Frederik Hendrik van Oranje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Frederik Hendrik
1584 - 1647
Frederik Hendrik by Michiel Jansz van Mierevelt.jpg
Prins van Oranje
Periode 1625-1647
Voorganger Maurits
Opvolger Willem II
Stadhouder van Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijsel en vanaf 1640 Groningen
Periode 1625-1647
Voorganger Maurits
Opvolger Willem II
Vader Willem van Oranje
Moeder Louise de Coligny
Dynastie Oranje-Nassau

Frederik Hendrik (Delft, 29 januari 1584Den Haag, 14 maart 1647), prins van Oranje, graaf van Nassau, werd geboren als enige zoon uit het huwelijk van Willem van Oranje en Louise de Coligny. Hij volgde in 1625 zijn halfbroer Maurits op als stadhouder. Als opperbevelhebber (kapitein-generaal) van het leger gaf hij, evenals Maurits, voorkeur aan het belegeren van steden boven veldslagen, aangezien de Spaanse infanterie nog altijd zeer geducht was. In de jaren '30 van de 17e eeuw was die in de Zuidelijke Nederlanden zelfs sterker dan ooit. Vanwege zijn vele succesvolle belegeringen kreeg hij de bijnaam 'stedendwinger'.

Inhoud

[bewerken] Stadhouder

Frederik Hendrik werd in 1602 benoemd tot legeraanvoerder. Tijdens het beleg van Grave (1602) was hij slechts 18 jaar en kreeg hij de troepen van de gewonde sir Francis Vere onder zijn bevel. Tijdens dit beleg wist Frederik Hendrik met zijn troepen een halve maan te veroveren. In 1606 slaagde hij erin het vestingstadje Bredevoort, dat belegerd werd door Du Terrail, te ontzetten.

Toen zijn broer Maurits van Oranje op 23 april 1625 overleed, werd Frederik Hendrik als zijn opvolger als stadhouder benoemd in Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel en Gelderland. Een jaar later begon hij met zijn neef Ernst Casimir, stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, een veldtocht tegen de Spaanse Nederlanden, en veroverde in dat jaar Oldenzaal. In 1627 won hij het Beleg van Groenlo (1627).
In 1628 wist de kaper Piet Hein bij de slag in de baai van Matanzas een Spaanse Zilvervloot te veroveren, waarmee hij een enorme schat voor de Republiek verwierf. Frederik Hendrik kon die goed gebruiken in zijn strijd. In 1629 belegerde hij 's-Hertogenbosch, en met succes: de stadhouder wist de 'moerasdraak' te veroveren.

Door zijn militaire genie, in het bijzonder zijn deskundigheid in belegeringen, slaagde hij erin het grondgebied van de Republiek verder uit te breiden naar het zuiden; een inval in Vlaanderen moest in 1631 afgeblazen worden, maar tijdens de veldtocht langs de Maas in 1632 viel Opper-Gelre in zijn handen door de inname van de steden Venlo en Roermond (bij Roermond sneuvelde Ernst Casimir echter). Vervolgens werd opgetrokken naar Maastricht. Een bestorming van de stad mislukte, maar na een beleg van zes weken maakte Frederik Hendrik zich in september 1632 toch meester van deze belangrijke stad.
Kort na deze overwinningen zou Frederik Hendrik overwogen hebben om Brussel aan te vallen, maar tot vaste plannen is het nooit gekomen en hij bleef tot november in Maastricht.

In 1635 raakten Frankrijk en Spanje weer met elkaar in oorlog, deze maal in het kader van de Dertigjarige Oorlog. Frederik Hendrik zag wel heil in een bondgenootschap met Frankrijk, en op 8 februari 1635 ondertekende hij met de Franse kardinaal de Richelieu een verdrag in Parijs, waarbij werd afgesproken om na de overwinning op de Spanjaarden de Zuidelijke Nederlanden onderling te verdelen. De Republiek zou Brabant en Mechelen krijgen en Frankrijk de rest. Dat hield in dat Frankrijk het grootste deel van Franstalig Vlaanderen zou krijgen; alleen het noorden van Vlaanderen, Antwerpen en (Staats-Vlaanderen) zou bij de Republiek komen. Frederik Hendrik kon dit verdrag echter niet verkopen aan zijn achterban; de calvinisten konden niet verkroppen dat in de door Frankrijk geannexeerde gebieden de protestanten hooguit binnenshuis hun godsdienst mochten belijden; de stad Amsterdam zag de grote concurrent Antwerpen liever in handen van een vijandelijke mogendheid, zodat die ook met militaire middelen bestreden kon worden; de 'Staten-partij' van Adriaan Pauw zag ook geopolitieke risico's: die zag de Zuidelijke Nederlanden liever als buffer in Spaanse handen, dan dat de Republiek aan het machtige Frankrijk zou komen te grenzen.

Frederik Hendrik zette toen maar zonder de Fransen zijn campagne voort. In 1636 veroverde hij in het oosten het strategisch belangrijke versterkte eiland in de Rijn, Schenkenschanz. In 1637 won hij het Vierde beleg van Breda, dat sindsdien in Staatse handen zou blijven. Hij verloor Venlo en Roermond echter weer aan de Spanjaarden.
Na Breda richtte hij zich op wat hij al jaren wenste: de herovering van de stad Antwerpen op de Spanjaarden, die in 1585 voor de Opstand verloren gegaan was. Maar toen zijn neef Willem van Nassau in zijn opdracht in 1638 een poging waagde, werd hij grondig verslagen in de Slag bij Kallo.
Deze tegenslag voor de Republiek probeerde Spanje onmiddellijk uit te buiten door een tweede 'Armada' van zo'n 77 schepen te zenden. Door Maarten Tromp werd deze vloot in 1639 echter vernietigd in de Slag bij Duins, waarmee echter niet was voorkomen dat al een redelijk aantal troepen in Vlaanderen aan land was gezet. Dit markeerde een voorlopig hoogtepunt in de Nederlandse maritieme macht, waarna het accent weer verschoof naar de oorlog te land, waar de Spanjaarden hun krachten moesten verdelen tussen de strijd tegen de Republiek en in de Dertigjarige Oorlog vooral tegen Frankrijk. Langzaam terugkrabbelend concentreerde Frederik Hendrik zich op Zeeuws-Vlaanderen, waar hij Sas van Gent en Hulst veroverde. De blokkade van Antwerpen werd hierdoor versterkt.

In 1640 werd Frederik Hendrik na het overlijden van Hendrik Casimir I van Nassau-Dietz, die in 1632 zijn vader Ernst Casimir was opgevolgd, ook benoemd tot stadhouder van Groningen en Drenthe.

In 1646 deed hij nog een laatste poging om Antwerpen te herwinnen; hij sloeg het beleg voor de stad, maar slaagde er niet in haar te onderwerpen. Tijdens de laatste jaren van de Tachtigjarige Oorlog genoot Cornelis de Graeff zijn bijzonder vertrouwen bij de inmiddels aangevangen vredesonderhandelingen met Spanje.

Frederik Hendrik overleed op 63-jarige leeftijd in 1647, een jaar voordat de Vrede van Münster getekend werd; de onderhandelingen voor dat verdrag waren al vertraagd door zijn verslechterende gezondheid. Zijn stoffelijk overschot werd bijgezet in de Grafkelder van Oranje-Nassau in de Nieuwe Kerk in Delft.

[bewerken] Huwelijk en kinderen

Toen Maurits in 1625 op sterven lag, was Frederik Hendrik nog altijd ongehuwd en stond evenals zijn halfbroer bekend als rokkenjager. Frederik Hendrik had bij de burgemeestersdochter Margaretha Catharina Bruyns een bastaardzoon: Frederik van Nassau. Deze werd de stamvader van de tak Nassau-Zuylestein. Omdat Maurits altijd ongehuwd was gebleven, zette hij Frederik Hendrik ter wille van de voortzetting van de dynastie onder druk om te trouwen. Zou hij niet trouwen, dan zou hij niet de erfgenaam worden van Maurits. De Duitse Amalia van Solms, die als hofdame met de 'winterkoning' Frederik V van de Palts in 1620 mee naar Den Haag was gevlucht, kwam in beeld. Frederik Hendrik en Amalia trouwden op 4 april 1625. Anders dan Maurits ontwikkelden Frederik Hendrik en Amalia een hofhouding met koninklijke allure, waarbij Den Haag steeds meer het karakter van hofstad kreeg en de heerschappij van de Oranjes de pretenties van een monarchale dynastie aannam. De oudste zoon van Frederik Hendrik en Amalia, Willem II, kon zelfs met een Engelse prinses trouwen, Maria Stuart. Amalia legde een juwelenverzameling aan en Frederik Hendrik liet tal van paleizen en verblijven bouwen of verbouwen: in Den Haag het Paleis Noordeinde en het Huis ten Bosch, in Rijswijk het Huis ter Nieuburch (dat niet meer bestaat), in Honselersdijk (in het Westland) een buitenverblijf en in de Betuwe het kasteel van Buren. Ook schilderijen, waarvan er in de Republiek toen zoveel werden gemaakt, werden verzameld.

Frederik Hendrik en Amalia kregen 9 kinderen, waarvan 4 jong stierven:

[bewerken] Paleizen

Verschillende paleizen in Nederland zijn in Frederiks opdracht gebouwd en verbouwd; onder andere liet hij Huis ten Bosch, Huis ter Nieuburch en Huis Honselaarsdijk bouwen, ook verbouwde hij paleis Noordeinde. Frederik Hendrik was, dankzij aanmoediging van zijn secretaris Constantijn Huygens, een kunstverzamelaar. In 1634 bestond de stadhouderlijke kunstcollectie uit zo'n honderd schilderijen, waaronder een Rembrandt en een Rubens. In Huis ten Bosch is de Oranjezaal aan Frederik Hendrik opgedragen. Een wandschildering, getiteld Frederik Hendrik de Triomfator, laat de stadhouder zien als overwinnaar van zijn vijanden.

Frederik Hendrik en Amalia streefden ernaar om te worden opgenomen in de familie van Europese vorstenhuizen. Zij hadden het tij mee, want gedurende het bewind van de prins steeg de Nederlandse welvaart explosief. Het prinselijk paar wist voor zijn kinderen voorname huwelijken te sluiten. De erfprins huwde Maria Stuart, dochter van koning Karel I van Engeland, en Louise Henriëtte werd erfprinses van Brandenburg. Albertine Agnes huwde een Friese Nassau. Via haar stamt het huis Oranje-Nassau af van Willem van Oranje.

Na zijn dood werd zijn zoon Willem II benoemd tot stadhouder.

Begraeffenisse van syne hoogheyt Frederick Henrick
Begraeffenisse van syne hoogheyt Frederick Henrick
Stamboom.png Stamboom

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen