Keurvorst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een keurvorst (Duits: Kurfürst of Churfürst, Latijn: princeps elector imperii of elector) was een van de rijksvorsten in het Heilige Roomse Rijk die het recht had om de Rooms-koning, of later de keizer, te kiezen. Het ambt ontstond tijdens de strijd om de troon tussen de Welfen en de Staufen. Paus Innocentius III loste dat op door erop te staan dat van alle rijksvorsten er slechts zeven gerechtigd zouden zijn de nieuwe koning te kiezen. Het selecte college van keurvorsten bestond sinds 1257 uit:

De zeven keurvorsten kiezen Hendrik van Luxemburg tot koning. Links de 3 geestelijke, rechts de 4 wereldlijke keurvorsten. Tekening uit 1341.

Het college werd in deze vorm vastgelegd in 1356 in de Gouden Bul. Hierin werden ook de met de keurvorstelijke waardigheid verbonden aartsambten beschreven. De keurvorsten hadden het recht een keurhoed te dragen en in hun wapen te voeren.

De keurvorsten verkozen volgens het meerderheidsprincipe de nieuwe koning (keizer) wanneer zijn voorganger stierf. Zij deden dat in het algemeen pas als de kandidaat allerlei concessies gedaan had en daarmee was de macht van de Duitse vorsten zekergesteld.

Na de Hussietenoorlogen van de 15e eeuw werd de keurvorstelijke waardigheid van de Boheemse koning tot 1708 niet waargenomen. In de loop van de Dertigjarige Oorlog verwierf hertog Maximiliaan I van Beieren de Opper-Palts en de keurvorstelijke waardigheid. Zowel in Beieren als in de Palts regeerden takken van het huis Wittelsbach. In de vrede van Osnabück van 1648 werd de overdracht van de keur aan Beieren in artikel IV paragraaf 3 bevestigd. Voor de paltsgraaf aan de Rijn werd een achtste keurwaarde gecreëerd (paragraaf 5). In paragraaf 9 werd vastgelegd dat bij het uitsterven van één de beide takken de achtste keur weer zou vervallen. Dit gebeurde inderdaad bij het uitsterven van de hertogen van Beieren in 1777. Na 1692 had ook de hertog van Brunswijk-Lüneburg de waardigheid (keurvorstendom Hannover). De officiële titel was Keur-Brunswijk, maar de term keurvorstendom Hannover kreeg meer bekendheid. Er waren dus sinds 1692 negen keurvorsten en sinds 1777 acht keurvorsten.

In de Reichsdeputationshauptschluss werden in 1803 de geestelijke keuren Trier en Keulen opgeheven. Die van Mainz ging over op het keurvorstendom van de aartskanselier en voor de groothertog van Toscane werd een keurvorstendom Salzburg gecreëerd. De hertog van Württemberg, de markgraaf van Baden en de landgraaf van Hessen-Kassel kregen de keurvorstelijke waardigheid. In totaal dus tien. Dit duurde echter niet lang omdat in 1806 het Heilige Roomse Rijk opgeheven werd. De keurvorsten van Beieren, Württemberg en Saksen werden koning en die van Baden, Regensburg (wordt groothertogdom Frankfurt) en Salzburg (wordt groothertogdom Würzburg) groothertog. De keurvorsten van Hessen-Kassel en Hannover verloren hun rijk tot de restauratie in 1813. De keurvorst van Bohemen was al koning en die van Brandenburg was al koning van Pruisen. Slechts de heerser van Hessen-Kassel bleef de nu inhoudsloze titel van keurvorst voeren. Dit deed hij uit protest omdat hij de aan hem door het congres van Wenen toegekende titel van groothertog niet voldoende vond. Hij meende recht te hebben op het koningschap.