Musket

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Zie voor de garnering het artikel Musketzaad
Musketten en bajonetten

Het musket was een primitief vuurwapen, de opvolger van de haakbus. Die waren aanvankelijk zo zwaar dat ze op een fourquet (vork) steunden (oud Nederlands: furket). Ze werden ontstoken met een brandende lont (het lontslot). Later werden de musketten handelbaarder en er werd een ontstekingsmechanisme ontwikkeld (het radslot, later het vuursteenslot) dat met een stukje vuursteen werkte. Weer later werd dit vervangen door een percussiesysteem, waarbij een kleine hoeveelheid slagsas in een koperen dopje werd ontstoken, het slaghoedje ook wel genaamd percussieslaghoedje, door er druk op uit te oefenen (zoals bij een klappertjespistool). Deze manier van ontsteken was minder gevoelig voor vocht en regen dan de twee voorgaande.

Het musket had een gladde loop, en schoot doorgaans ronde, loden kogels af, die de soldaten zelf goten in een zogenaamde kogelgiettang. Om de verwondingen groter te maken, werden soms de kogels ingesneden, of werden ze per twee door middel van een metalen staafje met elkaar verbonden.

Er kon ook met schroot of hagel worden geschoten. Het wapen sproeide dat in een kegelvormig patroon in de richting van de vijand, waardoor niet nauwkeurig hoefde te worden gericht. Dit projectiel was op korte afstand heel effectief.

Effectiviteit[bewerken]

Het laden van een musket kostte veel tijd: eerst moest de pan (voor de ontsteking) met kruit worden gevuld, waarna het losse kruit, de prop en de lading via de voorzijde van de loop moesten worden geladen en met een laadstok worden aangestampt. In de 17e eeuw was de vuursnelheid veelal 1 schot per minuut. Bovendien was het wapen niet altijd even betrouwbaar vanwege de gladde loop, warmteontwikkeling en vervuiling van het wapen. Musketiers waren daarom vaak met een rapier bewapend, die zij op het slagveld altijd bij zich droegen; ook werd ze geleerd de musketkolf als slagwapen te gebruiken.

Musketvuur werd dan ook niet gebruikt om gericht te vuren, maar door met massale salvo's zo veel mogelijk schade toe te brengen aan de vijand. Door de ontwikkeling van militaire exercities, waarbij de soldaten in gecoordineerde bewegingen marcheren, laden en vuren, kon een grotere effectiviteit worden bereikt. De verdere ontwikkeling en professionalisering van de Europese staande legers, wapens en exercities leidden ertoe dat de vuurkracht en vuursnelheid steeds groter werden. Aan het einde van de 18e eeuw werd een soldaat geacht ten minste 3 keer per minuut zijn wapen te kunnen laden en vuren volgens voorschrift.

Pruisische schootstests in 1790 met musketten uit 1782, met als doel een zeildoek van 32 m breed en 1,80 m hoog (de afmeting van een infanteriecompagnie) gaven volgende resultaten:

  • afstand 300 m - treffers 20%
  • afstand 200 m - treffers 25%
  • afstand 140 m - treffers 40%
  • afstand   70 m - treffers 70%

Bij een afstand groter dan 100 m waren ernstige verwondingen relatief zeldzaam; bij een afstand kleiner dan 50 m konden ze ernstig zijn. Vanwege het relatief grote kaliber van de wapens (.69 tot .85) waren verwondingen aan lichaamsholtes, -hoofd, borst en buik,- vrijwel altijd dodelijk; verwondingen aan armen en benen leidden vaak tot amputaties als het bot verbrijzeld was.

Wapens met getrokken loop[bewerken]

Al in de 18e eeuw waren wapens met getrokken lopen bekend. De getrokken loop gaf een om de lengteas roterende beweging aan de kogel, waardoor de kogelbaan stabieler werd. Ze waren duurder in productie. Ze hadden een groter bereik maar waren aanvankelijk moeilijker te laden waardoor de vuursnelheid afnam. Wapens met een getrokken loop zijn echter pas goed bekend sinds de 19e eeuw, met de opkomst van de lichte infanterie: In Pruisen en Hessen ontstonden regimenten Jagers die met jachtbuksen waren bewapend. Deze scherpschutters werden populair en het voorbeeld voor vele Vrijkorpsen, ook in Nederland. Groot-Brittannië ontwikkelde in de Napoleontische Tijd met succes de Baker-Rifle, die op grote schaal werd ingezet. Eerst werd ze gebruikt door de Rifle Regiments (60th en 95th Regiments), later werd de Baker Rifle ook uitgereikt aan de Light Companies van de Line- en Light Regiments, en geëxporteerd naar eenheden van Geallieerde legers (Hannover, Pruisen, Spanje, Portugal, en de Koloniën). Frankrijk wist geen succesvol wapen met een getrokken loop te produceren, en Napoleon Bonaparte schafte dit geweer dan ook echter af in 1807 omwille van de hoge productiekosten.

Trivia[bewerken]

Aan de musket zijn de Nederlandse uitdrukkingen lont ruiken (argwaan krijgen) en de plaat poetsen (er snel vandoor gaan) ontleend. Het ruiken van de geur van een brandend muskettenlont was voor een musketier reden om de vijand vlak in de buurt te verwachten. Als men er snel vandoor moest gaan met een musket dan sleepte men het wapen aan de loop achter zich aan. De (koperen) plaat die achter op de kolf zat werd dan door het zand schoon geschuurd/gepoetst.