Musket

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Zie voor de garnering het artikel Musketzaad
Musketier (uit de Wapenhandelinghe van Roers, Musquetten ende Spiessen, Jacob de Gheyn, 1607)

Een musket (Frans: mousquet, Duits: muskete) is een handvuurwapen uit de zestiende en zeventiende eeuw. Het was het eerste draagbare vuurwapen dat massaal op het slagveld werd gebruikt. Een soldaat met musket wordt musketier genoemd.

Etymologie[bewerken]

Het woord musket is afgeleid van het Italiaanse moscetta, waarmee een kruisboogschicht werd bedoeld, en het Franse "mousquette", dat sperwer betekent. Het laatste was waarschijnlijk een verwijzing naar de haan van het lontslot, waarvan de neergaande beweging aan het pikken van de vogel doet denken[1].

In Nederland, Duitsland en Frankrijk wordt met musket over het algemeen het lontslotwapen bedoeld dat in de zestiende en zeventiende eeuw werd gebruikt.[2]. In Engeland en Amerika bleef men de term musket gebruiken voor alle gladloops voorladers, tot ver in de negentiende eeuw. Pas toen de achterlader standaard werd, verdween de term ook daar.

Geschiedenis[bewerken]

Het musket was een doorontwikkeling van de lichtere, maar op het veld minder effectieve en handelbare haakbus. Enkele bronnen menen dat het musket een verkleinde versie van de zogenaamde walbus of dubbelhaak was; een 15e eeuws vuurwapen bestaande uit een schietbuis die op een houten lade werd gemonteerd en (te velde) vanaf een driepoot werd afgevuurd. Dit wapen leek al zeer sterk op het musket, maar was veel groter en werd door een paar man bediend. Door dit wapen te verkleinen en niet op een driepoot maar op een éénpoots steunvork (furket) te leggen die de soldaat zelf kon meedragen, ontstond het musket.[3]

Het wapen was een antwoord op het metalen pantser van ruiters en voetvolk. De haakbus schoot in het open veld vaak letterlijk tekort om dit pantser te kunnen doorboren. Het musket had een groter kaliber, ongeveer 19 millimeter.

De musketier verdrong, net als de haakbusschutters voor hen, in rap tempo de laatste boogschutters en kruisboogschutters van het slagveld. Een musket was goedkoper dan een kruisboog en een musketier kon in enkele weken getraind worden, in tegenstelling tot een boogschutter, die daar vele jaren over deed. De vuurkracht van het musket was echter niet veel groter dan een boog of kruisboog en de vuursnelheid al helemaal niet. Door de ontwikkeling van militaire exercities, in het bijzonder die door Maurits van Oranje-Nassau aan het eind van de 16e eeuw, waarbij de soldaten in gecoördineerde bewegingen leerden marcheren, laden en vuren, kon een grotere effectiviteit worden bereikt. De verdere ontwikkeling en professionalisering van de Europese staande legers, wapens en exercities leidden ertoe dat de vuurkracht en vuursnelheid steeds groter werden[4][5].

In de tweede helft van de 16e eeuw verscheen een lichtere variant van het musket, die zonder steunvork kon worden gehanteerd: het vuurroer. Dit wapen had een kaliber van ongeveer 11 millimeter. Het roer had, evenals de haakbus daarvoor, moeite met het doorboren van pantserplaten. Naarmate musketten lichter werden en daardoor ook zonder furket gebruikt kon worden, verdween dit wapentype weer in de loop van de zeventiende eeuw.

Omstreeks 1680 werden in de meeste krijgsmachten het lontslotmusket vervangen door het musket met vuursteenslot: de snaphaan. Dit wapen zou (na invoering van de bajonet) het hoofdwapen van de infanterie worden en bleef in de meeste krijgsmachten tot omstreeks 1850 vrijwel ongewijzigd in dienst.

Werking[bewerken]

Een musket bestond uit een gladde loop, een houten lade en een ontstekingsmechanisme, meestal een lontslot. Soms werden musketten uitgerust met een radslot, maar dit mechanisme was te duur en te ingewikkeld om massaal te worden ingevoerd. De meeste musketten hadden een aparte laadstok die onder de loop geschoven kon worden; soms fungeerde de steunvork als laadstok. Het wapen werd via de voorkant van de loop geladen en schoot doorgaans ronde, loden kogels af, die de musketiers zelf konden gieten in een kogelgiettang. Om de verwondingen groter te maken, werden soms de kogels ingesneden, of werden ze per twee door middel van een metalen staafje met elkaar verbonden. Ook was het mogelijk om schroot of hagel af te vuren.

Het laden van een musket kostte veel tijd: eerst moest de pan (voor de ontsteking) met kruit worden gevuld, waarna het losse kruit, de prop en de lading via de voorzijde van de loop moesten worden geladen en met een laadstok worden aangestampt. Daarna werd de smeulende lont in de haan geklemd, waarna het wapen schietgereed was. In de 17e eeuw was de vuursnelheid veelal 1 schot per minuut. Musketiers waren daarom eveneens met een rapier (later korte sabel) bewapend, die zij op het slagveld altijd bij zich droegen; ook werd ze geleerd de kolf als slagwapen te gebruiken.

Trivia[bewerken]

Aan de musket zijn de Nederlandse uitdrukkingen lont ruiken (argwaan krijgen) en de plaat poetsen (er snel vandoor gaan) ontleend. Het ruiken van de geur van een brandend muskettenlont was voor een musketier reden om de vijand vlak in de buurt te verwachten. Als men er snel vandoor moest gaan met een musket dan sleepte men het wapen aan de loop achter zich aan. De (koperen) plaat die achter op de kolf zat werd dan door het zand schoon geschuurd/gepoetst.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://collectie.legermuseum.nl/strategion/strategion/i004951.html
  2. Het met vuursteenslot uitgeruste wapen heet in Nederland snaphaan, in Duitsland flinte en in Frankrijk fusil. Deze benamingen werden aangehouden omdat het lontslotmusket niet direct, maar geleidelijk uit de bewapening verdween en dus een tijdlang naast het nieuwe wapen bleef bestaan. Frankrijk gebruikt de term fusil nog steeds; in Nederland en Duitsland werd in de achttiende eeuw het woord geweer in gebruik genomen
  3. H.M.F. Landolt (1861), Militair woordenboek (2 dln.) Leiden: A.W. Sijthoff, handvuurwapens
  4. http://collectie.legermuseum.nl/strategion/strategion/i004954.html
  5. Wapenhandelinghe van Roers, Musquetten ende Spiessen, Jacob de Gheyn, 1609