinden. In de Justificatie of Deductie werd bepaald dat de politieke macht bij de Staten-Generaal zou komen te liggen. Daarmee was zonder formeel besluit de Republiek der Verenigde Provinciën geboren. Het was een nieuw verschijnsel in Noordwest-Europa dat een land bestuurd werd zonder vorst.

Mede als reactie op deze halfslachtige Engelse inmenging besloot Filips II niettemin een invasievloot te sturen, om eindelijk de volgens hem illegitieme koningin Elizabeth van de troon te stoten en daarna definitief met de opstandelingen in de Nederlanden af te rekenen. Hoewel admiraal hertog van Medina Sidonia geen maritieme ervaring had, werd de vloot vanwege haar omvang als onoverwinnelijk beschouwd. De oorlogsvloot, armada invencible (gewapende onoverwinnelijke) of kortweg Armada genaamd, was 130 schepen en 30.000 man (waarvan 20.000 soldaten) groot. Er moesten voor de invasie ook troepen van Parma uit Vlaanderen worden opgehaald en over het Nauw van Calais gezet. De mega-operatie liep echter op een drama uit voor de Spanjaarden: in juli 1588 werd al een deel van de armada bij Grevelingen, tussen Calais en Duinkerken, zwaar toegetakeld door de beter manoeuvreerbare Engelse schepen, waarbij ook 30 Nederlandse 'kromstevens' betrokken waren. Daarna draaide ook nog de wind ongunstig voor een invasie in Engeland. De overgebleven schepen moesten, achtervolgd door de Engelsen, om Schotland en Ierland terug naar Spanje, maar door stormen en stromingen verging nogmaals een groot aantal schepen. Minder dan de helft van de vloot keerde terug in Spanje. De hertog van Parma kreeg de schuld van deze nederlaag.

Tien jaren (1588-1598)[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Tien jaren (Tachtigjarige Oorlog) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Maurits van Nassau vergrootte en versterkte de Republiek aanzienlijk.

Na de nodige tegenslagen volgde een periode waarin de situatie voor de Republiek sterk verbeterde, door Fruin de Tien jaren genoemd. De Nederlandse Opstand ontwikkelde van vrijwel hopeloos in 1588 tot vrijwel gewonnen in 1598. Deels was deze ontwikkeling toe te schrijven aan internationale factoren zoals de Spaanse inmenging in de Franse Hugenotenoorlogen, deels echter ook aan de politieke bekwaamheid van Johan van Oldenbarnevelt en de militaire bekwaamheid van Maurits van Nassau.

In Frankrijk was een strijd gaande tussen de protestantse koning Hendrik van Navarre en de katholieke Liga, die een katholieke vorst op de Franse troon wilde. Filips II steunde de Liga om het katholicisme in Europa te beschermen. Dit vond hij belangrijker dan de strijd tegen de opstandige Nederlanders, daarom gaf hij de hertog van Parma vanaf 1590 driemaal de opdracht Frankrijk binnen te vallen. Hierdoor kon die zijn succesvolle activiteiten in het noorden niet voortzetten. Strijd leveren op twee fronten was voor de regering in Brussel financieel niet haalbaar.

In die periode bestudeerden Maurits, die inmiddels ook stadhouder van Utrecht, Gelderland en Overijssel was geworden, en zijn neef Willem Lodewijk, stadhouder van Friesland, militaire geschriften van de Romeinen en de Byzantijnen. Aan de hand van die kennis werd het leger hervormd. Zo werd het leger verdeeld in kleinere eenheden waardoor het wendbaarder werd. Ook kwam er een stelsel van verstaanbare bevelen en werd een strenge discipline afgedwongen. Met deze en andere hervormingen was het leger lange tijd dé militaire leerschool van Europa.

De provincies hadden in 1588 de Engelse gouverneur-generaal Leicester afgezworen en waren voor het eerst helemaal onafhankelijk. Dus toen de kans er lag iets te ondernemen waren de provincies nog terughoudend. De verovering van Breda door troepen via een turfschip de stad binnen te smokkelen, bracht de overtuiging van de eigen kracht. Plannen werden voorbereid en de financiën verhoogd voor het voeren van een offensieve oorlog. De Republiek was omsingeld met steden in het oosten, noorden en zuiden die in Spaanse handen waren. Daarom zag iedere provincie graag de steden veroverd worden in of dichtbij zijn provincie. Van Oldenbarnevelt kon iedereen overtuigen, het eigen belang opzij te zetten en eerst de steden in Gelderland en Overijssel te veroveren, omdat die een grote dreiging voor het hart van de Republiek vormde. Daarna zou het mogelijk zijn in het noorden en in het zuiden door te pakken. Zo geschiedde en de jonge republiek boekte hierop een reeks militaire successen. In 1591 begon Maurits een veldtocht in het oosten van het land. Hij veroverde achtereenvolgens Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst en Nijmegen. In 1592 werden in het noorden Steenwijk en Coevorden heroverd.

Inmiddels was de hertog van Parma overleden op 6 december 1592. In het katholieke Zuiden volgde daarop een periode met niet minder dan 40 muiterijen. Omdat Filips II ook zijn eigen einde voelde naderen, liet hij zijn dochter Isabella trouwen met haar neef Albrecht van Oostenrijk om samen over de Nederlanden te regeren. In 1598 werd door Spanje een poging ondernomen om de gewesten te verenigen, maar de Noordelijken kwamen niet opdagen bij de Statenvergadering in Brussel. Op 13 september van datzelfde jaar overleed Filips II en werd in het Zuid-Europese deel van zijn rijk opgevolgd door zijn niet al te bekwame zoon Filips III. De Spaanse macht was over zijn hoogtepunt heen. In 1593 volgde de inname van het Brabantse Geertruidenberg, in 1594 vond de 'reductie' van het hele gewest Groningen plaats. In 1597 vond Maurits' veldtocht plaats. In het oosten werden Rijnberk, Meurs, Grol (nu Groenlo), Bredevoort, Enschede, Ootmarsum, Oldenzaal en Lingen ingenomen. Maurits' overwinningen betekenden een enorme opsteker voor de Republiek. Er werd gesproken over 'het sluiten van de Tuin van de Republiek'.

Elf jaren strijd (1598-1609)[bewerken]

De slag bij Nieuwpoort in 1600 werd gewonnen door Maurits, echter zonder dat hij de stad kon innemen.
Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel, door de Aartshertogen opgericht als dank voor de goede afloop van het beleg van Oostende.
1rightarrow blue.svg Zie Elf jaren strijd voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na de Negen jaren van Parma in Spaans voordeel, gevolgd door Tien jaren waarin Maurits en Willem Lodewijk het tij van de oorlog keerden, kwamen de 'Elf jaren', waarin noch de staatsen, noch de Spanjaarden de overhand wisten te krijgen. Beide kampen hadden wisselend succes, en na elf jaren vergeefs geprobeerd te hebben de ander te overwinnen, kwam men in 1609 het Twaalfjarig Bestand overeen.

In juni 1600 besloten de Noordelijke Staten-Generaal, waar Johan van Oldenbarnevelt grote invloed had, dat Duinkerke aan de Vlaamse kust moest worden ingenomen: het was een uitvalsbasis van de Duinkerker kapers, die in opdracht van de Spaanse regering aan de tegenblokkade deelnamen en regelmatig grote schade aan de Noordelijke handelsvloot toebrachten. Het doel lag dus ver in vijandelijk gebied, maar de kans lag er doordat het leger van de Zuidelijke Nederlanden geteisterd werd door muiterijen. Maurits was, evenals Willem Lodewijk, fel tegen deze aanval, omdat het risico groot was dat hij van zijn troepen afgesneden zou worden. Toch voerde hij het plan uit. Onderweg naar Nieuwpoort werd het leger van Maurits verrast door een Spaans leger, dat snel door de aartshertog op pad gestuurd was. De daarop volgende slag bij Nieuwpoort werd gewonnen door Maurits. Een ramp voor de Republiek werd zodoende voorkomen, maar achteraf was het leger dermate verzwakt, dat Duinkerke buiten bereik was geraakt. Na een 11 dagen durend vergeefs beleg van Nieuwpoort werd het risico van de komst van een nieuw ontzettingsleger te groot geacht en Maurits keerde terug naar huis. De verstandhouding tussen de politieke leider Van Oldenbarnevelt en de jonge militaire leider Maurits was van toen af behoorlijk verstoord.

Het beleg van Oostende, een stad die na drie jaar werd heroverd door Ambrogio Spinola.

In de jaren na Nieuwpoort bepaalde in de Republiek Maurits grotendeels de oorlogsvoering, hoewel daarin regelmatig bijgestuurd door de Staten. Bij al de pogingen van het Staatse leger om de Vlaamse kustplaatsen te controleren was het uit staatse handen houden van Oostende, de enige stad dieper in Vlaanderen, voor Albrecht een hoofddoelstelling. Zodoende kreeg Maurits ruimte om andere plaatsen te belegeren zoals Rijnberk en Grave in 1601 en 1602. Tweemaal probeerde hij zonder succes ook Den Bosch te veroveren, maar in 1604 overwon hij Aardenburg en Sluis. Zijn aanvallen hadden ook ten doel Albrecht met zijn leger weg te lokken van Oostende, maar die bleek vastberaden. Sinds 1601 werden de Spaanse legers aangevoerd door Ambrogio Spinola, een Genuese bankier die ook een kundige veldheer bleek te zijn. Het beleg van Oostende was kostbaar en langdurig, want de stad, waar de opstandelingen meester waren, kon steeds vanuit zee bevoorraad worden. Na drie jaar werd de stad in 1604 door Spinola ingenomen. Volkomen onverwacht stootte deze hierna met zijn snelle leger door de verdedigingsgordel van de Republiek om tijdens zijn veldtocht in Zutphen en Twente de steden Lochem, Rijnberk, Groenlo en Oldenzaal in te nemen. Voor het eerst sinds 1594 verplaatste de oorlog zich benoorden de grote rivieren, zodat de Republiek zich in zijn hart bedreigd zag. Vanwege een tekort aan financiën bleef het hier echter bij, waardoor Maurits de gelegenheid kreeg gebied in de Achterhoek te heroveren. Veel meer kon hij niet doen, want ook de Republiek had te maken met financiële problemen. De krachtmeting waarin beide partijen bovenmatig hadden geinvesteerd, ook aan mensenlevens, toonde het belang dat aan de havenplaatsen werd gehecht.

Op zee had de Republiek evenwel nog weinig te vrezen van Spanje. Op 25 april 1607 vernielden Nederlandse oorlogsschepen onder leiding van Jacob van Heemskerck een Spaanse vloot, nog gedeeltelijk in aanbouw in de haven van Cádiz. Deze zeeslag staat bekend als de Zeeslag bij Gibraltar.

De ontstane patstelling leidde tot vredesbesprekingen in Den Haag, waar ook belanghebbende derde partijen, waaronder Frankrijk en Engeland, aan deelnamen. Ook Spinola zelf kwam hiervoor naar Den Haag. Er kon geen overeenstemming worden bereikt over definitieve vrede, maar wel werd op 9 april 1609 in Antwerpen besloten tot een bestand, dat uiteindelijk twaalf jaar zou duren. Maurits was hier zeer op tegen omdat volgens hem de Spanjaarden hun leger weer konden herstellen en opnieuw op konden bouwen. De Hollandse regenten stemden voor omdat dit de handel ten goede zou komen.

Twaalfjarig Bestand (1609-1621)[bewerken]

Afkondiging van het Twaalfjarig Bestand aan het Antwerps stadhuis. (Michiel Collijn)
De terechtstelling van Johan van Oldenbarnevelt in Den Haag.
1rightarrow blue.svg Zie Twaalfjarig Bestand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Onder het bestuur van de aartshertogin Isabella en haar gemaal Albrecht braken voor de Nederlanden in het algemeen jaren van relatieve rust en welvaart aan. De Staten-Generaal van de Republiek verlangden voor het aangaan van een bestand officiële erkenning van hun autonomie en na lange onderhandelingen via de bemiddelaar Jan Neyen stemden Albrecht en Isabella toe, zij het met de nodige reserves. Op 12 april 1607 was reeds een staakt-het-vuren van acht maanden te lande overeengekomen, dat eerst werd uitgebreid tot de vijandelijkheden op zee, en meerdere malen verlengd, om verder onderhandelen toe te laten.

Aartshertog Albrecht slaagde erin op 31 januari 1609 een bestand te sluiten met de opstandelingen. Dit Twaalfjarige Bestand ging officieel in op 9 april 1609 en zorgde voor een tijdelijke onderbreking van de oorlog tegen Spanje. Hiermee begon de rol van de Republiek als een feitelijk erkende onafhankelijke mogendheid. In deze periode droegen de aartshertogen in de Spaanse Nederlanden aanmerkelijk bij tot de opbloei van de kunsten en verstevigden de positie van de Rooms-katholieke Kerk.

Binnen de Republiek ontstond tijdens dit Treves, zoals het bestand ook genoemd werd, nieuwe godsdienstige en politieke verdeeldheid. Volgelingen van de geestelijke Jacobus Arminius (de remonstranten) kregen een conflict met de volgelingen van Franciscus Gomarus (de contraremonstranten). Behalve een godsdienstig meningsverschil (de remonstranten kenden een grotere rol toe aan de vrije wil van de mens), speelde er vooral een politiek conflict. De remonstranten waren meer republikeins dan de contraremonstranten, die meer zagen in een sterke positie van het Huis van Oranje. Johan van Oldenbarnevelt koos partij voor de remonstranten. Doordat Maurits (uiteraard) koos voor de contraremonstranten dreigde er zelfs even een burgeroorlog.

Maurits wist tijdens het Twaalfjarig Bestand het gezag in te perken van de 'regenten', een informele, niet strikt erfelijke hogere laag van de bevolking die de invloedrijke functies bekleedden. Dit kwam onder meer doordat steeds meer burgers van buiten de regentenklasse kapitalen verdienden met de handel. Op 4 augustus 1617 begon het conflict te escaleren: de Staten van Holland namen de Scherpe Resolutie aan, waarin de steden de vrijheid kregen op te treden tegen de contraremonstranten. Deze resolutie pakte echter averechts uit: Maurits liet de grijze eminentie Van Oldenbarnevelt en anderen op 28 augustus 1618 tot hun verbazing arresteren en beschuldigde hen van landverraad. Johan van Oldenbarnevelt werd ter dood veroordeeld en op 13 mei 1619 op het Binnenhof in Den Haag onthoofd.

Door het overlijden van prins Filips Willem van Oranje in 1618 werd Maurits de nieuwe prins van Oranje. In 1620 overleed ook Willem Lodewijk, op dat moment stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe. Hij werd opgevolgd door zijn jongere broer Ernst Casimir.

Nadat in 1621 ook aartshertog Albrecht overleed, kwamen de Zuidelijke Nederlanden conform de Akte van Afstand weer rechtstreeks onder de Spaanse troon, met Isabella van Spanje als landvoogdes.

Hervatting van de strijd (1621-1648)[bewerken]

Maurits' laatste jaren[bewerken]

De overgave van Breda, door Velazquez.

In 1621 overleed Albrecht van Oostenrijk. Omdat zijn huwelijk met Isabella kinderloos was gebleven, kwamen de Zuidelijke Nederlanden weer onder Spaans bestuur. Isabella bleef wel landvoogdes, maar kon niet voorkomen dat de strijd tussen de Spaanse troepen en de Republiek weer oplaaide.

Na de hervatting verliep de strijd aanvankelijk niet gunstig voor de Republiek. Spinola had in februari Gulik veroverd, waarbij Maurits niet in staat bleek de stad te ontzetten. Dat lukte hem wel tijdens het beleg van Bergen op Zoom. Deze gebeurtenis inspireerde het (strijd)lied Merck toch hoe sterck van Adriaen Valerius.

Spinola heroverde Breda op 2 juni 1625. Eerder dat jaar, op 23 april, was prins Maurits overleden. Beide gebeurtenissen hadden grote symbolische en morele waarde voor de Spaansgezinden; Breda was immers eigendom van de Nassaus en Maurits was de sterkste vijand die ze tijdens de oorlog hadden gekend. De Spaanse schilder Velázquez schilderde De Overgave van Breda dat tegenwoordig in het Museo del Prado hangt.

Frederik Hendriks vroegste successen[bewerken]

Maurits werd opgevolgd door zijn broer Frederik Hendrik. Vanaf 1626 begon Frederik Hendrik samen met Ernst Casimir met een veldtocht, waarin hij verschillende successen boekte. Zo werden de inmiddels door de katholieke Contrareformatie stevig beïnvloede steden Oldenzaal (1626) en Groenlo (1627) heroverd. In 1628 veroverde de kaper Piet Hein in de Baai van Matanzas in naam van de Republiek een Spaanse Zilvervloot, die tot op de dag van vandaag nog bezongen wordt. Plotseling was er geld in overvloed.

Een jaar na de verovering van de Zilvervloot sloeg Frederik Hendrik het Beleg van 's-Hertogenbosch. In een poging de Staatse troepen weg te lokken probeerden de Spaanse troepen onder leiding van Ernesto Montecuccoli Amersfoort en de Veluwe in te nemen. Dit mislukte echter na een Staatse aanval op een Spaans voedseldepot, waarna 's-Hertogenbosch zich overgaf.

Hierna kwam steeds meer gebied in handen van de Republiek. In 1632 liepen hoge Zuid-Nederlandse edelen over, waarna Frederik Hendrik zijn Veldtocht langs de Maas begon, waarin hij vrijwel probleemloos Roermond en Venlo in kon nemen. Maastricht werd na een belegering in datzelfde jaar ingenomen. Ernst Casimir overleed bij het beleg van Roermond. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Hendrik Casimir I.

Vredespogingen en bondgenootschap met Frankrijk[bewerken]

Plundering van Tienen op een prent uit 1635.

Landvoogdes Isabella probeerde in 1633 op eigen gezag (zonder de koning in Madrid te raadplegen) vrede te sluiten met de Republiek. De onderhandelingen liepen echter op niets uit. Datzelfde jaar overleed Isabella.

Op 15 april 1634 sloot Frederik Hendrik met Frankrijk een geheim principeakkoord ter verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. Op 4 november 1634 werd Ferdinand van Oostenrijk (Don Ferdinand) de nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Don Ferdinand ging voortvarend te werk en veroverde de steden Sierck-les-Bains en Trier. Hierop verklaarde Frankrijk Spanje de oorlog. De Franse troepen versloegen de Spanjaarden in de Slag bij les Avins. Samen met het leger van de Republiek veroverden ze enkele steden in de Zuidelijke Nederlanden, waaronder Tienen, Diest en Aarschot, gevolgd door een maandenlange belegering van de Schenkenschans.

Op 8 februari 1635 formuleerden kardinaal Richelieu namens Frankrijk en Frederik Hendrik namens de Republiek de definitieve verdeling van de Zuidelijke Nederlanden. De bedoeling was dat de Waalse Nederlanden bij Frankrijk en de Vlaamse Nederlanden bij de Republiek gevoegd zouden worden. Het plan werd opgenomen in een verdrag, het Traité de Partage, maar de uitvoering pakte anders uit dan verwacht. De gezamenlijke troepen van Frankrijk en Nederland misdroegen zich bovendien zo, dat na de inname van Tienen de publieke opinie in sommige van de Zuidelijke Nederlanden zich fel tegen de Republiek keerde. Het beleg van Leuven mislukte. In 1636 vonden opnieuw vredesonderhandelingen plaats, maar wederom zonder resultaat.

Spaans tegenoffensief[bewerken]

De Staatse vloot bij Duins.

In 1637 werd het leger van Frederik Hendrik verslagen bij het Zeeuws-Vlaamse Hulst, waarna hij Breda belegerde. Don Ferdinand begon een campagne in Limburg en veroverde Venlo op 7 augustus 1637 en op 4 september Roermond. Ook heroverde hij enkele steden op de Fransen. Hij kon echter niet voorkomen dat Frederik Hendrik Breda innam.

In juni 1638 probeerde het Staatse leger Antwerpen te veroveren. Om de stad te kunnen omsingelen trok Frederik Hendrik op door Brabant. Het legeronderdeel van Willem van Nassau zou de stad van de Vlaamse kant benaderen, maar werd verpletterend verslagen in de Slag bij Kallo. De belegering van Antwerpen werd daardoor verijdeld. De Spanjaarden ondernamen vervolgens een tweede poging om met een armada de zeemacht van de Republiek te breken. Op deze tweede armada behaalde Maarten Harpertszoon Tromp zijn vermoedelijk grootste overwinning, in de Zeeslag bij Duins, vlak onder de Engelse zuidkust.

In 1640 deed men een hernieuwde poging Hulst te veroveren op de Spanjaarden. Ook deze poging mislukte; op 4 juli sneuvelde Hendrik Casimir in de Slag bij Hulst en de Spanjaarden hielden stand. Hendrik Casimir werd door zijn broer Willem Frederik opgevolgd als stadhouder van Friesland en Hulst zou nog tot 1645 in Spaanse handen blijven.

Op een ander front leed Spanje een gevoelige nederlaag: Portugal werd onafhankelijk.

Ingesloten tussen Republiek en Frankrijk[bewerken]

De verovering van Hulst.

Don Ferdinand werd in 1641 vervangen door Francisco de Melo als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. In datzelfde jaar nam Frederik Hendrik Gennep in. Francisco de Melo richtte zich aanvankelijk op de strijd tegen de Franse troepen. In 1642 maakte hij grote delen van de Franse gebiedswinsten ongedaan en hij behaalde grote overwinningen. De Republiek vocht in dat jaar nauwelijks, maar een aanbod tot onderhandelingen over vrede werd door Frederik Hendrik afgewezen. Na zijn aanvankelijke successen tegen de Fransen, werd Francisco de Melo op 16 mei 1643 echter vernietigend verslagen bij Rocroi. Op 20 september 1644 werd hij opgevolgd door Manuel de Castel Rodrigo. Inmiddels hadden de Fransen Grevelingen (in het huidige Frans-Vlaanderen) veroverd op de Spanjaarden en had Frederik Hendrik Sas van Gent veroverd.

Door de opeenvolgende nederlagen tegen de Republiek en ook in de Dertigjarige Oorlog en door de interne spanningen nam de kracht van het Spaanse leger snel af. In 1645 veroverden de Fransen enkele steden en herwon Frederik Hendrik Hulst. In 1646 sloeg Frederik Hendrik opnieuw (vergeefs) het beleg voor Antwerpen: de Fransen konden daardoor enkele steden in het zuiden veroveren, waaronder Duinkerke en Kortrijk. Frederik Hendrik overleed in 1647 nadat zijn gezondheid al geruime tijd achteruit was gegaan. Hij werd opgevolgd door zijn zoon stadhouder Willem II. Landvoogd van de zuidelijke Nederlanden werd aartshertog Leopold van Oostenrijk.

Vrede van Münster[bewerken]

Met de Vrede van Münster in 1648 kwam een einde aan de Tachtigjarige Oorlog.

Inmiddels was het oorlog in grote delen van Europa, de Dertigjarige Oorlog. In 1641 begonnen de vredesonderhandelingen tussen de strijdende partijen. Afgesproken werd dat in Münster en Osnabrück onderhandeld zou worden. Via Frankrijk ontving ook de Republiek een uitnodiging.

Hoewel er rond die tijd enorme militaire successen werden geboekt, was er binnen de Republiek steeds meer sprake van een vredesstemming. De langdurige oorlog kostte veel geld en mensenlevens. Alleen de provincies Zeeland en Utrecht, en de stad Leiden, bleven tot het einde toe voorstander van de oorlog.

De Republiek slaagde erin als volwaardige staat aan de onderhandelingen mee te mogen doen; zelfs Spanje stemde ermee in. In januari 1646 kwamen acht vertegenwoordigers van de Staten aan in Münster om te onderhandelen met de Spanjaarden over vrede. De onderhandelingen zouden plaatsvinden in het Huis van het Kramersgilde, tegenwoordig het Haus der Niederlande genoemd. De Spaanse onderhandelaars hadden uitgebreide volmachten meegekregen van koning Filips IV, die al jaren vrede zocht. Tijdens de onderhandelingen werden de Republiek en Spanje het snel eens: de tekst van het Twaalfjarig bestand werd als uitgangspunt genomen en de Republiek werd door Spanje als soevereine staat erkend. De vrede leek snel nabij. Frankrijk gooide echter roet in het eten door steeds met nieuwe eisen te komen. De Staten besloten hierop buiten Frankrijk om vrede te sluiten met Spanje. Op 30 januari 1648 werd de vredestekst vastgesteld. Deze werd ter ondertekening naar Den Haag en Madrid gestuurd. Op 15 mei werd de vrede definitief getekend.

De vluchtelingenstroom uit de Zuidelijke Nederlanden[bewerken]

De binnenplaats van het Rubenshuis
1rightarrow blue.svg Zie Migratiestroom in de Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De godsdienstige onverdraagzaamheid en de ellende die de oorlog meebracht, leidden tot migratiestromen in de Nederlanden, onder meer die van protestanten gericht naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (reeds in de jaren 1578-1588 toen deze formeel nog niet bestond), maar ook de andere omringende landen, en omgekeerd van katholieken naar het zuiden. De grootste beweging naar het noorden (vooral Holland) vond plaats in de jaren 1583-1585 tijdens de herovering door het regeringsleger van de grote Vlaamse en Brabantse steden (Ieper, Brugge, Gent, Brussel, Mechelen en vooral Antwerpen). Dankzij de instroom van deze veelal kapitaalkrachtigen en/of intellectuelen ging het economische en militaire overwicht verschuiven van de Zuidelijke naar de Noordelijke Nederlanden,

Terwijl in het noorden de Nederlandse 'Gouden Eeuw' aanbrak, waarvan veel uitgeweken zuiderlingen aan de basis lagen, kende het zuiden een eigen Gouden Eeuw. Zo werd bijvoorbeeld tussen 1611 en 1627 het Rubenshuis in Antwerpen gebouwd, door renovatie van een deels verwoest woonhuis uit 1550.

De massale inwijking van vluchtelingen, die in de Republiek een grote demografische verschuiving veroorzaakte, bracht naast economische, culturele en wetenschappelijke verrijking, ook sociale spanningen met zich mee.

Latere visies op de Tachtigjarige Oorlog[bewerken]

Door diverse geschiedschrijvers is de Opstand verschillend beoordeeld. De eerste van hen was P.C. Hooft met zijn werk De Nederlandsche Historiën (1642-1647), dat de Opstand van 1555 tot 1587 beschreef. Hij poogde onpartijdig te schrijven door ook Spaanse bronnen te raadplegen.

In de 19e eeuw werd de Tachtigjarige Oorlog weer uitgebreid onderzocht. Tot die tijd werd vooral gesproken van De Opstand of De Nederlandse Opstand.[bron?] De naam Opstand slaat vooral op de eerste fase van de Tachtigjarige Oorlog, toen de Republiek nog niet bestond. In een recente studie spreekt onder meer Arie van Deursen over De Opstand van 1572-1584. Robert Fruin merkte echter al in 1861 op dat geschiedschrijvers geneigd zijn slechts deze beginperiode uitvoerig te beschrijven tot de moord op Willem van Oranje in 1584, terwijl dit geenszins het keerpunt van de oorlog was, dat pas in 1588 kwam met de oprichting van de Republiek en de nederlaag van de Spaanse Armada, en na de Tien jaren daarna pas de Opstand (althans voor het Noorden) vrijwel gewonnen was.[7]

Volgens de gereformeerde antirevolutionaire Guillaume Groen van Prinsterer ging de Opstand om hoe door Gods leiding het Nederlandse volk onder het huis Oranje-Nassau zijn vrijheid wist te verwerven. Dit kwam het duidelijkst naar voren in zijn Handboek der geschiedenis van het vaderland (1846).[8]

De door Rankes historisme en Mills liberalisme beïnvloede Fruin, die als eerste de leerstoel vaderlandse geschiedenis van de Universiteit Leiden bekleedde, betrachtte een wetenschappelijke benadering van de Opstand, in tegenstelling tot de louter verhalende geschiedenis die tot dan toe gebruikelijk was. Fruin richtte zich daarbij hoofdzakelijk op twee perioden: Tien jaren uit den Tachtigjarigen Oorlog (1857) over 1588-1598 en Het voorspel van de Tachtigjarigen Oorlog (1859) over 1555-1568. In zijn werk is aanvankelijk wel enige staatsgezindheid te merken, later daarentegen orangisme.[9]

De eveneens liberale Reinier Cornelis Bakhuizen van den Brink heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderzoek door het opzetten van het Rijksarchief. Ook gaf in 1859 zijn vertaling van The Rise of the Dutch Republic (1856) van de Amerikaanse puriteinse historicus John Lothrop Motley een flinke impuls aan de discussie.[10]

Het katholieke antwoord op de protestantse en liberale geschiedschrijving kwam van Willem Jan Frans Nuyens, die stelde dat ook katholieken goede vaderlanders konden zijn en velen van hen ook meevochten tegen de Spanjaarden tijdens de Opstand. Nuyens werk Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVIe eeuw (Amsterdam, 1865-70, 8 delen) was belangrijk voor het (her)vinden van de rol van de Nederlandse katholieken in de Opstand en daarmee in de Nederlandse staat en droeg bij aan hun emancipatie.

De sociaaldemocratische Pieter Geijl bracht begin 20e eeuw een vernieuwende visie op de Opstand, door te stellen dat deze inging tegen de logische loop der geschiedenis, waarin uiteindelijk elk volk zijn eigen staat zou moeten kunnen vestigen, terwijl dit voor een deel van wat Geijl zag als de Nederlandse stam, namelijk het zuidelijke oftewel de Vlamingen, niet opging. Geyl meende dat de Republiek door had moeten vechten om ook de Nederlandstalige gewesten van het latere België te veroveren, die in de jaren 1579-1585(-1604) verloren waren gegaan, zodat er een Dietse volksstaat zich had kunnen vestigen. Hij pleitte in de Groot-Nederlandse gedachte (1925, 1930) om de tijdens de Opstand verloren gegane Vlaams-Nederlandse eenheid te herstellen. Daarvoor moest de geschiedenis worden herschreven in Groot-Nederlandse zin, en Geijl trachtte dat in zijn werk Geschiedenis van de Nederlandsche Stam (1939-1962), waarin hij echter niet verder kwam dan het jaar 1798.[11]

De discussie over de Opstand gaat tot op de dag van vandaag voort.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Groenveld, S. ... [et al.]. De Tachtigjarige Oorlog : opstand en consolidatie in de Nederlanden (ca. 1560-1650) / Zutphen : Walburg Pers, cop. 2008. - 432 p. : ill. ; 31 cm. Oorspr. uitg. in 2 dl. o.d.t.: De kogel door de kerk? : de opstand in de Nederlanden 1559-1609. - 1983, en De bruid in de schuit : de consolidatie van de Republiek 1609-1650. - 1985. - Met index, lit. opg. ISBN 90-5730-537-2 geb. ISBN 978-90-5730-537-5 geb.
  • Deursen, A. Th. De last van veel geluk. Geschiedenis van Nederland 1555-1702 ISBN 9035126270 (eerste uitgave 2004)
  • Fruin, R. Het voorspel van de 80-jarige oorlog (eerste uitgave 1859)
  • Fruin, R. Tien Jaren uit de 80-jarige oorlog 1588-1598 (eerste uitgave 1857)
  • Graaf, R. de, Oorlog, mijn arme schapen. Een andere kijk op de Tachtigjarige Oorlog, 1565-1648 ISBN 9051942729 (eerste uitgave november 2004)
  • Israel, J.I. De Republiek 1477-1806, Franeker 1996 (vertaling van The Dutch Republic: its rise, greatness and fall 1477-1806, Oxford 1995)
  • Presser, J. e.a. De Tachtigjarige Oorlog (twee delen) (eerste uitgave 1941, maar niet onder de naam Presser in verband met zijn Jood-zijn)
  • Briels, J. Zuid-Nederlanders in de Republiek 1572 - 1630. Een demografische en cultuurhistorische studie ISBN 90 6467 062 5
  • Groot, H. de, Kroniek van de Nederlandse Oorlog. De Opstand (1559-1588), ISBN 978 94 6004 156 3, vertaald door J. Waszink, 2014
  • De Tachtigjarige Oorlog, Universiteit Leiden

Noten

  1. a b In de traditionele geschiedschrijving geldt de Slag bij Heiligerlee (23 mei 1568) als het begin van de oorlog. Critici menen dat eerdere krijgshandelingen, zoals de Slag bij Dalheim (23 april 1568), de Slag bij Oosterweel (13 maart 1567), het Beleg van Valencijn (december 1566-maart 1567) of de Beeldenstorm (vanaf 10 augustus 1566) als het eigenlijke begin moeten worden gezien.
  2. a b Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Tachtigjarige Oorlog. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  3. De bijnaam ijzeren hertog verkreeg Alva doordat hij na de slag bij Jemmingen de op Lodewijk van Nassau buitgemaakte kanonnen liet omsmelten tot een ijzeren standbeeld van zichzelf, dat hij in Antwerpen liet plaatsen.
  4. dutchrevolt, Willem van Oranje roept op tot verzet
  5. isgeschiedenis.nl Martijn Boere Bloedbad van Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog 1 december 2011
  6. Mehmet Bulut. Ottoman-Dutch Economic Relations in the Early Modern Period 1571-1699, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2001
  7. Robert Jacobus Fruin, Tien jaren uit den tachtigjarigen oorlog, 1588-1598 (tweede uitgave 1861), 1. Amsterdam: Gebhard & Co.
  8. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Groen van Prinsterer, Guillaume. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  9. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Fruin, Robert Jacobus. Microsoft Corporation/Het Spectrum.
  10. De werken van J.L. Motley, vertaald door Bakhuizen van den Brink, op dbnl.org
  11. Encarta-encyclopedie Winkler Prins (1993-2002) s.v. Geyl, Pieter Catharinus Arie. Microsoft Corporation/Het Spectrum
Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 1 februari 2004 in deze versie opgenomen in de etalage.
Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Thema:Tachtigjarige Oorlog op Wikisource
Gevechten in de Tachtigjarige Oorlog
Eerste opstand:
(1567-1570)
Valencijn · Wattrelos · Lannoy · Oosterweel · Eerste invasie (Dalheim · Heiligerlee · Groningen · Eems · Jemmingen · Geldenaken · Loevestein)
Tweede opstand:
(1572-1576)
Den Briel · Vlissingen · Tweede invasie (Valencijn · Bergen · Saint-Ghislain · Roermond · Diest · Leuven · Mechelen · Dendermonde · Zutphen · Bredevoort · Zwolle · Kampen · Steenwijk) · Oudenaarde · Stavoren · Dokkum · Don Frederiks veldtocht (Mechelen · Diest · Roermond · Zutphen · Naarden · Geertruidenberg · Haarlem · Diemen · Alkmaar) · Vlissingen · Borsele · Zuiderzee · Alkmaar · Leiden · Reimerswaal · Derde invasie · Mookerheide · Lillo · Zoetermeer · Buren · Oudewater · Schoonhoven · Krimpen aan de Lek · Woerden · Bommenede · Zierikzee · Muiden · Aalst · Slag bij Vissenaken · Maastricht · Antwerpen · Spanjaardenkasteel (Gent)
Algemene opstand:
(1576-1578)
Utrecht · Steenbergen · Breda · Amsterdam · Gembloers · Zichem · Beleg van Limburg · Inname van Dalhem · Nijvel · Kampen · Rijmenam · Aarschot · Deventer
Parma's negen jaren:
(1579-1588)
Maastricht · 's-Hertogenbosch · Baasrode · Kortrijk · Delfzijl · Oldenzaal · Groningen · Mechelen · Zwolle · Hardenbergerheide · Coevorden · Halle · Steenwijk · Kamerijk · Doornik · Noordhorn · Breda · Aalst · Oudenaarde · Punta Delgada · Lochem · Eindhoven · Gent · Aalst · Terborg · Antwerpen · Zutphen · Kouwensteinsedijk (Antwerpen) · Amerongen · IJsseloord · Boksum · Axel · Neuss · Rijnberk · Grave · Zutphen · Warnsveld · Venlo · Sluis · Bergen op Zoom · Grevelingen
Maurits' tien jaren:
(1589-1599)
Zoutkamp · Breda · Steenbergen · Veldtocht van 1591 (Zutphen · Deventer · Delfzijl · Knodsenburg · Hulst · Nijmegen) · Steenwijk · Coevorden · Luxemburg · Geertruidenberg · Coevorden · Groningen · Hoei · Grol · Calais · Hulst · Veldtocht van 1597 (Turnhout · Venlo · Rijnberk · Meurs · Grol · Bredevoort · Enschede · Ootmarsum · Oldenzaal · Lingen · Rijnberk · Zaltbommel)
Elf jaren strijd:
(1600-1607)
Nieuwpoort · Rijnberk · Oostende · Sluis · Spinola 1605-1606 (Oldenzaal · Lingen · Bergen op Zoom · Mülheim · Wachtendonk · Kasteel Krakau · Bredevoort · Berkumerbrug · Grol · Rijnberk · Lochem · Grol · Gibraltar
Twaalfjarig Bestand:
(1609-1621)
Gulik-Kleefse Successieoorlog (Gulik) · Wezel · Antwerpen
Eindstrijd:
(1621-1647)
Gulik · Steenbergen · Bergen op Zoom · Veluwe · Breda · Oldenzaal · Grol · Baai van Matanzas · 's-Hertogenbosch · Veluwe · Wesel · Veldtocht langs de Maas (Venlo · Roermond · Maastricht) · Rijnberk · Philippine · Tienen · Schenkenschans · Breda · Venlo · Kallo · Duins · Sint-Vincent · Hulst · Antwerpen · Venlo · Puerto de Cavite