Geuzen (Tachtigjarige Oorlog)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gevel in Brielle

Met de term geuzen werden aanvankelijk Nederlandse edelen, tegenstanders van de Spaanse koning Filips II aangeduid. Later verwees de term specifiek naar de strijders die te land (bosgeuzen, soms ook wilde geuzen) of te water (watergeuzen) de Spanjaarden bevochten.

Etymologie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Geuzennaam
Traditioneel embleem van de Geuzen

Het woord geus is afgeleid van het Franse gueux. Dat woord betekent armoedzaaier of schooier, maar het kreeg een positieve betekenis voor al wie in die tijden niet Spaansgezind was. De oorsprong van de benaming 'geus' ligt bij een uitspraak van Karel van Berlaymont: N'ayez pas peur, Madame, ce ne sont que des gueux (vertaling: Wees niet bang, mevrouw, het zijn slechts bedelaars). Hij wilde daarmee aan de landvoogdes Margaretha van Parma duidelijk maken dat zij zich niet hoefde in te laten met de in het Eedverbond der Edelen verenigde aristocratie, die onder leiding van Hendrik van Brederode haar op 5 april 1566 een smeekschrift aanbood. De tegenstanders van de Spanjaarden, in het begin voornamelijk calvinisten, namen het scheldwoord over en veranderden het daarmee van een pejoratieve in een positieve benaming. Nog altijd wordt de term geuzennaam op die manier gebruikt. Zie ook Geuzenpenning (prijs) en voor de uitvoering van vroege geuzenpenningen Geuzen- en aanverwante penningen.

Geschiedenis[bewerken]

De geuzen waren van afkomst zeer gemengd. De geuzenvloot bestond vooral uit verarmde adel die verbeurdverklaarde bezittingen terug wilde (zoals Arent VII van Duivenvoorde) met daarbij avonturiers, werkloze zeelui en marginale elementen, zelfs gewone misdadigers. De geuzenvloot was in de periode 1567 - 1572 het enige werkelijk effectieve machtsmiddel dat prins Willem van Oranje tegen de Spaanse koning kon inbrengen. Vooral in 1572 bleek de grote betekenis van deze geuzenvloot.

De eerste geuzen[bewerken]

Op 27 december 1566 werden Vlaamse Calvinisten en geuzen uitgemoord te Wattrelos. Deze watergeuzen werden door Willem van Oranje, wiens bezittingen verbeurd verklaard waren, voorzien van kaperbrieven.

Watergeuzen in een sloep bij de Slag bij Lillo op een 16e-eeuws wandtapijt

De geuzen begonnen in de traditie van Frans van Brederode, Grote Pier en Wijerd Jelckama. De hertog van Alva reageerde op de aanvallen met het konvooieren en bewapenen van koopvaardijschepen, een geslaagde tactiek uit de periode van de oorlogen met Frankrijk tien jaar eerder. De poging van Lodewijk van Nassau om Groningen te veroveren, de Slag bij Heiligerlee (1568), markeerde het ontstaan van de Watergeuzen. Zij zorgden voor de bevoorrading van de troepen en kaapten Hollandse schepen. Daarop gaven Alva en Maximiliaan van Hénin-Liétard opdracht om schepen uit te rusten om tegen de kaperij van de geuzen op te treden, waarvoor Amsterdam drie karvelen en een boeier leverde. Tijdens de eerste zeeslag van de Tachtigjarige Oorlog die volgde, behaalde de sterkere geuzenvloot in juli 1568 een overwinning op het Hollandse eskader van viceadmiraal Francois van Boshuizen in de Zeeslag op de Eems.

Geuzenplunderingen 1569-1571[bewerken]

Na de verloren Slag bij Jemmingen was er van de samenhang van de Watergeuzen niet veel over. Doordat Holland echter niet bereid was de kosten te dragen van de door Alva gewenste Bourgondische vloot, was er in 1569 geen tegenstand waardoor Dolhain, een Hugenoot, in 1569 tientallen schepen kon nemen op het Vlie. Bossu wist de geuzen daarna uit het noorden te verdrijven, maar moest daarna de vierde bruid van Filips II, Anna van Oostenrijk (1549-1580), naar Spanje escorteren. Op de terugweg, eind december 1570, kwam hij aan in La Rochelle om beschutting te zoeken voor het zware weer. La Rochelle was echter een centrum voor hugenoten geworden en Lodewijk van Nassau bevond zich hier, waarop een artillerieduel volgde.

Aangezien de commandant van de watergeuzen, Louis de Bergues, broer van Dolhain, tegen de afspraken in neutrale schepen bleef overvallen, benoemde Willem van Oranje in augustus 1570 Guislain de Fiennes, heer van Lumbres (Artesië), als admiraal, de eerste van de gehele geuzenvloot. Deze had contacten met Elizabeth I van Engeland. De geuzen mochten ook gebruik maken van Engelse havens. Hij was evenwel geen zeeman, maar moest met zijn diplomatieke gaven van de geuzen een eenheid maken. Ondanks plannen voor een grootscheepse aanval komt men niet verder dan de verovering van Texel onder leiding van Lancelot van Brederode, broer van Hendrik van Brederode.

In het voorjaar van 1571 plunderden de geuzen Monnickendam, Schellingwoude en omgeving. Een paar van deze schepen rustte ook de watergeus Lenaert Jansz de Graeff uit, die zich later met de vloot van Willem van der Marck bij de inname van Den Briel verenigden. Als reactie hierop werd een deel van de Spaanse soldaten in Utrecht naar Holland overgebracht en op 21 mei liet Alva elf schepen uitvaren onder Boshuizen, die een maand later de geuzen versloeg bij Emden. De hoofdmacht van de geuzen in het Kanaal ontvluchtte Boshuizen naar Dover.

Voor de tweede maal zijn er plannen voor een grote aanval met behulp van Karel IX van Frankrijk, de hugenoten en Elizabeth I, waar echter niets van kwam, doordat veel kapiteins meer voordeel zagen in de kaapvaart. De Fiennes trok zich daarom terug en werd opgevolgd door Willem van der Marck, bekend als heer van Lumey.

De Geuzenopstand[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geuzenopstand voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ondertussen wilde Elizabeth de relaties met Spanje verbeteren en verdreef de geuzen uit de Engelse havens. Eén van de gevolgen was de inname van Den Briel op 1 april 1572, door de watergeuzen onder aanvoering van Bloys van Treslong door de Noordpoort. Het wordt wel gezien als het begin van de opstand in de Nederlanden, maar voor Alva was het verlies van Vlissingen op 6 april schokkender. Vanaf hier maakten de bosgeuzen zich los van de watergeuzen; onder leiding van Jacob Blommaert trokken zij door Vlaanderen en veroverden Oudenaarde op 7 september.

Ondertussen verbreidde de opstand zich over de gewesten Holland en Zeeland, met uitzondering van de steden Middelburg, Amsterdam en Goes. Bovendien kregen de geuzen steun van Willem van Oranje, die zijn tweede invasie begon vanuit de oostelijke Nederlanden.

In juni 1572 sloot Enkhuizen zich aan bij de opstandelingen. De gewesten Holland en Zeeland en de Gelderse steden Zaltbommel en Buren sloten de Unie van Dordrecht.

Doordat Den Briel, Vlissingen en Enkhuizen zich bij de opstand hadden aangesloten, hadden de geuzen de controle over de handelsroutes. Een ander gevolg was dat deze watergeuzen niet meer hoefden rond te zwerven. Ze vielen nu onder de magistraten van deze steden, die ook zorgden voor de financiering van de opstand. Op de eerste vrije vergadering van de Staten van Holland werd besloten alle commissiebrieven in te trekken. Ook probeerde men zich te ontdoen van de ongedisciplineerde elementen die de opstand schade berokkenden. Op grote schaal werden namelijk katholieke burgers en geestelijken vermoord en kloosters geplunderd. Willem van Oranje ontsloeg van Lumey voor de moord op de Martelaren van Gorcum. Van een opstand door het gewone volk was echter geen sprake.

Latere jaren[bewerken]

De Slag op de Zuiderzee werd aangevoerd door Cornelis Dirkszoon, burgemeester van Monnickendam. Al op 11 oktober 1573 werd de Spaanse admiraal Bossu gevangengenomen.

Bij het ontzet van Alkmaar en Leiden waren de watergeuzen van vitaal belang. Op 29 januari 1574 versloegen de geuzen de Spaanse vloot op de Westerschelde in de Slag bij Reimerswaal, op 19 februari werd Middelburg door geuzen veroverd.

De betekenis van de watergeuzen tijdens de eerste jaren van de Tachtigjarige Oorlog kan moeilijk worden overschat. Dankzij de inname van Den Briel en de daaropvolgende Geuzenopstand wisten zij de Staatse partij vaste grond te bieden in de strijd tegen de Spanjaarden, waar Willem van Oranje ondanks zijn eigen inzet niet in was geslaagd.

Namen van (Water)geuzen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Asaert, G., Beylen, J. van, Jansen, H.P.H. et al (1976): Maritieme geschiedenis der Nederlanden 1, De Boer Maritiem, Bussum.