Beleg van Oostende

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Beleg van Oostende
Onderdeel van de Tachtigjarige Oorlog
Beleg.Oostende(01).jpg
Datum 4 juli 1601 - 22 september 1604
Locatie Oostende, graafschap Vlaanderen, Nederlanden
Resultaat Inname van de stad
Strijdende partijen
Flag of Cross of Burgundy.svg Spaanse leger (+andere katholieken) Prinsenvlag.svg Staatse leger (+andere protestanten)
Commandanten
Aartshertogen Albrecht en Isabella Daniel de Hertaing
Francis Vere
Troepensterkte
Onbekend Onbekend
Verliezen
76.961 77.684
Portret van Antonio Servás, korporaal-sappeur (zie tekst) in het Real Academia de Bellas Artes de San Fernando te Madrid - schilderij van Pieter Snayers

Het Beleg van Oostende was de belegering, gedurende drie jaar en drie maanden (in totaal 1172 dagen), van Oostende door de koninklijke Spaanse troepen van aartshertog Albrecht van Oostenrijk en aartshertogin Isabella van Spanje.

Wat vooraf ging[bewerken]

Halfweg de 16e eeuw brak de Tachtigjarige Oorlog uit. Om zich te beschermen tegen plunderende Geuzen werden eerste versterkingen aangebracht in 1572. De aanleiding hiertoe vormden bosgeuzen die uit Oudenaarde werden verjaagd en via Oostende wilden ontsnappen.

In navolging van de grote Vlaamse steden koos Oostende de kant van de Nederlandse Opstand. De stad huisvestte Engelse en eigen troepen die Oostende uitbouwden tot een vestingstad. Alexander Farnese trachtte Oostende in 1583 al te belegeren, maar gaf het na drie dagen op. Enkel Oostende, Sluis en wat kleine Scheldesteden hielden toen nog Staatse troepen, voor de rest was heel Vlaanderen nu onder het bestuur van de Spaanse Nederlanden teruggekeerd. In 1585 stak men de noorderdijk door zodat de achterliggende polders dagelijks onderstroomden als natuurlijke barrière. Door de getijdenwerking werd er een grote geul uitgesleten waarlangs wapens aangevoerd konden worden. Dit is de basis voor de huidige havengeul van Oostende. Het duurde nog tot ver in de 19de eeuw alvorens de historische Oostendse polders volledig droog waren daar zij als spoeldok moesten blijven fungeren. Ter verdediging werden ook sperforten gebouwd: Sint-Isabella (Mariakerke), Sint-Clara (Stene), Groten Dorst, Sint-Michiels(Konterdam) en de forten van Bredene.

Beleg[bewerken]

Het beleg begon op 4 juli 1601. Dankzij de verdediging van Charles van der Noot en generaal Francis Vere hield Oostende drie jaar lang stand, mede doordat de stad vanuit zee kon worden bevoorraad. Tijdens het beleg probeerde het Staatse leger de troepen onder koninklijk gezag af te leiden, door andere steden aan te vallen. Zo werd in 1601 Rijnberk belegerd en het jaar erop Grave. Oostende werd in 1604, zij het met verlies van het noordelijker gelegen Sluis aan de Staatsen veroverd onder de Spaanse generaal Ambrogio Spinola, die als legeraanvoerder in dienst van landvoogd Albrecht was gekomen. De stad moest capituleren op 22 september. De krachtmeting waarin beide partijen bovenmatig investeerden toonde het belang dat aan de havenplaatsen, ook die van de kust, werd gehecht. De prijs aan mensenlevens was in verhouding. Tijdens de slijtageslag van dit driejarig beleg verloren de Spaanse belegeraars ongeveer 76.961 man; aan Staatse kant vielen 77.684 slachtoffers. Bovendien waren er vele tienduizenden zwaargewonden en verminkten. De stad werd volledig verwoest.

Gevolgen[bewerken]

Beleg van Oostende (Pieter Snayers)
Belegeringswerktuigen tijdens het beleg van Oostende. Michiel Colijn

Door de val van Oostende verdween het laatste calvinistisch bolwerk in het zuiden. De calvinisten moesten óf vertrekken (meestal naar het nabije Sluis en Aardenburg), óf katholiek worden. Dit bezegelde het vertrek van zo'n 250.000 calvinisten naar het noorden, maar ook naar Engeland, Duitsland en overzee. Er bleven nog een paar kleine schuilgemeenten over, onder andere in Rogny, Hodimont en in de Borinage.

Het jaar daarop namen de Zuidelijke Nederlanden zelf het initiatief in de strijd en begon Spinola's veldtocht van 1605-1606.

Trivia[bewerken]

De schilderij van Pieter Snayers toont de 56 jaar oude Antonio Servás, een korporaal-sappeur van de Spaanse troepen die volgens de inscriptie op het schilderij deelnam aan het beleg van Oostende. In zijn linkerhand houdt hij een laadstok om explosieven te ontsteken.

Het verhaal gaat dat aartshertogin Isabella ter gelegenheid van het beleg in 1601 de gelofte deed niet meer van hemd te veranderen tot de dag dat Oostende zou zijn ingenomen. Het is echter historisch bewezen dat dit niet de oorsprong is van de kleur isabel. [1] De kleur isabel zou al in de Middeleeuwen bestaan hebben. Ook de relatie met het beleg van Granada van 1492 en Isabella van Castilië is verzonnen.

Referentie[bewerken]

  • Thomas, Werner et al. - De Val van het nieuwe Troje : Het beleg van Oostende (1601-1604); catalogus van de tentoonstelling tussen 29 mei en 27 september 2004 in Oostende; Davidsfonds, Leuven; ISBN 90-5826-280-4
  1. Simon Ippel in het heemkundig tijdschrift van Oostende De Plate 2001, p 103

Externe link[bewerken]