Kasjoeben

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kasjoeben
Kaszëbi
Kaszubi
Het tegenwoordige gebied van de Kasjoeben
Het tegenwoordige gebied van de Kasjoeben
Verspreiding Vlag van Polen Polen
Taal Kasjoebisch (50.000 sprekers)
Verwante groepen Slavische volkeren
Portaal  Portaalicoon   Landen & Volken
Vlag van de Kasjoeben

De Kasjoeben (Kasjoebisch: Kaszëbi, Pools: Kaszubi) zijn een westslavisch volk, dat afstamt van de Pomoranen (uit het Slavisch: Pomor’e = gebied aan zee). De meeste Kasjoeben wonen in Polen in Kasjoebië (Kasjoebisch: Kaszëbë) en Pommeren. De Kasjoeben zien Danzig (Kasjoebisch: Gduńsk) als hun hoofdstad.

De herkomst van de naam Kasjoeben is niet met zekerheid bekend. Een gangbare verklaring is dat de naam afkomstig is van het woord Kassub, een mantel die de Kasjoeben in vroeger tijden droegen.

Het Kasjoebisch, een West-Slavische taal wordt na een lange periode van polonisering nog door ongeveer 50.000 mensen actief gesproken. Het bevat zowel Duitse als Baltische (Oudpruisische) leenwoorden.

Naamgeving[bewerken]

De oudste vermelding van de naam van de Kasjoeben stamt uit de 13e eeuw, toen de Hertogen van Stettin (Kasjoebisch: Szczecëno; Pools. Szczecin) zich als Dux Slauorum et Cassubiae aanduidden. De naam Kasjoebië is over Pommeren en Pommerellen verschoven. De vroegste vermeldingen duiden met Kasjoebië wat sinds de 14de eeuw Pommeren zou gaan heten. Het huidige Kasjoebië werd als een oudere naam gereserveerd voor Pommerellen. Dat zou echter op zijn beurt ook de naam West-Pruisen gaan dragen.

Geschiedenis[bewerken]

In de 11e en 12e eeuw werden de Kasjoeben van Polen uit gekerstend. De Poolse koning Boleslaw III vroeg bisschop Otto von Bamberg in 1124 de bekering van het gebied (en ook van Pommeren) op zich te nemen, nadat eerdere pogingen nauwelijks effect hadden gehad. Deze kerstening was van groot belang voor de integratie van deze gebieden in het Poolse koninkrijk. Echter, deze zou maar beperkt plaatsvinden want de hertogen van deze gebieden wendden zich, om hun onafhankelijkheid te behouden, meer naar het westen, en gaven sinds ca. 1200 uitgestrekte gebieden ter ontginning aan kloosterordes en rechten tot het stichten van steden aan kolonisten uit het Duitse Rijk. In 1181 lieten de Pommerse hertogen in de westelijke gebieden zich opnemen in het Duitse Rijk door de keizer als hun leenheer te erkennen. De hertogen in de oostelijke gebieden, anders gezegd de Pommerellische hertogen, raakten met elkaar in een erfopvolgingsstrijd die, via een door Polen betwistte overdracht aan de hertogen van Brandenburg, zou leiden tot de verkoop van het gebied aan de Duitse Orde. Sindsdien heette het gebied West-Pruisen, omdat het gebied dat de orde reeds bezat de naam Pruisen droeg. In 1466 werd West-Pruisen door het koninkrijk Polen ingelijfd als ‘koninklijk Pruisen’. Drie eeuwen later, in 1772, werd het door het koninkrijk Pruisen ingelijfd, en daarbinnen de als de provincie West-Pruisen met als hoofdstad Danzig ingericht. In 1919 werd het na de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog bij het wederopgerichte Polen gevoegd en stond het bekend als Poolse Corridor.

Aantallen[bewerken]

Bij de volkstelling in 1910 gaven ruim 100.000 (7%) inwoners van de toenmalige provincie West-Pruisen zich op als Kasjoebischtalig, maar daarnaast waren er 425.000 (28%) die zich als Poolstalig lieten registreren, hoewel vermoedelijk nog eens zo veel als het bovengenoemde aantal Kasjoeben onder deze Polen gevonden kon worden. De Duits-Pruisische overheid stimuleerde de Kasjoebische identiteit om de Poolse minderheid, althans statistisch, te verkleinen, en niet alle Kasjoeben wilden zich daarvoor lenen. Het was een onderdeel van de staats-taalpolitiek om de Kasjoeben naast hun dagelijks gesproken taal te wennen aan het Hoogduits als culturele en standaardtaal, in plaats van het Pools dat door de roomskatholieke kerk en een deel van de regionale adel in deze functie werd gebruikt. Van de taalpolitieke germanisering is op dit moment alleen een groot aantal Duitse leenwoorden overgebleven (5% van het Kasjoebische lexicon). Onder de Kasjoeben bestonden, onder druk van de staatkundige dominantie, stromingen met verschillende nationale affiniteit. Tot 1919 was de stroming dominant die zichzelf als een etnische groep binnen de Duitse natie beschouwde. Na 1919 namen degene die een etnische groep binnen de Poolse natie wilden zijn die positie over. Daartussen bestond steeds ook een groep die zich als authentiek eigen nationaliteit beschouwde.

Veel Kasjoeben zouden in de Duitse bezettingsperiode 1939-1945 zich onder druk (weer) als Duits staatsburger laten registreren, waardoor zij hun bezit en recht op verblijf behielden, maar zich ook verplichtten tot arbeids- en militaire dienst. Polen konden daarentegen elk moment uitgewezen konden worden en tienduizenden van hun werden ook daadwerkelijk verdreven, als zij voorafgaande internering, zoals in het concentratiekamp Stutthof bij Danzig, overleefden. De Duitse en en een deel van de 'Duits aangepaste' bevolking vluchtte begin 1945 naar het westen; achterblijvers moesten een politieke zuivering ('verificatie') ondergaan en een deel van hen werd voor collaboratie gestraft voordat ze weer Pools burgerrecht ontvingen. Het duurde lange tijd voordat Kasjoebische culturele rechten in het na-oorlogse Polen weer enige erkenning kregen. De steun door de overheid is overigens grotendeels symbolisch gebleven.

Het Slowinzisch was zeer verwant aan het Kajoebisch en werd tot het einde van de 19de eeuw in het uiterste noordoosten van de aangrenzende provincie Pommeren gesproken totdat de bevolking daar tot op enkele honderden na op het Duits was overgegaan. Daarbij speelde een rol dat deze Slowinzen luthers waren en zich als Duitsers (Pruisen) identificeerden. Na 1944 zijn zij deels gevlucht (zie Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog), maar op grond van hun aantoonbaar Slowinzisch-Kasjoebische afkomst mochten een paar honderd blijven. Dezen zouden in de volgende jaren toch besluiten naar Duitsland te vertrekken.

Bekende Kasjoeben[bewerken]

Van gedeeltelijk Kasjoebische afstamming waren

Bronnen[bewerken]

  • M. Broesike, Deutsche, Polen, Masuren und Kaschuben in der Provinz Westpreußen, Berlin 1910.
  • F. Lorentz, Geschichte der Kaschuben. Berlin 1926.
  • P. Rehder (red.), Einführung in die slavischen Sprachen. Darmstadt 1998
  • A. Cammann, Die Kaschuben, 2007