Reichsdeputationshauptschluss

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reichsdeputationshauptschluss

De Reichsdeputationshauptschluss (RDH) was het laatste belangrijke besluit van de Rijksdag van het Heilige Roomse Rijk. Het werd genomen op de laatste zitting op 25 februari 1803 te Regensburg, in maart geratificeerd en in april onder voorbehoud door keizer Frans II aangenomen.

In de RDH werd het aantal soevereine staten in het Rijk teruggebracht van 1800 tot circa 60. De wereldlijke vorsten die bij de Vrede van Lunéville hun gebieden aan de linkerrijnoever hadden verloren aan Frankrijk werden schadeloos gesteld met gebied op de rechteroever. Dit geschiedde door secularisering van de kerkelijke gebieden (behalve Mainz) en mediatisering van de vrije rijkssteden (behalve Augsburg, Lübeck, Neurenberg, Frankfurt, Bremen en Hamburg). De Duitse Orde en de Maltezer Orde bleven van secularisering gevrijwaard. De vorsten van Salzburg, Württemberg, Baden en Hessen-Kassel verkregen de keurvorstelijke waardigheid van de opgeheven keurvorstendommen Keulen, Trier en de Palts.

De Reichsdeputationshauptschluss had een zeer grote invloed op het Rijk. Daar de nieuwe keurvorstendommen Württemberg, Baden en Hessen-Kassel protestants waren kwam er een einde aan het traditionele katholieke overwicht in het college van keurvorsten. De keizer raakte met de geestelijke vorsten en de rijkssteden zijn belangrijkste steunpilaren kwijt. Na het ontstaan van de Rijnbond in 1806 legde keizer Frans II zijn kroon neer en werd het Rijk ontbonden.

Nederlandse gebieden, die voorkomen in de RDH[bewerken]

In paragraaf 32 wordt de nieuwe zetelverdeling in de Rijksvorstenraad geregeld. De zetel van de hertog van Arenberg wordt verbonden met diens nieuwe hertogdom en krijgt rangnummer 82. De hertog van Looz wordt voor het eerst opgenomen in de rijksvorstenraad en krijgt de laatste zetel, nummer 127. De vertegenwoordiging van de verhuisde rijksgraven in de Rijksdag is niet meer geregeld voor de ondergang van het Rijk.