Karveel (scheepstype)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een latijns getuigd karveel, Caravela Latina
Karveel op een tekening in het Museum Forte da Ponta da Bandeira; Lagos, Portugal.

Het karveel was een gladboordig scheepstype dat voortkwam uit een ander scheepstype, de hulk. Hoewel karveelbouw staat voor gladboordige schepen, was niet elk gladboordig schip echter een karveel.

De naam wordt wel gebruikt als vertaling voor caravela, een snel zeilschip (handelsschip) uit Portugal, maar dit is niet hetzelfde scheepstype. De Portugese Caravela diende om handel te drijven met Noord-Afrika en werd in oorsprong gebruikt om kust en rivieren van de Bissagos archipel van Guinee-Bissau te koloniseren. Het meest noordelijke eiland van deze archipel heeft de naam Caravela.

De naam carabela/caravela werd voor het eerst genoemd in een charter van Alfons III (1255) voor een vissersscheepje van de Portugese kust.

Het belangrijkste kenmerk van een karveel als schip is echter de plaats van de mast, op één derde van de voorsteven, waar het schip ook zijn grootste breedte heeft. Dit in tegenstelling tot eerdere types van zowel noordelijke als mediterrane oorsprong. Hierdoor was het niet alleen sneller maar was ook zeewaardiger en had tevens meer ruimte voor vracht.

Later werd het niet alleen groter gebouwd maar het kreeg in verband met de handelbaarheid ook drie masten. Deze konden zowel dwars- als Latijngetuigd zijn. Bij de caravela redonda was de fokkemast met razeilen getuigd en de andere masten met latijnzeilen. De caravela latina was met alleen latijnzeilen getuigd.

Twee van de drie schepen waarmee Christoffel Columbus naar de nieuwe wereld voer (1492), de Niña en de Pinta, waren dergelijke carabelas.

Rechterkant laat karveelbouw zien

Karveelbouw[bewerken]

De term karveelbouw betekent dat deze niet overnaads of dakpangewijs is gebouwd, maar dat de planken of delen met de zijkanten stuitend tegen elkaar zijn geplaatst, gladboordig.

De karveelbouwwijze was al vroeg bekend in China, in het oude Egyptische rijk en bij de Feniciërs. In de Middeleeuwen was het algemeen in het Middellandsezeegebied en vandaar uit verspreidde deze bouwwijze zich via Zuid-Europa naar het noorden.

In de vroege Middeleeuwen was deze werkwijze wel bekend in de noordelijke landen, maar werd alleen toegepast bij de platbodemscheepjes en dan met name alleen nog voor de bodem of kielplanken.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Asaert, G.; Beylen, J.; Jansen, H.P.H. (red) (1976): Maritieme geschiedenis der Nederlanden, deel 1, De Boer Maritiem, Bussum, p. 127.