Heilige Roomse Rijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Heiliges Römisches Reich (de)
Sacrum Romanum Imperium (la)
Sacro Romano Impero (it)
 Oost-Francië
 Koninkrijk Italië (middeleeuwen)
 Koninkrijk Bourgondië
962–1806 Rijnbond (1806) 
Keizerrijk Oostenrijk 
Koninkrijk Pruisen 
Oude Eedgenootschap 
Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden 
Banner of the Holy Roman Emperor with haloes (1400-1806).svg Wapen van het Heilige Roomse Rijk
(Details) (Details)
Kaart
Het Rijk rond 1550, vergeleken met de huidige grenzen
Het Rijk rond 1550, vergeleken met de huidige grenzen
Algemene gegevens
Hoofdstad Geen
Oppervlakte ~ 800.000 km²[1]
Talen Latijn, Neder- en Hoogduitse dialecten, Frans, Reto-Romaans, Lombardische en Italiaanse dialecten, Sloveens, Tsjechisch, Sorbisch, Kasjoebisch, Polabisch, Jiddisch, Romani[2]
Religie(s) Rooms-katholicisme, joodse minderheid
Vanaf de 16e eeuw ook lutheranisme en calvinisme[3]
Regering
Regeringsvorm Kiesmonarchie
Dynastie Diverse
Staatshoofd Rooms-Duitse keizer
Legislatuur Rijksdag (Vanaf de 16e eeuw)

Het Heilige Roomse Rijk (Duits: Heiliges Römisches Reich, Italiaans: Sacro Romano Impero,Latijn: Sacrum Romanum Imperium) was een rijk in Centraal-Europa en omringende gebieden dat ontstond in de middeleeuwen en bestond tot 1806. Het was geen staat in de moderne betekenis van het woord, maar een politiek verband van wereldlijke en kerkelijke gebieden die direct of indirect onderworpen waren aan de soevereiniteit van de keizer of Rooms-koning.[4]

De relatie van de keizer met zijn gebieden veranderde herhaaldelijk, evenals zijn machtsbereik. Een deel van het Rijk stond onder zijn persoonlijke controle, terwijl de overige gebieden bestonden uit een groot aantal hertogdommen, graafschappen, prinsdommen, bisdommen, aartsbisdommen en vrijsteden en rijkssteden. De samenhang tussen deze gebieden nam in de loop van de middeleeuwen eerder af dan toe. In de late 15e en vroege 16e eeuw werden voor het Duitse deel van het Rijk een aantal gemeenschappelijke instuties geschapen. In 1806, tijdens de Napoleontische oorlogen, legde Frans II de keizerskroon neer, waarmee het Heilige Roomse Rijk werd opgeheven.

Wanneer het Heilige Roomse Rijk ontstond, is niet precies aan te geven. De keizerstitel werd in het westen van Europa opnieuw ingevoerd met de keizerskroning van Karel de Grote in 800. In 962 liet Otto I de Grote, de koning van het Oost-Frankische of Duitse koninkrijk, zich tot keizer kronen. De verbinding tussen het Duitse koningschap en de keizerstitel vormde de basis van het Heilige Roomse Rijk. Ook de koninkrijken Italië en vanaf 1033 Bourgondië behoorden tot het Rijk. Daarnaast werd de keizer in het middeleeuws christelijk denken als wereldlijke tegenhanger van de paus gezien, met een universeel gezag. De Duitse gebieden bleven echter steeds de kern van het Rijk vormen.

Het Duitse koningschap was niet erfelijk; de koning werd verkozen. In de middeleeuwen kon de koning zich pas keizer noemen nadat hij door de paus was gekroond. Vanaf de 16e eeuw nam de koning de keizerstitel direct na zijn verkiezing aan. De macht van de keizer was niet gelijkmatig verdeeld.

De naam Heilige Roomse Rijk is geleidelijk ontstaan. Het Rijk werd Rooms genoemd omdat het gezien werd als voortzetting van het (West-)Romeinse Rijk, een idee dat translatio imperii genoemd werd. Het adjectief Heilig werd daar in de 12e eeuw aan toegevoegd om aan te geven dat de keizerlijke waardigheid direct van God aan de keizer zou zijn overgedragen. Daarin werd ontkend dat de Paus de bemiddelaar zou zijn en de keizer door hem gekroond moest worden.

Ontwikkeling van de naam[bewerken]

Het Roomse Rijk[bewerken]

Onder de eerste keizers had het keizerrijk geen eigen naam. Het keizerschap was persoonlijk en niet verbonden met een bepaald gebied. De oorspronkelijke, Latijnse, keizerstitel die door de eerste keizer Karel de Grote. Deze liet zich in 800 in Rome door de Paus kronen. Omdat de Oost-Romeinse keizers in Constantinopel deze pretentie niet accepteerden moest in 812 een vergelijk gesloten worden waarin Karel's keizerschap beperkt werd tot West-Europa en Italië. De keizerstitel luidde ook voor de opvolger Keizer Otto I de Grote Romanum Gubernans Imperium. In 982 veranderde Otto II de titel in Romanorum Imperator (keizer van de Romeinen). Het duurde echter tot 1034 voordat het keizerrijk zelf Romanum Imperium (Roomse of Romeinse Rijk, Duits: Römisches Reich) genoemd werd.

Door het Rijk "Rooms" te noemen presenteerden de keizers het Rijk nadrukkelijk als voortzetting van het Romeinse Rijk. De rechtvaardiging hiervoor was de leer van het Translatio imperii, waarin het (West-)Romeinse Rijk niet ten onder was gegaan maar werd voortgezet door de latere keizers. In het middeleeuws christelijk denken was dat zeer belangrijk, omdat volgens profetieën uit het Bijbelboek Daniël de eindtijd zou aanbreken na de ondergang van het ijzeren rijk, wel aangeduid als het Romeinse Rijk. Als opvolgers van de Romeinse keizers maakten de keizers ook aanspraak op de beschermheerschappij over de hele Christelijke wereld en op een voorrangspositie ten opzichtte van andere heersers. Zoals de paus een universeel geestelijk gezag had, had de keizer dat op wereldlijk gebied.

In 843 werd Karel's Rijk in drieën gedeeld, waarna in 855 het middendeel over een westelijk (Frans) een oostelijk (Duits) koningrijk werd verdeeld. De nu te onderscheiden koninkrijken (Regna) waaruit het vroegere Keizerrijk nu bestond, kregen hun eigen benamingen. De keizerlijke titel werd verbonden aan het oostelijke koninkrijk en de machtsbasis van de keizers lag in het Oost-Frankische (regnum Francorum orientalium), later Duitse koninkrijk (Regnum Teutonicorum), zoals het in 911 voor het eerst werd genoemd. Maar tot het keizerrijk kwamen, naast het Duitse koninkrijk, in 962 ook de koninkrijken Italië en Bourgondië, respectievelijk Regnum Italiae en Regnum Burgundionum, te behoren.

Het Heilige Rijk[bewerken]

In de 11e en 12e eeuw kwamen de keizers steeds vaker in conflict met de paus. Via de keizerskroning, die door de paus werd uitgevoerd, konden de pausen aanspraken maken op de heerschappij over het Rijk. Keizer Frederik I Barbarossa begon daarom vanaf 1157 de naam Sacrum Imperium (Heilige Rijk) te gebruiken. Hiermee droeg de keizer de opvatting uit dat het keizerschap direct van God afkomstig was, en dus onafhankelijk was van de Paus. De keizerskroning door de Paus zou vooral een ceremoniële functie hebben.

De naam Romanum Imperium (Duits: Römisches Reich) en Sacrum Imperium (Duits: Heiliges Reich) werd vanaf 1034 gebruikt. In 1157 gevolgd door Sacrum Imperium. In 1254 werden de twee titels voor het eerst gecombineerd tot Sacrum Romanum Imperium (Duits: Heiliges Römisches Reich). De gecombineerde naam werd echter pas vanaf het midden de 14e eeuw regelmatig gebruikt.[5]

De Duitse natie[bewerken]

De laatste grote verandering van de naam was de toevoeging van Nationis Germaniae(Duitse Natie, Duits: Deutscher of Teutscher Nation) aan de Rijkstitel in de late 15e eeuw. In de volledige titel Heiliges Römisches Reich Teutscher Nation werd het Rijk gepresenteerd als een uitsluitend Duitse aangelegenheid. Of daarmee ook bedoeld werd dat het Rijk in feite alleen nog uit de "Duitse" kerngebieden bestond en dat de Italiaanse gebieden niet meer tot het Rijk behoorden is omstreden. Wel was de band tussen de drie samenstellende koninkrijken - het Duitse, het Boergondische en het Noord-Italiaanse - inmiddels allang verwaterd.[5]

De toevoeging "van de Duitse Natie" werd nooit consequent gebruikt; Heilige Roomse Rijk bleef de meest gebruikelijke naam. Vanaf het midden van de 16e eeuw verdween ook het woord "Heilig" geleidelijk uit de naam.[6] In de laatste verdragen die de keizer sloot werd het Rijk kortweg Duitse Rijk (Duits: Deutsches Reich) genoemd.

Geschiedenis[bewerken]

Van de oostelijke Franken tot de Investituurstrijd[bewerken]

Het Heilige Roomse Rijk werd gesticht in 962 door Otto I. Sommigen vinden echter dat het rijk gesticht werd toen Karel de Grote tot eerste (westerse) keizer werd gekroond in 800 sinds het afdanken van Romulus Augustulus in 476. Karel noemde zichzelf echter meestal de koning van de Franken. Dit Frankische Rijk omvatte zowel het hedendaagse Frankrijk als Duitsland en Noord-Italië. Karel werd opgevolgd door zijn enig overgebleven zoon, die ook de keizerstitel overnam, Lodewijk de Vrome zodat het rijk nog verenigd bleef. Toen deze stierf had hij echter drie zonen die allen naar Frankisch erfrecht aanspraak maakten op een gedeelte van het rijk. Veel geschiedkundigen zien de stichting van het Rijk dan ook als het einde van een proces dat begon bij deze definitieve splitsing van het Frankische rijk bij het Verdrag van Verdun in 843. In eerste instantie werd het rijk in drie stukken verdeeld: een Westelijk, een Midden- en een Oostelijk Rijk. De Karolingische dynastie werd eveneens gesplitst. Het Middenrijk ging naar de oudste zoon Lotharius die tevens de keizerstitel kreeg. Het werd na diens dood in 855 verdeeld onder diens drie zonen maar al snel werden deze versnipperde gebieden verdeeld tussen het sterkere Oost-Frankische en West-Frankische Rijk. Het oostelijke deel werd bezit van Karloman van Beieren die tevens de keizerstitel overnam. Karloman werd opgevolgd door enkele Karolingers, tot aan de dood van Lodewijk het Kind, die de laatste oostelijke Karolinger was.

De leiders van Alamannië, Beieren, Frankië en Saksen verkozen hierop Koenraad I van Frankenland tot koning in 911. Zijn opvolger, Hendrik de Vogelaar, werd aanvaard door het West-Frankische Rijk in 911, en noemde zich rex Francorum orientalium (koning van de Oostelijke Franken).

Hendrik stelde zijn zoon Otto aan als opvolger, die werd verkozen in Aken, in 936. Zijn latere kroning als keizer Otto I in 962 betekende het officiële begin van het Heilige Roomse Rijk.

Toen keizer Hendrik II in 1024 zonder opvolgers stierf werd Koenraad II verkozen tot koning. Hij was de eerste van de Saliërs.

Het Rijk stortte bijna ineen tijdens de Investituurstrijd, toen paus Gregorius VII koning Hendrik IV in de ban deed. Hoewel deze beslissing ongedaan werd gemaakt na de Tocht naar Canossa in 1077, waren de mythische eigenschappen van het rijk aangetast; de Duitse koning was vernederd. Belangrijker nog was de intrede van de kerk als een onafhankelijke factor in het politieke systeem van het Rijk.

Hohenstaufen[bewerken]

Koenraad III werd in 1138 verkozen als eerste keizer van de Hohenstaufen-dynastie. Frederik Barbarossa noemde als eerste het Rijk 'Heilig'.

Barbarossa verstevigde de eenheid van zijn land door de plaatselijke hertogen te verbieden hun onderlinge vetes uit te vechten. Nieuwe steden werden gesticht, zowel door de keizer als door de plaatselijke hertogen. Dit gebeurde vooral om de bevolkingsexplosie op te vangen, maar ook om de economische kracht van het rijk op strategische plaatsen te concentreren. Voorbeelden van deze steden zijn Freiburg en München.

De regeerperiode van de laatste Hohenstaufer Frederik II was in vele opzichten verschillend van die van eerdere keizers. Hij werd gekroond in 1220, en riskeerde een conflict met de paus toen hij de macht over Rome opeiste. Hij kon echter wel Jeruzalem veroveren in een Kruistocht in 1228 terwijl hij nog altijd in de ban was.

De machtsstrijd na de Staufers[bewerken]

Na de dood van Frederik II in 1250 kon geen enkele dynastie een waardige koning voorstellen, en de leidende hertogen stelden zelf enkele koningen voor. De periode tussen 1246, toen Hendrik Raspe en Willem II van Holland tot koning werden verkozen, tot 1273, met Rudolf I van Habsburg als koning, staat bekend als het Interregnum.

Rudolf en zijn opvolgers zagen het Rijk echter alsmaar meer uit elkaar vallen. Tijdens de 15e eeuw veranderden de deelstaten zichzelf in voorgangers van moderne staten. Het proces varieerde van staat tot staat, en ging sneller in gebieden die ongeveer overeenkwamen met de landen van de oudere Germaanse stammen, zoals Beieren.

Rijkshervorming[bewerken]

De grondwet van het rijk was grotendeels nog niet vastgelegd aan het begin van de 15e eeuw. Hoewel enkele procedures en instellingen vastlagen, hingen de mogelijkheden van de hertogen om zich onafhankelijk te gedragen in het Rijk vooral af van de persoonlijkheid van de regerende vorst. Toen Frederik III, die grotendeels binnen zijn kroondomein verbleef, de oude kernlanden verwaarloosde, viel het oude regeringsorgaan, de Hoftag, uit elkaar. De Rijksdag bestond nog niet, waardoor het rijk onbestuurbaar werd. Uiteindelijk ontstonden zelfs interne oorlogen.

In diezelfde periode had de rooms-katholieke kerk te kampen met het Westers Schisma. Het conflict tussen de paus en verschillende tegenpausen werd pas opgelost in 1418. Vanaf 1419 werd veel energie gestoken in het bevechten van de "ketterij" van andersdenkenden. Het middeleeuwse idee van een verenigd Corpus christianum, waarvan de paus en het Rijk de leiding in handen hadden, kwam onder druk te staan.

Tijdens deze drastische veranderingen gingen dan ook stemmen op om de structuur van het Rijk te veranderen. Regels uit een ver verleden waren niet meer relevant; een versterking van het gecentraliseerd bestuur werd noodzakelijk geacht.

Een kaart van het Heilige Roomse Rijk en zijn kreitsen aan het begin van de 16e eeuw. Gebieden die geen onderdeel uitmaakten van de kreitsen zijn weergegeven in wit.

Toen Frederik III de hertogen nodig had om zijn oorlog tegen Hongarije te financieren in 1486 en zijn zoon, de latere keizer Maximiliaan I, tot koning werd verkozen, eisten de hertogen een samenkomst. Voor de eerste keer werd de vergadering van kieshertogen en anderen de Rijksdag genoemd. Frederik weigerde dit nieuwe orgaan bijeen te roepen, maar zijn zoon ging na de dood van zijn vader akkoord. In Worms werd de Reichstag voor het eerst samengebracht in 1495. Hier werd de Rijkshervorming goedgekeurd, waardoor het Rijk weer wat structuur zou krijgen.

Pas in 1512 werd deze hervorming voltooid, door het samenbrengen van tien landen binnen het Rijk in een nieuwe organisatiestructuur, de kreitsen. In hetzelfde jaar kreeg het Heilige Roomse Rijk ook een nieuwe naam, van toen af aan zou het Rijk het Heiliges Römisches Reich deutscher Nation ("Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie") heten. In 1548 kwamen met de stichting van de Bourgondische Kreits de Nederlanden zo goed als los van het Rijk te staan. Zij waren toen al niet meer onderhorig aan de Duitse landdag en hadden hun eigen Staten-Generaal en betaalden alleen nog een bescheiden jaargeld aan de persoon van de keizer die daarvoor de belofte deed de Nederlanden te beschermen. Keizer Karel V kon dat makkelijk doen omdat hij persoonlijk de Nederlanden in bezit had. In 1559 tenslotte werd met de Vrede van Cateau-Cambrésis tussen de koningen van Engeland, Frankrijk en Spanje de westgrens van het rijk verlegd van de Schelde naar het zuiden. (Calais werd door Engeland definitief afgestaan aan Frankrijk.) De Schelde had al zeker 600 jaar gegolden als westgrens. Voor Karels opvolger Filips II van Spanje en de Nederlanden, die binnen het gebied van de Nederlanden zo goed als alles bezat, betekende het dat hij voor een deel van zijn gebieden niet meer gezien werd als vazal van de Franse koning.

Deze keizerskroon van Rudolf II, keizer van het Heilige Roomse Rijk, was een van de gebruikte kronen.

Crisis na de reformatie[bewerken]

Karel V was de laatste keizer die de middelen had, vooral door zijn rijke Spaanse gebieden overzee, om buiten zijn 'Hausmacht', ook een krachtig beleid te voeren in zijn overige keizerlijke gebied. Hij trachtte, met wisselend succes, een meer gecentraliseerd Rijk op te zetten maar vooral de rijke en machtige steden in de Lage Landen, Zwitserland en Italië, die van oudsher al veel onafhankelijkheid bezaten, verzetten zich hier tegen. En toen Maarten Luther in 1517 de Reformatie startte, zagen veel plaatselijke hertogen, vooral in het noorden van het Duitse Rijk, een nieuwe kans om de Keizer nog meer macht afhandig te maken door 'over te lopen' naar de protestanten. Na enkele decennia van oorlog en verwarring, gooide de moegestreden keizer Karel de handdoek in de ring en besloot de Rijksdag van Augsburg op 25 september 1555 tot een Godsdienstvrede. Voortaan zou de landsheer bepalen welke religie zijn onderdanen zouden aanhangen.

Daarmee was de geloofskwestie slechts tijdelijk geregeld. De Dertigjarige Oorlog (1618-1648), was de laatste grote oorlog in continentaal Europa waarbij de tegenstelling tussen protestanten en katholieken een hoofdrol speelde. De Duitse Katholieke Liga en een wisselende, internationale, protestantse coalitie stonden tegenover elkaar en vele Europese mogendheden raakten om hun eigen redenen betrokken in de strijd. Op Duits grondgebied, waar de meeste gevechtshandelingen plaatsvonden, leidde dit tot ongekende verwoestingen en slachtpartijen. Een dieptepunt was wat in de Duitse geschiedschijving bekendstaat als de 'Magdeburger Hochzeit', waarbij in 1631 het Saksische Magdeburg door de keizerlijke troepen geheel werd platgebrand en zo'n 20.000 burgers werden afgeslacht. De machtsstrijd tussen de hertogen en de keizer was ook een factor van belang. Dat godsdienst niet meer zo belangrijk was als in de 16e eeuw bleek uit het feit dat het katholieke Frankrijk de kans waarnam om aan 'protestantse' zijde mee te vechten om zo met hun katholieke Habsburgse rivalen af te rekenen. Feitelijke bondgenoten van Frankrijk waren daarbij de protestantse Nederlandse Republiek en Gustaaf II Adolf van Zweden, die een bekwaam veldheer was en zijn land op de kaart zette als grote mogendheid in Noord-Europa door zijn krachtige interventies ten gunste van de protestanten, al liet hij hier zelf het leven bij in 1632.

De Spaanse Habsburgers werden tot tweederangsmogendheid gedegradeerd en in het Duitse Rijk werd politieke verdeeldheid gezaaid waarvan het pas in 1870 voor een groot deel zou herstellen.

De implosie van het Rijk[bewerken]

Het einde van het Rijk was te wijten aan verschillende oorzaken. Na de Vrede van Münster in 1648, die de interne gebieden bijna volledige onafhankelijkheid gaf, was het Rijk niet meer dan een samenraapsel van verschillende staten. De keizer had alleen nog macht in zijn persoonlijke gebieden en mocht zich niet meer bemoeien met de aangelegenheden van de andere staten. Op papier bestond het rijk nog steeds, maar in feite was het een lege huls geworden. Voltaire noemde het Rijk in dit stadium dan ook noch heilig, noch Romeins, noch een rijk. In 1648 werd naast de constitutionele onafhankelijkheid van de Duitse staten ook de onafhankelijkheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse Confederatie officieel bevestigd.

Het Heilige Roomse Rijk in 1648

██ door de Oostenrijkse Habsburgers geregeerde landen binnen het Duitse Rijk

██ door de Spaanse Habsburgers geregeerde landen binnen het Duitse Rijk

██ kerkelijke goederen

██ keurvorstendom Beieren

██ keurvorstendom Saksen

██ keurvorstendom Brandenburg

Vanaf 1648 kwam binnen het Rijk het keurvorstendom Brandenburg-Pruisen sterk op onder de Hohenzollern. Ofschoon hun etnisch voornamelijk Duitse kernlanden Oost-Pruisen en West-Pruisen, evenals overigens Danzig (Koninkrijk Polen), niet tot het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie behoorden, betwistten de Hohenzollern de Oostenrijkse Habsburgers in hun aloude dominante positie onder de Duitse landen. In de 18de eeuw leidde deze rivaliteit tot o.a. de Zevenjarige oorlog tussen Oostenrijk en Pruisen zoals Brandenburg-Pruisen sinds 1701 bekendstond, toen het vorstendom tot koninkrijk verheven werd. Nadien werd de invloed van Frankrijk steeds groter totdat dit land zelfs, na de Franse Revolutie, het grootste deel van het Roomse Rijk bezette. Het Rijk werd officieel ontbonden op 6 augustus 1806, toen de laatste keizer Frans II, aftrad nadat zijn Rijk was overwonnen door Napoleon Bonaparte. Frans II was reeds sinds 1804 ook Frans I van het nieuwe Keizerrijk Oostenrijk. Leden van zijn geslacht zouden tot 1918 keizer van Oostenrijk blijven. Het Rijk was nu opgeheven, maar door de Franse Revolutie en de daarop volgende verspreiding van de denkbeelden ervan had ook het nationalisme wortel geschoten in de Duitse landen. Er ontstond na de Franse tijd een streven naar een 'hereniging' van de Duitstalige landen die vroeger het Roomse Rijk vormden. De vraag was of dit weer onder leiding van Oostenrijk en de Habsburgers moest zijn (de Groot-Duitse richting) of onder Pruisen en de Hohenzollers met uitsluiting van Oostenrijk (de Klein-Duitse richting). Het werd tenslotte deze laatste richting bij de stichting in 1871 van het (tweede) Duitse Keizerrijk.

Omvang en staatsinrichting[bewerken]

Staatkundige geschiedenis van Duitsland

Kelten
Germanen
Grote Volksverhuizing (4e-6e eeuw)


Frankische Rijk (5e eeuw-843)
Oost-Frankische Rijk (843-962)
Banner of the Holy Roman Emperor (after 1400).svg Heilige Roomse Rijk (962-1806)


Rijnbond (1806-1813)
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Duitse Bond (1815-1866)
Flag of the German Empire.svg Noord-Duitse Bond (1866-1871)


Duitse Rijk
Flag of the German Empire.svg Duitse Keizerrijk (1871-1918)
Flag of Germany (3-2 aspect ratio).svg Weimarrepubliek (1918-1933)
Flag of German Reich (1935–1945).svg Nazi-Duitsland (1933-1945)
Flagge Preußen - Provinz Ostpreußen.svg Oostgebieden (-1945)


Na-oorlogs Duitsland
Flag of Germany (1946-1949).svg Geallieerde zones (1945-1949)
Flag of Saar (1947–1956).svg Saarland (1947-1956)
Verdeeld Duitsland:

Vlag van Duitsland Bondsrepubliek (1949-1990)
Vlag van Duitse Democratische Republiek DDR (1949-1990)

Duitse hereniging (1990)

Vlag van Duitsland Duitsland (1990-heden)


Portaal  Portaalicoon  Duitsland
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Koning en keizer[bewerken]

Het Heilige Roomse Rijk begon zijn bestaan als het Oost-Frankische koninkrijk. Op een zeker moment werd aan de koning van dit rijk ook de keizerstitel gegeven. Hoewel dit als tijdelijke regeling bedoeld was om een acute politieke situatie op te lossen is de keizerstitel blijven 'hangen' in het Oost-Frankische koninkrijk. In de beginperiode dongen de West-Frankische koningen nog mee naar de keizerstitel, maar kregen die slechts een enkele keer. Reden hiervoor is o.a. dat de West-Frankische koningen zo ver weg woonden dat ze niet precies op de hoogte waren van de politieke situatie in het andere koninkrijk. Uiteindelijk hebben ze hun bemoeienissen met het andere deel van het voormalige Karolingische Rijk opgegeven. Aldus werd de benoeming van de keizer een interne aangelegenheid van het Oost-Frankische koninkrijk. Dit koninkrijk en het keizerrijk vielen in de praktijk steeds meer samen, hoewel de keizer als wereldlijke tegenhanger van de paus optrad. Aldus konden de regionale machthebbers in het Oost-Frankische koninkrijk bepalen hoe de keizer werd gekozen en op die manier kon de titel Heilig Roomse Rijk der Duitse naties ontstaan.

Frederik Barbarossa (1152-1190) was de eerste die de aanduiding sacrum imperium (Romanorum) (Heilige Roomse Rijk) gebruikte. Dit was gericht tegen de wereldlijke ambities van de sancta ecclesia, de Heilige Kerk.

Het Heilige Roomse Rijk kende dus zowel een koning als een keizer. Deze hoefden niet dezelfde persoon te zijn, maar waren dat vaak wel; een machtig persoon die je tot koning kiest, kun je de keizerstitel niet onthouden. De koning van het koninkrijk werd de Rooms-koning genoemd. Gekozen worden tot koning was vaak, maar niet altijd het voorstadium om keizer te worden. Deze tweefasenstructuur is altijd blijven bestaan. Uiteraard hangt dat samen met de ontstaansgeschiedenis van het keizerschap, maar ook met de ideologie van het keizerschap. De keizer belichaamde een hoger ideaal dan een koning, namelijk wereldheerschappij versus een lokale machthebber, de koning. Lodewijk XIV van Frankrijk waarschuwde zijn opvolger in zijn testament voor deze ambities van de keizer. Die waren onlosmakelijk verbonden met de keizerstitel, ongeacht of de keizer in de praktijk zo machtig was of niet. Lodewijk waarschuwde dus ca. 700 jaar nadat de West-Frankische koningen waren opgehouden met meedingen naar de keizerstitel, toch nog even zijn opvolger.

Duitse natie?[bewerken]

In tegenstelling tot wat de toevoeging "der Duitse natie" suggereert, was het Roomse Rijk geen Duitse natiestaat in de moderne zin van het woord. Na de neergang van het Romeinse Rijk verdween het abstracte begrip staat. Al voerde Lodewijk de Vrome (816-840) het oude Romeinse begrip res publica weer in, dit hield niet in dat er een besef was van trouw aan de staat; macht was persoonsgebonden en gebieden konden bij vererving of huwelijk gedeeld of samengevoegd worden. In de loop van de tijd verschoof dit echter. Met betrekking tot de koningsverkiezing van Hendrik de Vogelaar (919-936) werd voor het eerst gesproken over het regnum Teutonicorum, het koninkrijk van de Teutonen of Duitsers, een teken dat een gebied los begon te worden gezien van de heerser. Hendrik maakte dan ook een einde aan de gewoonte van de verdeling van het rijk onder zijn zonen. Desondanks zou het nog eeuwen duren voordat er werkelijk een Duitse natiestaat ontstond.

Het Heilige Roomse Rijk was groter dan het Duitse Rijk. Waar het laatste bestond uit het koninkrijk van de Duitsers — waaronder toen ook Oostenrijk, Bohemen en het latere Zwitserland — bestond het Heilige Roomse Rijk ook nog uit de koninkrijken Bourgondië, Italië en de wereldlijke heerschappij over Rome.

Hoewel het grootste deel van de onderdanen en regeerders in het Rijk van Duitse afkomst was, bestonden er vanaf het begin verschillende etnische variëteiten binnen het Rijk. Talrijke van zijn belangrijkste edelen en leiders kwamen echter van buiten het Duitssprekende gebied. Op het hoogtepunt van zijn macht bestond het Rijk uit het huidige Duitsland, Oostenrijk, Slovenië, Zwitserland, België, Nederland, Luxemburg, Tsjechië en ook uit oostelijke delen van Frankrijk, het noorden van Italië en het westen van het moderne Polen (Silezië en hertogdom Pommeren). Afgezien van de Tsjechische gebieden in het koninkrijk Bohemen, en de Slavische gebieden van Slovenië en oostelijk Opper-Silezië, was de meerderheid van de inwoners Duitstalig.

Het land was echter gedurende het grootste deel van zijn bestaan niet veel meer dan een soort confederatie. In de middeleeuwen ging de macht van het rijk spoedig achteruit en verloor de keizer meer en meer macht aan de hertogen onder hem. Na 1250 had de keizer nauwelijks nog gezag buiten zijn eigen bezittingen (de zogenaamde "Hausmacht"). Door de Investituurstrijd tussen de keizer en de paus (11e-12e eeuw) werd het aanzien van het rijk sterk verzwakt.

Duits koning / keizer[bewerken]

De kroningen van de keizers van het Heilige Roomse Rijk waren geënt op de kroning van Karel de Grote in 800. Een toekomstig keizer moest eerst en vooral koning van de Duitsers worden. Duitse koningen werden al eeuwen verkozen, in de 9e eeuw door de leiders van de vijf belangrijkste stammen (de Franken, de Saksen, de Beieren, de Zwaben en de Thüringers), later werden deze koningen verkozen door drie bisschoppen, de paltsgraaf en de drie voornaamste hertogen. Nog later werd een college van keurvorsten ingesteld. Dit college werd officieel samengesteld in 1356. Oorspronkelijk waren er zeven kiesgerechtigden, maar dit aantal wijzigde in de loop van de eeuwen.

Tot 1508 reisde de nieuw verkozen koning naar Rome om zich door de paus tot keizer te laten kronen. Nooit kon de keizer autonoom het rijk besturen. Zijn macht werd sterk ingeperkt door de verschillende lokale leiders. Na de 15e eeuw werd de Rijksdag opgericht als het wetgevende orgaan van het Rijk. Deze Rijksdag was een vergaderend orgaan dat op verschillende locaties samenkwam. Pas na 1663 zou de Rijksdag een permanent orgaan worden en werd hij vast in Regensburg gevestigd ("Immerwährender Reichstag").

Rijksstanden[bewerken]

Een deelgebied werd aangezien als Reichsstand (Rijksstaat of Rijksstende) wanneer ze geen andere autoriteiten boven zich had dan de Keizer. Deze staten waren:

  • Gebieden geregeerd door een vorst of een hertog (in sommige gevallen ook een andere titel).
  • Kerkelijke gebieden geregeerd door een bisschop of een prins-bisschop. In het tweede geval kwam het gebied onder het bevel van deze leider overeen met het plaatselijke bisdom, waardoor de bisschop zowel kerkelijke als wereldlijke macht had.
  • Vrijsteden

Het aantal van deze gebieden was erg groot. Toen de Vrede van Münster getekend werd, bestond het rijk uit honderden deelstaten, waarvan een heleboel niet groter waren dan enkele vierkante kilometers. Anderen hadden geen grondgebied; het waren stiften of, zoals aan het einde van het bestaan van het Rijk voorkwam, vorsten die zonder grondgebied te bezitten lid waren van de Rijksdag. Voor het aantal Rijksstaten van 1792, zie de Lijst van leden van de Rijksdag (1792) en de Lijst van leden van de Rijksdag (1803) .

Rijksdag[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Rijksdag (Heilige Roomse Rijk) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Rijksdag was het wetgevende orgaan van het Heilige Roomse Rijk. Het was een vergadering waarin de honderden vorsten en vorst-bisschoppen en vorst-abten of abdissen zitting hadden. Ook de rijksgraven, vrije steden en vertegenwoordigingen van de graven in bepaalde territoria hadden er hun zetel. Omdat zij ook over rijkslenen beschikten, zetelden ook de koningen van Engeland en Zweden in deze vergadering.

Keizerlijke rechtbanken en instituties[bewerken]

Het Rijk kende twee rechtbanken: de Reichshofrat, aan het hof van de koning te Wenen, en na de Keizerlijke Hervorming van 1495 ook het Reichskammergericht. Het rijk bezat een klein en zwak eigen leger en er waren " Rijksvestingen " die op kosten van het rijk werden bemand.

De heraldiek en de regalia[bewerken]

De rijkskroon van Otto I uit de 10e eeuw

De keizers van het Heilige Roomse Rijk werden eerst tot Rooms-koning gekroond in Aken en later in Frankfurt. De daarvoor benodigde regalia bestonden uit de kroon, de scepter, de rijksappel, kroningskledij en een psalter (gebedsboek). Deze werden aanvankelijk bewaard op de rijksburcht Trifels en later in de rijksstad Neurenberg. Bij de kroning waren er ceremoniële taken weggelegd voor de dragers van de aartsambten (Erzämter): de rijksaartskamerheer, de rijksaartsschatmeester, rijkserfmaarschalk, de rijksopperstalmeester en de rijksaartskanseliers voor Duitsland, Italië en Bourgondië. Geen van deze functies bracht werkelijke macht met zich mee.

Karel de Grote plaatste een adelaar in het hof van zijn palts in Aken. Adelaren, symbolen van kracht en macht, waren al bij de Goten en Romeinen geliefde tekens van heerschappij. Onder de Ottonendynastie wordt men zich meer bewust van de Romeinse traditie van de adelaar. Koenraad II plaatst een adelaar op zijn scepter. In de tijd dat de heraldiek ontstaat, gaat men een éénkoppige adelaar van goud of zwart al snel als het wapendier van het rijk zien. Onder keizer Hendrik VI zien we voor het eerst een zwarte adelaar op een schild. Zwart en goud golden al in de 13e eeuw als de kleuren van de koning/keizer, dit ter onderscheiding van de oorspronkelijke rijkskleuren rood en wit.[7]

Volledig wapen van keizer Joseph II uit 1765 met de dubbelkoppige adelaar, het hartschild en alle heraldische attributen

In de 13e eeuw wordt eerstmaals een dubbelkoppige adelaar als wapendier voor de keizer gebruikt. Onder keizer Karel IV wordt dit definitief, maar het is Sigismund die als eerste keizer ook zelf de zwarte dubbeladelaar op een gouden veld als wapen voert. De dubbelkoppigheid werd gezien als symbool voor de macht van het Oost- en West-Romeinse Rijk en ook als teken van keizerlijke plicht om zowel de geestelijke als de wereldlijke orde te handhaven. Keizer Sigismund voorziet de dubbeladelaar rond 1430 bovendien van een aureool of nimbus achter de koppen, dit naar het voorbeeld van de Johannes-adelaar, die symbool stond voor de evangelist Johannes.[8]

Sindsdien blijft deze adelaar tot het einde van het rijk in 1806 min of meer onveranderd. Keizer Frederik III plaatst nog wel op de buik van de adelaar een hartschild, met daarop de wapens van zijn erflanden. Dit gebruik zouden alle latere keizers volgen. Daarnaast voegden heraldische tekenaars ook nog wel kronen, zwaard, scepter, rijksappel en schildhouders aan het wapen toe.

De wapens met adelaar van het Keizerrijk Oostenrijk, Het tweede rijk, De Weimarer republiek, Hitler- Duitsland en de Bondsrepublieken Duitsland en Oostenrijk zijn alle voortzettingen van deze eeuwenoude heraldische traditie. De Duitse Democratische Republiek brak met die traditie en koos een nieuw wapen volgens de socialistische heraldiek, dus zonder adelaar. Sinds 1950 lijkt de adelaar van de Bondsrepubliek weer sterk op die van de Hohenstaufen uit de 12e eeuw. Toen de Bondsdag in 1990 naar Berlijn verhuisde debatteerde dit parlement over de vorm van de adelaar. Moest het de "vette kip", spotnaam voor de vriendelijker uitziende corpulente adelaar, blijven of koos men de oude, agressief aandoende magere adelaar? De Bondsdag koos een adelaar die zo vreedzaam was als een grote roofvogel maar zijn kan.

Duitse Tweede en Derde Rijk[bewerken]

Naar de ideeën van Arthur Moeller van den Bruck noemden de nazi's het Heilige Roomse Rijk later het Eerste Rijk der Duitse natie. Het Duitse Keizerrijk was dan het Tweede Rijk en hun eigen rijk het Derde Rijk.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Wilson, HRR, P.3
  2. Het Polabisch stierf uit tijdens de 18e eeuw. Het Romani werd gesproken door de Roma, die rond 1500 het Heilige Roomse Rijk binnentrokken.
    (en) T. A. Brady jr. (2009), German histories in the age of reformations, 1400-1650, Cambridge University Press, Cambridge, blz. 15.
  3. Het lutheranisme werd na de Vrede van Augsburg in 1555 officieel getoleerd. Het calvinisme werd in 1648 de derde officieel getolereerde godsdienst in het Rijk, na de Vrede van Westfalen.
  4. B. Stollberg-Rilinger. Heilige Römisches Reich. p. 7-8.
  5. a b (de) G. Naumann (2007) Deutsche Geschichte: Das Alte Reich, 962-1806, Marix Verlag, Wiesbaden, blz. 9.
  6. (en) P. H. Wilson (2009) The Holy Roman Empire, 1495-1806, Palgrave Macmillan, Basingstoke, blz. 104-105.
  7. Ernst Schubert, "König und Reich, Studien zur spätmittelalterlichen deutschen Verfassungsgeschichte", Göttingen 1979, p. 360.
  8. Idem, pp. 97-99 en 360-361.