Polabisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Polabisch is een uitgestorven Slavische taal, die tot in de achttiende eeuw werd gesproken. Het is een West-Slavische taal, evenals het Pools, Tsjechisch en Sorbisch. Binnen die groep vertegenwoordigt het de Elbeslavische talen. Naaste verwant is het Kasjoebisch, dat in Noord-Polen nog door een klein aantal mensen wordt gesproken.

Geschiedenis[bewerken]

Het Wendland bij het stadje Lüchow in Nedersaksen was het laatste gebied waar Polabisch gesproken werd. Dat gebied ligt bij de Elbe, de rivier waaraan de taal zijn naam ontleent (Po Laba, aan de Elbe).

Eerder werden in heel Duitsland oostelijk van de Elbe Polabische dialecten gesproken. Sporen daarvan zijn in plaatsnamen nog terug te vinden. De meeste Polaben schreven al vanaf het begin van hun vestiging in Duitsland enkel in het Duits, en het Polabisch was dus bijna uitsluitend een mondelinge taal.

Er was sprake van uitgebreide kolonisatie door Duitsers in de woongebieden van de Polaben en er werden in de loop der tijd steeds meer restricties aan Polaben opgelegd, met name wat het gebruik van hun taal betreft. In het begin van de 15e eeuw werd er in het gebied van het huidige Oost-Duitsland al geen Polabisch meer gesproken. De Polaben die ten noordoosten van Hamburg aan de Elbe woonden bleven hun taal iets langer spreken, maar het Polabisch bleef verreweg het langst in stand in het gebied van de Lüneburger Heide en het Wendland ten oosten daarvan, ten noorden en noordoosten van Hannover. De sprekers van het Polabisch daar worden de Drawenopolaben genoemd. Het Polabisch stierf in dit gebied pas in het midden van de 18e eeuw uit.

De laatste spreekster van het Polabisch was, volgens de Index defunctorum van de plaats Wustrow uit 1756, een 88-jarige weduwe die in dat jaar stierf. Rond die tijd was de wetenschappelijke nieuwsgierigheid naar deze taal net op gang gekomen. Onder meer Leibniz besteedde er aandacht aan: hij gaf een woordenlijst en een tekst uit in zijn Collectanea Etymologica uit 1717. De belangrijkste Polabische bron is echter het Vocabularium Venedicum van de dominee Christian Hennig von Jessen uit 1705. Het viel nog niet mee voor hem om mensen te vinden die hem over de Polabische taal wilden vertellen, omdat veel mensen niet durfden toe te geven dat ze Polabisch spraken omdat ze daar mee uitgelachen werden. Blijkbaar was de germanisatie al zover doorgevoerd dat het Polabisch ook bij de resterende sprekers ervan in zeer laag aanzien was komen te staan. Er waren in het begin van de 18e eeuw toen Hennig met zijn documentatie begon sowieso alleen nog maar wat oude mensen die Polabisch spraken.

Taalkundige kenmerken[bewerken]

Het Polabisch behoorde tot de zgn. Lechitische tak van het West-Slavisch. Tot deze tak behoren ook het Pools, het Kasjoebisch en het Slovinzisch, een taal die aan de Poolse Oostzeekust werd gesproken en in het begin van de 20e eeuw uitstierf.

Het Polabisch wijkt sterk af van de andere Lechitische talen. Enkele redenen hiervoor zijn de sterke invloed van het Duits en de geografisch gezien vrij afgelegen positie van het Polabische taalgebied. Het gebied waar in de 18e eeuw het Polabisch uitstierf, lag niet in de buurt van grote verkeersaders, en het had ook erg weinig mogelijkheden tot contact met andere Slavische talen, aangezien het omsingeld was door Duitstalig gebied.

Polabische fonetiek[bewerken]

Vocalen[bewerken]

In het Polabisch waren de volgende vocalen te onderscheiden:

a) niet-gereduceerde vocalen a, å, e, ė, o, ö, u, ü, i, o, ą

b) diftongen ai, åi, oi, au, åu

c) gereduceerde vocalen ǎ, ĕ

In lettergrepen in het Polabisch kon een vocaal sterk (niet-gereduceerd) of zwak (gereduceerd) zijn. Reductie vond plaats naar of ǎ of ĕ. a, å, e, o en ö werden gereduceerd naar ǎ, terwijl ü, i, ai, åi, oi en au werden ĕ. De nasale vocalen o en a werden in de regel niet gereduceerd. Of een vocaal sterk of zwak was hing ongetwijfeld af van waar de klemtoon viel. Er is echter geen overeenstemming wat het Polabische accentsysteem betreft. Sommigen denken dat het accent altijd op de laatste niet-gereduceerde lettergreep viel, anderen, bijvoorbeeld Trubetzkoy, zeggen dat dat alleen het geval was als de laatste lettergreep lang was, anders viel het accent op de op een na laatste lettergreep. Weer anderen zeggen dat het accent altijd op de eerste lettergreep viel. Er zijn wel enkele Polabische teksten waar accenttekens bij zijn weergegeven, maar dat duidde waarschijnlijk meestal alleen aan dat die lettergreep niet gereduceerd was, en niet of deze de klemtoon had of niet. Het Polabisch maakte een zeer autonome ontwikkeling door ten opzichte van andere Slavische en ook West-Slavische talen en dit heeft er toe geleid dat de taal behoorlijk afwijkt van de meeste andere Slavische talen. Dit is goed te zien in het volgende overzicht waarin de fonetische verschillen, wat vocalen betreft, worden getoond.

Proto-Slavisch A ĕ e i O
Polabisch o ~ å o ~ e e ~ i ~ a ai ~ a ~ å ö ~ ü ~ å ~ i
Proto-Slavisch U y ę o ь ъ
Polabisch ai ~ au ai ~ oi ~ åi ~ å o ~ ą o ~ ą a ~ å ~ ė å ~ ė

Voorbeeld[bewerken]

Het Onzevader:

Aita nos, tâ toi jis wâ nebesai, sjętü wordoj tüji jaimą; tüji rik komaj; tüja wüľa mo są ťüńot kok wâ nebesai tok no zemi; nosę wisedanesnę sťaibę doj nam dâns; a wütâdoj nam nose greche, kok moi wütâdojeme nosim gresnarem; ni bringoj nos wâ warsükongę; toi losoj nos wüt wisokag chaudag. Pritü tüje ją tü ťenądztwü un müc un câst, warchni Büzac, nekąda in nekędisa. Amen.