Belegering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Krijgswetenschap

M1A1 abrams front.jpg

Assyrische stormram en belegeringstoren uit de 9e eeuw v.Chr.
Eenvoudige stormram met metalen punt in gebruik
Mobiele borstweringen gebruikt tijdens het Beleg van Oostende.
Perspectieftekening van een 17e-eeuwse belegering

Een beleg of belegering is een langdurige militaire blokkade en aanval op een stad of fort. Een belegering begint met de berenning, en heeft door middel van uitputtingsoorlogsvoering het doel om tot de verovering van een vesting of stad te komen. Een beleg begint doorgaans wanneer een aanvaller een verdedigde plaats wil innemen die weigert zich over te geven en niet eenvoudig met een frontale aanval kan worden ingenomen. Een beleg betekent typisch de omsingeling van de stad, het afsnijden van de bevoorrading ervan, bombardement en ondermijning van de verdedigingswerken en de inzet van belegeringswapens. Een belegering kon voor de ontdekking van het buskruit soms wel maandenlang duren aangezien de belegerde steden regelmatig een flinke voedselvoorraad bezaten.

Een beleg heeft drie mogelijke uitkomsten:

  1. De verdedigers weerstaan de aanvallers zonder hulp van buitenaf, in welk geval de positie heeft "standgehouden".
  2. Als de verdedigers winnen met hulp van buitenaf dan heet het "ontzet".
  3. Als de aanvallers winnen en de verdedigers overmeesteren en eventueel vernietigen, dan is de verdedigde plaats "gevallen".

Geschiedenis[bewerken]

In het 4e millennium v.Chr. hadden verschillende steden van de Indusbeschaving al stadsmuren. Vanaf die tijd zullen er waarschijnlijk belegeringen hebben plaatsgevonden. De gebruikelijkste vorm van belegering was de volledige isolatie van de stad of vesting, waarna men wachtte totdat de tegenstander zich door voedselgebrek of uitbraak van ziekten overgaf. Een circumvallatielinie, een volledige dubbele omsluiting van een belegerde stad die voornamelijk bekend is van het beleg van Alesia in 52 v.Chr. door Julius Caesar, werd al toegepast in 429 v.Chr. tijdens de Peloponnesische Oorlog, toen de Spartanen de Griekse stad Plataeae belegerden, die zich na een tweejarige belegering moest overgeven. Regelmatig kon een versterking ook door verraad worden ingenomen.

Offensieve belegeringen bestonden in de vroegste tijden voornamelijk uit massale bestormingen met touwen en stormladders. Op Egyptische afbeeldingen in het Ramesseum van het beleg van Dapur in 1269 v.Chr. zijn belegeraars met ladders te zien. Belegeringswapens deden pas in het begin van het 1e millennium v.Chr. hun intrede. In de 9e eeuw v.Chr. werden in het Nieuw-Assyrische Rijk reeds stormrammen en belegeringstorens gebruikt, zoals is te zien op reliëfs uit die periode in het paleis van Assurnasirpal II in Kalhu. Belegeringskatapulten werden vanaf circa 400 v.Chr. gebruikt en in het midden van de 4e eeuw v.Chr. verscheen de helepolis, een gigantische belegeringstoren met tientallen ingebouwde katapulten. In de 3e eeuw v.Chr. werd de sambuca uitgevonden, een op twee of meerdere schepen bevestigde valbrug of belegeringstoren om aan zee grenzende stadsmuren in te nemen. Een andere belegeringsmethode was het ondermijnen van muren door het graven van tunnels.

Tot diep in de middeleeuwen werden bovenstaande methodes gebruikt. In de 12e eeuw verschenen zware slingerarmkatapulten als de mangonel en trebuchet, die stenen van honderden kilogrammen konden wegslingeren en muren konden verbrijzelen en met de komst van het kanon in de 14e eeuw konden muren nog makkelijker worden neergehaald. De bouw van vestingen met aarden omwallingen, bastions, ravelijnen en grachten in de 15e eeuw zorgden ervoor dat kanonnen minder effectief werden, waarop de aanvaller weer de toevlucht nam tot bombardementen en isolatie.

Beroemde/beruchte belegeringen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek beleg op in het WikiWoordenboek.