Pommerellen
Pommerellen (d.i. Klein-Pommeren, ook wel Oost-Pommeren of Pommeren-Danzig) is een landschap in het noordwesten van Polen, gelegen tussen de Oostzee en de rivieren Parsęta (Persante), Noteć (Netze) en Wisła (Vistula, Wijssel, Weichsel) met als belangrijkste plaats Gdańsk (Danzig). De regio valt deels samen met Kasjoebië.
Geschiedenis [bewerken]
Protohistorie [bewerken]
In het jaar 325 v.Chr. berichtte de zeevaarder Pytheas over de zuidelijke kust van de Oostzee en de daar levende Germaanse stammen. Zo’n 200 jaar later vermeldt de Romeinse historicus Tacitus in hoofdstuk 45 van zijn Germania dat de Goten in het Deltagebied van de Wisła wonen.
Tijdens de Grote Volksverhuizing – van 400 – 600 na Chr. – verlaten deze Germanen het gebied en trekken naar het zuidoosten, waarna Pommerellen als een nagenoeg ontvolkt land achterblijft. Vele plaats- en riviernamen en het feit, dat het Kasjoebisch een Oudpruisisch substraat heeft wijzen er op, dat gedurende deze tijd ook de Pruisen in dit gebied gewoond hebben.
In de zesde eeuw vestigden zich de West-Slavische Pomoranen, waarvan de huidige Kasjoeben afstammen. Vanaf de 9e tot de 12e eeuw hebben eerst de Vikingen en vervolgens de Denen duidelijke sporen in Pommerellen nagelaten. Namen als Oxhöft, Rixhöft, Heisternest en Hela (vgl. het Engelse “heel”) zijn tot op heden bewaard gebleven en zijn een getuigenis van de duurzame bewoning door de Vikingen. Er zijn talrijke vondsten van Arabische munten van de 8e tot de 10e eeuw in Pommerellen gedaan. Zij leggen getuigenis af van de handels- en rooftochten, die de Vinkingen vanuit Pommerellen tot in de Arabische landen hebben gedaan.
Ook de oeroude Barnsteenstraat liep van Samland door de delta van de Weichsel (Wisła) tot de Adriatische Zee en verbond zo Pommerellen met het Middellandse Zeegebied.
De opstellers van de oudste Poolse kronieken, Gallus Anonymus (* onbekend; † na 1166) en Vinzenz Kadlubek, bisschop van Krakau (Kraków) (* ca. 1150; † 3 maart 1223 en Boguphal, bisschop van Posen (rond 1250) berichten van de Poolse pogingen om Pommerellen te veroveren en zich tegen aanvallen vanuit Pommerellen te verdedigen.
Gallus Anonymus noemt de Pommerellen een heidens volk vergelijkbaar met de Pruisen. Boguphal kent ook al de Slavische stam “Caszubitae”, zijnde de Kasjoeben.
In de berichten van deze kroniekschrijvers wordt geen onderscheid tussen West- en Oost-Pommeren gemaakt. Danzig (Gdańsk) wordt in deze kronieken niet vermeld.
Het is niet vast te stellen of Boleslaw I Chrobry (* 967; † 17. Juni 1025) – van 992-1000 hertog van Polen – tijdens zijn veldtochten verder is gekomen dan het zo nu en dan bereiken van de Oostzeekust. Vermoedelijk heeft hij wel het gebied rond Kolberg (Kołobrzeg) gedurende een korte periode kunnen overheersen.
Het is onduidelijk hoe de machtsverhoudingen rond het jaar 1000 in Pommerellen lagen en of Gdańsk (Danzig) ook toen al als belangrijkste plaats in Pommerellen beschouwd kon worden. Veel discussies resulteerden uiteindelijk uit het feit, dat Johannes Canaparius in zijn biografie van Adalbert van Praag, Danzig met “urbs” aanduidde. De aanduiding “urbs” (stad) is in die tijd voor het oostelijk deel van Midden-Europa uiterst ongebruikelijk. Men zou “castrum” (burcht) of “oppidum” (grote plaats) verwachten. Dat gegeven maakt, dat er tot op de huidige dag de meest uiteenlopende interpretaties zijn over wat onder “urbs” in dit verband verstaan dient te worden.
Toen in het jaar 1000 het aartsbisdom Gnesen (Gniezno) werd gesticht met als suffrane bisdommen Kraków, Breslau (Wrocław) en Kolberg (Kołobrzeg), werd niet Danzig, maar Kolberg – dat bij deze gelegenheid voor het eerst vermeld werd – de zetel van het bisdom. Het ligt op de plaats waar de Persante (Parsęta) in de Oostzee mondt en valt in Pommeren, niet in Pommerellen. De eerste bisschop werd de uit Hassegau in Saksen afkomstige Reinbern ((† 1013-1015 in Kiev). Het bisdom Kolberg heeft slechts kort bestaan.
Aan het eind van de 11e eeuw had Danzig een verder niet te duiden, vriendschappelijke of afhankelijke relatie met Polen. De door Adalbert in Danzig gehouden “preek voor de heidenen” in 997 en het feit, dat Danzig in het jaar 1000 niet tot de zetel voor het nieuwe bisdom werd gekozen maken het onaannemelijk dat Danzig toen onderdeel uitmaakte van het reeds christelijke Polen.
Gallus Anonymus bericht over de lange en harde gevechten van de Polen tegen de Pommerellen. Uiteindelijk vormde de schakel van grensversterkingen van Wyszegrod (het huidige Fordon) aan de Weichsel (Wisła), Nakel (Nakło nad Notecią), Usch (Ujście), Czarnikau (Czarnków), Filehne en Driesen (Drezdenko) de noordgrens van Polen.
Voor de tijd van 997 tot ca. 1185 zijn er geen historische bronnen voor de geschiedenis van Pommerellen. Op het einde van de 11e eeuw stonden in Santok aan de monding van de Netze (Noteć) in de Warthe ( Warta) twee grensburgten, een Poolse en een Pommerse.
In de 12e eeuw vestigden de Greifen hun heerschappij – rond Cammin (Kamień Pomorski) en Stettin (Szczecin) – in het westelijke deeI van Pommeren. In het oosteljke deel rond Danzig heersten vanaf 1118 de – waarschijnlijk door de Poolse Piast Bolesław III – als leenman van de Duitse keizer geldende Samboriden. Hierdoor werd Pommeren verdeeld in een westelijk deel, dat gaandeweg een onderdeel van het Heilige Roomse Rijk werd en vanaf 1181 direct onder de heerschappij van de keizer viel en een oostelijk deel, dat onafhankelijk was en met onderbrekingen bij Polen hoorde.
Pommerellen ten tijde van het Poolse particularisme en het hertogdom Pommerellen [bewerken]
Het vorstenhuis der Samboriden heerste in de periode van 1185 tot 1294 in het hertogdom Pommerellen.
De Pommerelse vorsten bestuurden hun land in beginsel vanuit één vestiging. Meerdere personen uit de lokale landadel stonden de hertog ter zijde. Uit overlevering kennen we de volgende namen: Grimislaus, Gnezota en zijn broer Martin, Zulis en Stropha. De schatmeester en kanselier Heinrich was waarschijnlijk een Duitse priester. De onderdanen waren verplicht dienstbaarheden als ook de militaire dienst te vervullen. Ze moesten van hun visvangst en vee de tienden afdragen.
Sambor begunstigde, evenals zijn vader, de vestiging van Duitse kolonisten en kooplieden. Voor hen stichtte hij in 1190 de Sint-Nicolaaskerk „vor Danzig im Felde“. Sint-Nicolaas is de schutspatroon van de zeelieden en de beschermheilige van de (Duitse) kooplieden. Vandaar dat ook in Lübeck, Wismar, Stralsund, Berlijn, Elbing (Elbląg), Reval (Tallinn) en andere plaatsen grote kerken aan de heilige Nicolaas gewijd zijn.
Er bestond in die tijd al een goed ontwikkelde zeehandel. In de eerste plaats werden laken (dat destijds ook als betaalmiddel gold) en zout – voornamelijk vanuit het in 1143 gestichte Lübeck – ingevoerd. De uitvoer bestond uit huiden, was, honing en barnsteen. In Danzig werden op de plaats van de latere "Lange Markt" kraampjes ingericht voor de verkoop van de per schip ingevoerde waren. Bij het „Koggentor“ (het huidige grüne Tor) bevond zich een – door het klooster Oliva onderhouden – aanlegplaats. Als tegenprestatie hiervoor kreeg het klooster een deel van de belastingopbrengsten.
Meer landinwaarts verliepen de handelswegen, één ging van Danzig naar Stargard (Szczeciński ). Verder zuidelijk, voerde de eeuwenoude barnsteenroute tot aan de Adriatische zee. Naar het westen verliep de weg over Stolp (Słupsk) en Schlawe (Sławno) naar Kolberg (Kołobrzeg). Voor zulke handelsreizen werden verscheidene voertuigen tot een konvooi samengesteld en vaak vergezeld van gewapende begeleiding. Bij vertrek uit Danzig diende elke voerman aan de thesaurier een tol van vijf el laken en een halve mark in zilver te betalen. Op de verdere reis werd bij iedere burcht met heerlijke rechten een aanvullende tol in natura geheven. Sinds ongeveer 1240 dienden alle tollen in geld betaald te worden. Er zijn geen bronnen die het bestaan van muntslagerijen in Pommerellen bevestigen. Evenmin zijn er ooit munten afkomstig uit Pommerellen gevonden. Als gevolg van de toenmalige handelsbetrekkingen kwam Deens geld uit Haithabu (Hedeby ) vooral voor in de kustgebieden. Saksische zilvermunten – afkomstig uit de Rammelsberg bij Goslar – stroomden in groten getale naar Polen en Pommerellen, terwijl ook de Poolse vorsten munten sloegen.
Het einde van het huis Sambor en de strijd om de opvolging [bewerken]
Terwijl Polen volgens een leenbrief van keizer Frederik Barbarossa van 1181 geen aanspraken meer op het hertogdom Pommeren kon maken, viel het hertogdom Pomerellen tot 1227 onder Poolse heerschappij. Pommerellen ging volgens de regels van het Poolse Senioraat uitdrukkelijk over op de Seniorhertog (de oudste der Piasten). Door de dood van zijn oom werd hertog Mestwin II de heerser over Pommerellen. In de daarop volgende strijd met zijn verwanten was hertog Mestwin II voor korte tijd de bondgenoot van de Ascanische markgraaf van de Mark Brandenburg, terwijl hij bij het “leenverdrag” uitdrukkelijk ontslagen was van de heerban tegen Polen. Even later streed hij met de Polen tegen de Brandenburgers, die intussen Danzig veroverden.
Volgens de regels van het middeleeuws leenstelsel kwam zijn land – bij gebrek aan een eerstgeborene erfgenaam – toe aan zijn leenheer Otto V van Brandenburg. Mestwin II die door de dood van zijn oom heerser over geheel Pommerellen geworden was – wilde de teruggave van Pommerellen aan Brandenburg verhinderen. Daarom droeg hij op 15 februari 1282 – in het verdrag van Kempen (Kępno) – als een “donatio inter vios” (schenking bij leven) Pommerellen over aan Przemyslaw II. Przemyslaw II was op 16 juni 1295 door de aartsbisschop van Gnesen (Gniezno) tot koning van Polen gekroond. Hij regeerde daarmee – na de dood van zijn oom Bolesław V in 1279 – als opvolger van Hendrik IV van Breslau over Groot-Polen. Met deze gift zou Przemyslaw II – na de dood van Mestwin II – dus tevens de heerser over Pommerellen worden.
De markgraaf van Brandenburg erkende dit verdrag niet, omdat het een aantasting van zijn landsheerlijke rechten betekende.
Mestwin II moest op grond van de uitspraak in arbitrage door een pauselijk legaat op 18 mei 1282 het land Mewe (Gniew), het grote Werder en een deel van de Frische Nehrung (Wisłaschoorwal) aan de Duitse Orde afstaan. Deze toewijzing berustte op een reeds eerder gedane schenking van deze landsdelen aan de Duitse Orde – door Mestwins oom, Sambor II – in 1276.
De Duitse Orde bouwde nog in hetzelfde jaar het commanderijslot Mewe (Gniew) en zette daarmee voet op de linker oever van de Wisła.
Op 25 december 1295 stierf Mestwin II en breidde Przemyslaw II – onder protest van Brandenburg – zijn macht uit over het grootste deel van Pommerellen.
Op 26 juni 1295 werd Przemyslaw II in Gnesen (Gniezno) door aartsbisschop Jakub Świnka tot koning van Polen gekroond. Hij heerste daarmee over Groot-Polen en over grote delen van Pommerellen. In februari 1296 werd Przemyslaw II – door oppositionele adellijken – de Zaremba en de Nałęcz – ontvoerd en in Rogoźno (Rogasen) vermoord.
Het vermoeden bestaat, dat de markgraaf van Brandenburg of de koning van Bohemen Wenceslaus II achter deze moord zat.
De Boheemse Přemysliden en Wladislaus I de Korte [bewerken]
Omdat Przemyslaw II slechts een dochter Elisabeth Richezza had, ontstond er een strijd om zijn opvolging als koning van Polen tussen hertog Wladislaus I de Korte van Koejavië-Brest, waaruit Wenceslaus II van Bohemen zegevierend naar voren kwam. Wenceslaus II voegde in 1300 Groot-Polen en Pommerellen toe aan zijn bezit, verloofde zich met Elisabeth Richezza en liet zich door Jakub Świnka – aartsbisschop van Gnesen (Gniezno) – op 25 juli 1300 tot Pools koning kronen. Om zijn positie te borgen vroeg hij nog in 1300 zijn Poolse gebieden in leen aan de koning van het Heilige Roomse Rijk: Albrecht I van Habsburg. Zijn Poolse tegenstander moest bescherming en asiel in het buitenland zoeken. Wenceslaus II keerde naar Praag terug en liet zich in de Polen en Pommerellen door “capitanei” (starosten) vertegenwoordigen.
Het bestuur over Pommerellen werd overgedragen aan de autochtone paladijn van Danzig: “Pan” Swęca. Hij was lid van het geslacht der Swenzonen (Święca) – die steunend op Neuenburg en omvangrijke landerijen in het stroomgebied van de Brahe (Brda) en de Tuchel – grootte en macht van een zelfstandig vorstendom hadden bereikt.
Na het plotseling overlijden van koning Wenceslaus II in 1305 werd hij opgevolgd door zijn 16-jarige zoon Wenceslaus III. Deze benoemde een zoon van de oude Swęca, Peter von Neuenburg, tot hoofdman van Pommerellen.
De Piast Wladislaus I de Korte keerde rond 1305 in Polen terug en begon vanuit het zuidoosten met de verovering van Polen. Wenceslaus III trachtte de hulp van de Duitse Orde te krijgen. Ter verdediging bewapende hij zich om met Wladislaus I slag te leveren. Hij werd echter in augustus 1306 in Olmütz (Olomouc ) vermoord.
Wladislaus I kon het grootste deel van Polen veroveren en bezette in de winter van 1306 / 1307 Pommerellen.
De Swenzonen vragen de Brandenburgers, Wladislaus I vraagt de Duitse Orde om hulp [bewerken]
Door de bezetting van Pommerellen berooft Wladislaus I het geslacht der Swenzonen (Święca) van hun macht over Pommerellen. De Swenzonen dragen daarop Pommerellen op 13 juli 1307 – per verdrag – over aan markgraaf Waldemar van Brandenburg[1].
Peter von Neuenburg dringt er vervolgens bij Brandenburg op aan, dat zij opnieuw hun aanspraken als leenheer laten gelden.
Brandenburgse troepen onder leiding van Otto IV en Waldemar bezetten daarop in de zomer van 1308 de strategisch belangrijkste punten. De stad Danzig opent hen de poorten, terwijl de Pools – Kasjoebische bezetting van de 300 meter verder gelegen burcht – met de landrechter Bogussa en andere Kasjoebische ambtsdragers – de belegering weet te weerstaan.
Door interne problemen is Wladislaus I niet bij machte zijn stadhouders in Pommerellen te hulp te komen.
De – aan de Poolse hertog toegewijde – dominicaanse prior Wilhelm, adviseert daarom de Duitse Orde om hulp te vragen. Daarop vraagt landrechter Bogussa – met toestemming van Wladislaus I – de Duitse Orde – tegen vergoeding van de kosten – te hulp.
In augustus 1308 komt Heinrich von Plötzke, de landmeester van Pruisen, met troepen naar Danzig, versterkt de bezetting van de burcht en noopt – in september van dat jaar – de Brandenburgers tot de aftocht. Vervolgens ontstaat er echter onenigheid over de vergoeding van de kosten tussen de ridders van de Duitse Orde en de Pools – Kasjoebische bezetting van de burcht.
Deze onenigheid eindigt met gewelddadige schermutselingen.
De Duitse Orde neemt bezit van Pommerellen / Het bloedbad van Danzig [bewerken]
Intussen is onder bevel van de landmeester Heinrich von Plötzke een sterke krijgsmacht opgesteld, die de stad Danzig belegert.
Op 13 november 1308 wordt de stad door de Duitse Orde ingenomen. Het daarbij omgekomen aantal mensen is eeuwenlang een strijdpunt tussen Poolse en Duitse historici geweest.
De Poolse koning klaagt de Duitse Orde al in 1310 aan bij de paus. Het daarop volgende proces vindt van 1310 – 1312 in Riga plaats. In de bul van paus Clemens V van 19 juni 1310, waarmee hij aartsbisschop Johann van Bremen en magister Albert van Milaan opdracht geeft om – naast andere zaken – de ongeregeldheden rond de inneming van Danzig te onderzoeken, wordt gesproken over 10.000 slachtoffers.
Wat er precies in de nacht van 12 op 13 november 1308 gebeurt, was en is omstreden. Vooral in de tijd tussen en na de wereldoorlogen wordt het thema steeds weer voor propagandadoeleinden opgerakeld.
De bewering, dat de Duitse Orde 10.000 Polen afgemaakt zou hebben is allang niet meer actueel. Ongetwijfeld zijn er echter ook meer dan de – door Duitse Orde beweerde – 16 Kasjoebische ridders gesneuveld.
Błażej Śliwiński heeft onlangs aangenomen dat er enige duizenden inwoners gedood zijn. De opgave van de daarvoor bestaande bronnen bleef hij echter schuldig. De verwoesting van grote delen van de stad door de Duitse Orde is – ook op grond van archeologische onderzoekingen – boven enige twijfel verheven.
De vestingwerken van de stad worden door de ridders met de grond gelijk gemaakt. Pas na twee jaar mogen de burgers weer naar Danzig terugkeren en hun stad in het gebied van de "Rechtsstad" herbouwen.
Een half jaar later – op 6 februari 1309 – geeft hertog Przemyslaw van Koejavië de stad Dirschau (Tczew) over aan de Orde. Vermoedelijk zijn stad en burgers het niet eens met deze overgave en gedragen ze zich vijandig tegenover de Orde. Burgemeester, raad en burgers worden tenminste verplicht de stad na Pinksteren te verlaten, zij mogen daarin – zonder toestemming van de Orde – niet terugkeren[2]. Zeer waarschijnlijk heeft de Duitse Orde er echter ook belang bij om ruimte te scheppen voor de vermenging van Duitse kolonisten met de bevolking van Dirschau (Tczew).
Twee maanden later – op 1 mei 1309, verkondigt de landmeester von Plötzke in Thorn dat hertog Przemyslaw van Koejavië nu ook zijn bezittingen in het rivierenland tussen Nogat en Frisches Haff (Wisłahaf) aan de Duitse Orde heeft verkocht.[3] Ten slotte valt – op 9 september 1309 Schwetz (Świecie ) – na een belegering van twee maanden – in handen van de Duitse Orde [4].
Daarmee komt heel Pommerellen in het bezit van de Duitse Orde. In datzelfde jaar verlegt de Duitse Orde de zetel van zijn grootmeester van Venetië naar de Marienburg (Malbork).
Wladislaus I weigert om – tegen een betaling van 10.000 mark zilver – Danzig en Pommerellen aan de Duitse Orde af te staan. Daarop wendt de landmeester van Pruisen zich tot zijn tegenspeler, de markgraaf van Brandenburg. Zij komen tot overeenstemming en markgraaf Waldemar van Brandenburg is bereid om voor hetzelfde bedrag – voor zichzelf en het huis Brandenburg – af te zien van zijn rechten in Pommeren. Daarmee wint de Duitse Orde een vestigingsgebied van enorme afmetingen en bezit het de belangrijkste handelsplaats in het gebied.
Op 13 september 1309 wordt de oorkonde door markgraaf Waldemar van Brandenburg in Soldin (Myślibórz) ondertekend, waarmee hij de Duitse Orde in Pruisen de burchten Danzig, Dirschau (Tczew) en Schwetz (Świecie ) voor een bedrag van 10.000 mark in zilver verkoopt[5]. Hij doet daarmee afstand van de rechten, die hij op grond van de aan hem – als leenheer teruggevallen gebieden in Pommerellen – heeft.
In 1317 verkoopt hertog Przemyslaw van Koejavië ook het Michelauer Land aan de Duitse Orde.
Pommerellen als deel van de Duitse Ordensstaat [bewerken]
Stabilisering [bewerken]
In 1309 verhuist de zetel van de Grootmeester van de Duitse Orde van Venetië naar Marienburg (Malbork).
Wladislaus I verenigt een deel van de Poolse vorstendommen Groot-Polen en Klein-Polen en wordt in 1320 tot Poolse koning gekroond. Het is zijn uitgesproken doel om Pommerellen tot Pools gebied te maken. Zijn pogingen om steun bij de Pauselijke Curie in Avignon te krijgen, blijven zonder resultaat. Hij gaat een verbond aan met - de grootste vijand van de Duitse Orde – Litouwen. Zijn zoon Casimir treedt in 1325 in het huwelijk met Aldona-Anna, de dochter van de Litouwse vorst Gediminas.
De Duitse Orde is op haar beurt bondgenootschappen aangegaan met het intussen Luxemburgse Bohemen, de Mark Brandenburg en de drie Mazovische vorsten.
In 1327 start Wladislaus I een oorlog tegen de Duitse Orde. Deze oorlog resulteert in verwoestende veldtochten door beide partijen. Als op 27 september 1331 een legereenheid van de Orde uit het oosten van Groot-Polen terugkeert, valt Wladislaus bij Płowce aan. Daarbij wordt één van de drie bataljons van de Duitse Orde vernietigd. De Slag zelf, blijft onbeslist. Het psychologisch effect van dit eerste (gedeeltelijke) Pools – Litouwse succes is echter enorm.
Uiteindelijk kan de Orde de aanvallen afslaan en in een sterk offensief Koejavië en het Dobriner-land in bezit nemen.
Bij het overlijden van Wladislaus I in 1333 volgt zijn zoon, Casimir III van Polen, de Grote hem onder moeilijke omstandigheden op. De hertog van Mazovië maakt aanspraak op het hoogste gezag, de oorlog met de Duitse Orde sleept zich voort en de tartaren dreigen met een inval.
In het verdrag van Kalisz van 23 juli 1343 erkent Casimir definitief de heerschappij van de Duitse Orde over Pommerellen en het Kulmerland. Daarvoor in ruil geeft de Duitse Orde, de door haar bezette hertogdommen Koejavië en Dobrzyń (Dobrin) aan Polen terug. De Poolse adel bevestigt uitdrukkelijk dat Polen afstand doet van zijn rechten op Pommerellen , dat terwijl Casimir zich ook verder „Heres Pomeraniae“ (Erfgenaam van Pommeren) blijft noemen.
Het wat verder van zee - aan de Netze gelegene – zuidelijke deel van Pommerellen is in ieder geval Pools.
Met de ondertekening van dit verdrag heerst voor enige decennia (uiterlijke) vrede tussen de Orde en Polen.
Ontsluiting [bewerken]
Vanaf 1309 wijdt de Orde zich direct en intensief aan de ontwikkeling van het land. In het zuiden van de Commanderijen Schlochau (Człuchów) en Konitz (Chojnice ) wordt de grens met Polen door de planmatige aanleg van Duitse landgoederen en tiendplichtige dorpen beveiligd. Verder wordt de stad Friedland (Debrzno) op de noordelijke oever van de overgang met de rivier de Dobrinka gevestigd. De grens met Pommeren wordt door de steden Baldenburg (Biały Bór ), Hammerstein (Czarne) en Duitse landgoederen beveiligd.
Over het binnenland verspreidt liggen talrijke kerkelijke bezittingen van de kloosters Oliva, Pelplin, Zarnowitz (Żarnowiec), Zuckau (Żukowo), het bisdom Koejavië en andere.
In de periode van 1315 tot 1340 wordt het rivierenlandschap in de delta van de Weichsel (Wisła ) door de Orde ingepolderd en in gebruik genomen door Duitse boeren.
De Kasjoebische Dorpen in het noorden van Pommerellen winnen door de invoering van het Duitse hofstelsel en het verlenen van het Kulmse Recht aan economische kracht. Verder worden in de landbouw het drieslagstelsel en voor de dorpsgemeenschappen een vorm van zelfbestuur (Schulzenverfassung) ingevoerd.
Nieuw gevestigde steden worden het middelpunt in het handelsverkeer met de omliggende dorpen.
Danzig [bewerken]
De steden in de Ordestaat maken een grote economische bloei door, zoals Danzig, dat vanwege zijn gunstigere ligging - het eerder door de orde verkozen - Elbing (Elbląg) spoedig overvleugelt. Door de economische voorspoed trekt de stad veel Duitse kooplieden aan.
Van koning Przemysł II van Polen had de Stad Danzig al het Magdeburger Recht - in plaats van het oorspronkelijke Lübecks Recht - verkregen. Grootmeester Ludolf König verleent de Stad in 1343 het Kulmse Recht, dit blijft weliswaar beperkt tot de binnenstad - de „échte“ Stad - die daardoor de naam de „Rechtstadt“ krijgt.
Reeds rond 1380 is de massieve ommuring van deze stad voltooid. De tot op de huidige dag behouden „Stockturm“ is een restant van deze middeleeuwse versterking.
De eerste steenlegging voor de nieuwbouw van de Mariakerk - het grootste kerkgebouw in het gebied rond de Oostzee – vindt in 1343 plaats. De stad is dan al dichtbevolkt. De Artushof wordt in 1350 voor de eerste maal vermeld. Het raadhuis van de „Rechtstadt“ wordt als bestuurscentrum in 1380 door - de meester architect - Heinrich Ungeradin gebouwd.
Danzig is lid van de Duitse Hanze en wordt tegen het Einde van de 14e eeuw de lijdende stad van Pruisen. De overzeese handel is – ondanks alle daarmee verbonden risico’s - de basis voor de bloei van de Stad. De uitvoer bestaat voornamelijk uit graan, hout, as en teer, terwijl Vlaams linnen, Engelse Wol en zout - voornamelijk uit Lübeck - worden ingevoerd. In de 14e eeuw vestigen zich ook Engelse kooplieden in Danzig, die samen een coöperatie oprichten onder leiding van een „governor“.
Het tij voor de Duitse Orde keert [bewerken]
Vanuit de eigen hoeven exploiteert de Orde haar omvangrijke domeinen. Deze opbrengsten, het monopolie op het molenrecht en de eigen handel van de Orde maken het mogelijk om grotendeels af te zien van verdere belastingen.
De door de Orde bedreven handel, wordt – door de steeds zelfbewuster wordende steden - in toenemende mate als bedreigende concurrentie ervaren. Met de regionale vergaderingen van de Pruisische Hanzesteden wordt een gezamenlijk optreden voor de Hanzedagen voorbereid. Natuurlijk komen op deze bijeenkomsten ook allerlei andere zaken - zoals de klachten over de Orde - ter sprake.
De ridders slagen er - als vreemdlingen zonder gezinsleven –niet in om een vertrouwensband met de intussen sinds generaties ingeburgerde stedelijke patriciërsfamilies en de landelijk adel op te bouwen. Hun gedrag wordt als arrogant ervaren. Voor de plaatselijke families ontbreekt de mogelijkheid om tot de hogere posities van het bestuur door te dringen. Institutionele Gremia - waarin de aangelegenheden van het land met de landsheren besproken kunnen worden - ontbreken.
Dit alles resulteert in een toenemende ontevredenheid in het land.
Ook de politieke verhoudingen in het buitenland veranderen tegen het einde van de 14e eeuw. Het Heilige Roomse Rijk is verzwakt als gevolg van de concessies die keizer Karel IV in 1376 aan de keurvorsten heeft moeten doen om zijn zoon Wenzel tot Duitse koning te laten kiezen.
De pauselijke macht is door het Schisma (1378 – 1415) verlamd.
De Litouwse grootvorst Jogaila laat zich dopen en trouwt twee weken later op 4 maart 1386 met de in 1384 tot „koning van Polen“ gekroonde Hedwig van Anjou.
Hij wordt door de Poolse adel tot koning van Polen gekozen, nadat hij plechtig beloofd heeft om zijn volledige Litouwse en Russische gebieden voor eeuwig aan de Poolse kroon te verbinden en de voor Polen verloren gegane landen – hierbij wordt in de eerste plaats gedacht aan Pommerellen en het Kulmerland – te heroveren.
Jogaila noemt zich vanaf nu Wladislaus II Jagiello.
Door het samengaan van Polen en Litouwen is de Orde door een overmachtige vijand omgeven, zonder op de hulp van keizer of paus te hoeven rekenen.
Door de kerstening van Litouwen wordt daarenboven het bestaansrecht van de Orde ondergraven. Ze hoeven niet meer op ondersteuning door kruisvaarders uit geheel Europa te rekenen. Daarnaast is de oorlogsvoering veranderd, de eerste vuurwapens doen hun intrede. De door ridders geleide legers zijn op ondersteuning door huurlingen aangewezen en die kosten geld.
De Orde verliest Pommerellen in de Tweede Vrede van Thorn (1466) na de Dertienjarige Oorlog (1454-1466) aan Polen, binnen welk land het een deel van Koninklijk Pruisen werd. Pruisen annexeerde het gebied in de Eerste Poolse Deling (1772) grotendeels en verwierf in de Tweede Deling (1793) ook Danzig. Binnen Pruisen vormde Pommerellen het belangrijkste deel van de provincie West-Pruisen, die tot in de twintigste eeuw dan ook informeel wel als Pommerellen werd aangeduid.
Pommerellen kwam in 1919 als gevolg van het Verdrag van Versailles grotendeels aan Polen, waar het de Poolse Corridor vormde. Van 1939 tot 1945 behoorde de regio tot de Duitse rijksgouw Danzig-West-Pruisen, daarna werd ze weer Pools. Tegenwoordig behoort Pommerellen tot het Poolse woiwodschap Pommeren.
Bronnen [bewerken]
- ↑ Pommerellisches Urkundenbuch [Pom. Ur.]. Uitgave van de „Westpreußischer Geschichtsverein.“ en bewerkt door Max Perlbach. Uit de Altpreußischen Monatsschrift deel 52., Aalen 1969;. blz. 578 Nr. 656
- ↑ Pom. Ur., blz. 589 Nr. 668; Preußisches Urkundenbuch deel. I./2 [Pr. Ur.], uitgegeven door August Seraphim, Königsberg 1909, blz. 567 Nr. 901
- ↑ Pom. Ur., blz. 592 Nr. 672; Pr. Ur., blz. 568 Nr. 904
- ↑ Engelbrecht, Franz: Das Herzogtum Pommern und seine Erwerbung durch den Deutschorden 1309, Diss. Königsberg. Potsdam 1911, blz. 71; Scriptores rerum Prussicarum. Uitgegeven door Theodor Hirsch, Max Toeppen und Ernst Strehlke. deel I-VI. Leipzig/Frankfurt/M. 1861, 1863, 1866, 1870, 1874 en 1968, deel II, blz. 64 opm. 4
- ↑ Pom. Ur., blz. 595 Nr. 676; Pr. Ur. blz. 570 Nr. 908