Taalpolitiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Taalpolitiek verwijst naar die politieke en andere beleidsmaatregelen die erop gericht zijn het gebruik van een taal te bevorderen of te reguleren, of de status van die taal te beïnvloeden. Tussen politiek en beleid, die vaak in elkaar overvloeien, wordt in dit artikel geen principieel onderscheid gemaakt.

Taal als institutie; groepsidentiteit[bewerken]

Een van de kenmerken van taal is dat zij een sociale institutie vormt. Daardoor grijpt zij diep in het bestaan van individuen en gemeenschappen in, alsook in hun functioneren in een groter verband. Zij is niet de enige institutie met dit effect: ook economische, religieuze en andere toegangsfactoren spelen een rol, en kunnen sociale mobiliteit in de weg staan; soms in combinatie met de taal.

De natie[bewerken]

Historie[bewerken]

Bij het grotere verband waarin individuen functioneren, kan allereerst aan de natie worden gedacht. Taal wordt vaak beschouwd als onderscheidend kenmerk van een natie. Wanneer nationale grenzen (staatsgrenzen) niet samenvallen met taalgrenzen kunnen politieke problemen ontstaan in een streven naar separatisme resp. gebiedsannexatie. Men spreekt dan van taalminderheden, etnische minderheden of nationale minderheden.

  • Enerzijds kunnen die problemen tot internationale conflicten leiden (zoals het nationaal-socialistisme dat zei een Groot-Duitsland te vestigen, waartoe het woongebied van alle Duitstaligen moest behoren, of andersom het Italiaanse fascisme dat het recht om Zuid-Tirol en Istrië te italianiseren, ontleende aan het gegeven dat deze provincies op het grondgebied van de Italiaanse staat lagen).
  • Anderzijds kunnen binnenlandse conflicten het gevolg zijn: tijdens de Oostenrijks-Hongaarse monarchie waren Duits en Hongaars de dominante talen, waaronder andere talen zoals het Pools en Tsjechisch en ook het Roemeens hun nationale rechten opeisten, een situatie die na de Eerste Wereldoorlog leidde tot de oprichting van diverse nationale staten. In België was vanaf de 18de eeuw het Frans de dominante staatstaal maar sinds het begin van de 20ste eeuw veroverde het Nederlands langzaamaan een dominante positie in de Vlaamse provincies. Twee bestuurlijk gescheiden taalgebieden ontstonden; in het tweetalige Brussel verloor echter het Nederlands zijn gelijkwaardige positie. Omdat deze stad zich geografisch blijft expanderen en Franstaligen rechten opeisen in de Vlaamse randgemeenten waar zij zich vestigen, vond de taalstrijd tot op vandaag een voortgang die de Belgische staatseenheid onder druk blijft zetten.

Separatisme[bewerken]

Verschillen in linguïstische identiteit kunnen spanningen tussen groepen taalgebruikers veroorzaken, en zelfs tot afscheidingsbewegingen (separatisme) leiden. Soms worden de taalverschillen uit opportunistische motieven uitgespeeld ten behoeve van economische en politieke machtsverwerving. In België en Zuid-Tirol heeft dit geleid tot verregaande politiek-bestuurlijke autonomie op basis van taalgebieden.

Ontwikkelingsstadia[bewerken]

Het hangt deels af van de politieke en economische ontwikkeling van een meertalig land, in welke mate interne conflicten een rol spelen.

  • In het eerste stadium zijn de meeste etnisch-linguïstische groepen nog weinig bij het nationale gebeuren betrokken. Eén van deze groepen, vaak een elite, is dominant en deze dominantie wordt door de andere groepen erkend, althans aanvaard. Voorlopig geeft dat weinig reden tot conflict.
  • In het tweede stadium eisen de zogenaamde minderheidsgroepen echter hun aandeel op in het nationale politiek-economische leven, en die eis van gelijkberechtiging kan tot spanningen leiden omdat ze bestaande posities en voorrechten bedreigt.
  • In het derde stadium treedt na de pacificatie van de interne verhoudingen internationalisatie op: een nieuwe generatie leert een of meer internationale talen, maar toch vooral Engels, spreken, en richt zijn oriëntatie over de grenzen.

Fragmentatie en assimilatie[bewerken]

Doorgaans is de assimilatie van bevolkingsgroepen tot een nationale eenheid moeilijker naarmate de natie sterker linguïstisch is gefragmenteerd, dus opgedeeld in taalgroepen en taalgebieden.

  • Waar er slechts één dominante taal is en verder alleen talen van minder economisch, politiek en numeriek belang, blijft het probleem beperkt. Zo heeft bijvoorbeeld het Frans bijna alle andere talen in Frankrijk (zoals, Vlaams, Bretoens, Catalaans, Duits) kunnen verdringen.
  • Waar een klein aantal talen elkaar in evenwicht houden, kan dat ertoe leiden dat ze elkaar in gijzeling nemen. Dit laatste hoeft overigens niet het geval te zijn. Er kan ook een geografische verdeling bewerkstelligd worden, zoals in Zwitserland waar de meeste, bovendien betrekkelijk autonome, kantons eentalig zijn. Waar de kantonale taalverhoudingen niet in balans waren heeft dat recent geleid tot separatisme: de afscheiding van een nieuw Franstalig kanton Jura uit het oude kanton Bern.

Internationale afspraken[bewerken]

In een volgend stadium worden er internationale afspraken gemaakt die een kader aangeven voor het taalgebruik. Zij kunnen op zeer diverse terreinen liggen:

Redenen voor taalpolitiek[bewerken]

Taalideologie[bewerken]

De redenen voor uiteenlopende instanties om taalpolitiek en taalbeleid te voeren, zijn uiterst divers, maar het uitgangspunt ligt in het algemeen in een taalideologie. Taalideologieën maken gebruik van:

  • Assimilatie, als gevolg van het streven dat iedereen ongeacht zijn of haar moedertaal ook de officiële taal van het land of de nationale maatschappij, waar hij of zij deel van uitmaakt, moet leren spreken. Minderheidstalen kunnen een ontkenning en bedreiging vormen voor deze nationale eenheid. Twee- en meertaligheid wordt dan bestreden in het axioma van de nationale eentaligheid: nationale uniformering. Dit streven is in de Franse grondwet verankerd en daarmee is de reden dat Frankrijk het bovengenoemde Europees Handvest niet kan en wil onderschrijven.
  • Het tegenovergestelde van assimilatie is nationale pluriformering (pluralisme): de erkenning dat binnen één land of gemeenschap meerdere talen een officiële functie moeten kunnen hebben. Een voorbeeld hiervan lijkt Zwitserland, dat niet minder dan vier officiële talen kent: Duits, Frans, Italiaans en Reto-Romaans. Deze worden echter niet, enkele tweetalige gemeenten uitgezonderd, naast elkaar gebruikt, maar zijn de enige officiële taal op basis van cantonale bestuurlijke autonomie. Een ander voorbeeld lijkt de erkenning in Nederland van streektalen zoals Fries, Limburgs en Nedersaksisch naast het Standaardnederlands, talen waarvan overigens alleen het Fries als een officiële standaardtaal in openbaar bestuur en onderwijs in de provincie Friesland gebruikt wordt. Dit wil dan weer niet zeggen dat het gebruik van deze taal op gelijkwaardig niveau van het Nederlands plaats vindt. De andere streektalen hebben wat dit betreft geen officiële status in onderwijs en bestuur. Wel een voorbeeld van gelijkwaardige meertaligheid is de erkenning van vier officiële talen (Engels, Mandarijn, Maleis en Tamil) in Singapore.
  • Van nationalisering is sprake wanneer een inheemse minderheidstaal tot die van officiële taal van de staat wordt verheven, bijvoorbeeld nadat de nationale onafhankelijkheid is uitgeroepen. De onafhankelijkheid van voormalige koloniën en daarmee vergelijkbare gebieden werd vaak gevolgd door de verheffing van van de inheemse taal als nationale staatstaal. Een voorbeeld in Europa is het Iers in Ierland. Nadat, na de Eerste Wereldoorlog, nationale staten in Midden-Europa werden opgericht, zijn onder andere ook de Baltische talen, het Fins, het Tsjechisch, het Pools tot nationale staatstaal verheven, vanuit een eeuwenlange positie van minderheidstaal onder de dominantie van Russisch of Duits als de officiële staatstaal. Dit betekende niet alleen de opheffing van die eeuwenlange minderheidspositie maar tegelijk ook een discriminatie van andere talen. In deze nieuwe staten sprak een groot deel van de bevolking, zogenaamde taalminderheden, niet de taal die nu als nationale staatstaal gold. Deze situatie zou in en kort na de Tweede Wereldoorlog bijdragen tot etnische zuivering op grote schaal. Een bijzonder geval is het Hebreeuws dat in de gemoderniseerde vorm van het Ivriet in de nieuw gestichte staat Israël na 1948 tot nationale taal werd verheven en aanvaard door een bevolking die vele andere talen sprak maar in die ene nationale taal haar eenheid beleefde. Waar in de koloniën meerdere inheemse talen werden gebruikt gaf dat bij de keuze van een nationale staatstaal concurrentieproblemen, die vaak werden opgelost met het handhaven van de taal van de voormalige kolonisator: Engels, Frans of Portugees. Vaak blijkt dat een officiële erkenning een taal niet altijd voor verdwijnen kan behoeden, zoals in het geval van het Iers, dat ondanks zijn officiële erkenning en zijn verplichting als onderwijsvak afnemend door nog maar enkele tienduizenden moedertaalsprekers dagelijks wordt gesproken.
  • Internationalisering is het invoeren van een taal voor allerlei vormen van communicatie in een gebied waar die taal oorspronkelijk niet als officiële taal noch als streektaal gold, zoals is gebeurd met het Engels in onder andere India, de Filipijnen en Papoea-Nieuw-Guinea.

Doelen[bewerken]

Voor taalpolitiek worden ruwweg de volgende doelstellingen onderscheiden welke vaak elkaar aanvullend en in samenhang worden nagestreefd:

  • Versterking van de nationale eenheid en identiteit. Vooral in nieuw opgerichte of heropgerichte, uit grotere staatseenheden afgescheiden staten is dit motief van primair belang. Naast de (nieuwe) nationale eenheid kan ook de internationale eenheid een doel zijn, zoals in de postnationale Europese Unie die het Engels als gemeenschappelijk communicatie- en identificatiemiddel wil invoeren. Frankrijk verzet zich daartegen, terwijl het Duits zijn vroegere positie van Midden-Europese verkeerstaal voor een deel lijkt terug te winnen op grond van de economische zwaartekracht van Duitsland en Oostenrijk.
  • Taalpurisme, vreemde invloeden in een taal door middel van voorschriften te bestrijden en het gezag van de standaardvorm tegen "verloedering" te versterken. In de geschiedenis heeft taalpurisme lange tijd een zeer belangrijke rol gespeeld. De nationale erkenning van de Midden-Europese talen ging gepaard met een 19de eeuwse purificering die de vele leenwoorden, met name van Duitse oorsprong, uit deze talen heeft 'weggezuiverd'. Dit nationale purisme speelde in de nationale talen in West-, Noord- en Zuid-Europa een veel minder grote rol (met uitzondering van het IJslands dat bijzonder sterk gepurificeerd is). De invloed van het Frans en het Duits in de 18de en 19de eeuw in deze talen werd daar na de Tweede Wereldoorlog afgelost door het Engels.
  • Taalhervorming - bewuste pogingen om de spelling en/of grammatica van een taal te beïnvloeden, soms om deze eenvoudiger te maken. Voorbeelden zijn de verschillende spellingwijzigingen die sinds 1995 in de Nederlandse taal zijn doorgevoerd.
  • Standaardisering - het vergroten van het prestige van een streektaal of dialect door één officiële vorm te construeren en die voor te schrijven. Waar dit wordt nagestreefd, heeft het alleen effect als deze standaardvorm dan ook in het onderwijs geleerd en in het openbaar bestuur toegepast gaat worden. Als dit onvoldoende gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld omdat zo'n standaard geen of te weinig zeggenskracht krijgt en in de praktijk te weinig algemeen gebruikt wordt, blijft zo'n taalstandaard beperkt tot streektaalliefhebbers. De aanvaarding van het Standaard-Nederlands in Vlaanderen ging gepaard met een eeuw, bij tijden heftige, discussies waarin eigen Vlaamse (sub)standaarden als alternatief werden voorgesteld. Pas na de Eerste Wereldoorlog stond de keuze voor het Standaard-Nederlands niet langer ter discussie. Dat neemt niet weg dat in de uitspraak van het Standaard-Nederlands tussen Nederlanders en Vlamingen verschillen bleven bestaan die in recente tijd zelfs toenamen.
  • Taalbehoud - pogingen tot het in stand houden van het gebruik van een taal die onder druk staat; hiertegenover staat taaldood bijvoorbeeld als het in stand houden niet lukt omdat de taal niet meer wordt overgenomen door nieuwe generaties en tenslotte verwatert of verdwijnt. Dat is het geval met de vroegere dialecten die langzaam in de standaardtaal opgaan, blijven zij in bepaalde kenmerken herkenbaar, zie regiolectisering.
  • Taalverspreiding - het vermeerderen van het aantal sprekers van een taal, met name door onderwijs in en door het gebruik van de taal, zoals in de media, voor te schrijven.
  • Taalmodernisering - het actualiseren van het lexicon van een taal, bijvoorbeeld door het vormen van neologismen of het aanpassen van bestaande woorden.
  • Terminologische unificatie - het ontwikkelen van nieuwe terminologie voor bepaalde zaken.
  • Stilistische vereenvoudiging - het vereenvoudigen van zowel lexicon, grammatica als stijl. Zo bestaat er bijvoorbeeld van de Engelstalige Wikipedia naast de gewone versie ook een vereenvoudigde die zich op bepaalde doelgroepen richt [1].
  • Het op een speciale doelgroep afstemmen van een taal, bijvoorbeeld met behulp van transliteratie of transcriptie.
  • Tweetaligheid wordt nagestreefd in het moderne onderwijs, daar waar met name Engels niet langer als vreemde taal wordt geleerd, maar als onderwijstaal naast of in plaats van Nederlands wordt gebruikt. Als motief wordt daarvoor gegeven het streven naar Europese eenheid en naar internationaal contact.

Internationale veiligheid[bewerken]

Internationale afspraken op taalgebied kunnen, zoals besproken, op zeer uiteenlopende manieren de veiligheid bevorderen. Bij het Verdrag van Versailles was als doel een sterke nationale eenheid en politieke stabiliteit het motief; in de luchtvaart gaat het om fysieke veiligheid.

Nationale stabiliteit[bewerken]

In geval van een veelheid aan talen, kan het nationale samensmedingsproces bemoeilijkt worden door taalfragmentatie, anders gezegd door communicatieproblemen. Waar de linguïstische verschillen tot spanningen en zelfs tot separatisme leiden, is de stabiliteit van een land in het geding. Als geen andere oplossing wordt gevonden voor de pluriformiteit dan het opleggen van één taal over alle andere taalgroepen kan dat tot desintegratie leiden, soms tot externe interventie wanneer gediscrimineerde taalgroepen steun krijgen van taalgenoten over de grenzen. De staatseenheid wordt dan bedreigd. De vreedzame ontwikkeling van het vooroorlogse Midden-Europa werd door taaldiscriminatie van deze minderheden in de nieuw nationale staten juist verlamd.

Nationale identiteit[bewerken]

Naties die zich van een koloniaal juk hebben bevrijd, hebben vaak geen nationale eenheidstaal, en namen daarvoor die van de voormalige koloniale macht over. Zo is in India het Engels nog de eenheidstaal, in Afrikaanse landen het Engels, Frans, of het Portugees. In sommige gevallen leidt dit tot politieke spanningen, met name waar nationalisten er één van de inheemse taal voor in de plaats willen stellen, een streven dat dan weer op verzet kan stuiten bij sprekers van andere inheemse talen.

Andere voormalige koloniën hebben een van hun talen tot eenheidstaal verheven: in Indonesië is volgens de grondwet het Indonesisch, een gestandaardiseerde vorm van het Maleis, de eenheidstaal, zij het niet de moedertaal van een meerderheid. In de Filipijnen hebben velen de talen van voormalige overheersers (Spaans en Amerikaans Engels) geleerd, maar is het Tagalog de nationale taal. De ideologie van de taalpolitiek gaat ervan uit dat het doorgaans beter is een inheemse taal als nationale taal te kiezen, hoewel voor de internationale communicatie een wereldtaal zoals Engels of Frans als tweede taal wordt gekozen.

Assimilatie, communicatie en emancipatie[bewerken]

In linguïstisch sterk gefragmenteerde gemeenschappen belemmert de nationale taal de leden van kleinere taalminderheden vaak aansluiting te vinden bij de dominante nationale cultuur en dit kan tot spanningen leiden. Op sommige Filipijnse eilanden, waar stormen een verwoestende uitwerking kunnen hebben, is het voor leden van etnische minderheden niet mogelijk de (Engels- of Tagalogtalige) weerberichten te begrijpen.

In juridische procedures zijn zij in het nadeel omdat de voertaal in de rechtszaal het Tagalog is. Onbegrip kan leiden tot misverstand tussen groepen die verschillende talen spreken. Men verstaat de ander niet; de cultuur van die ander begrijpt men daardoor al evenmin, zodat er gemakkelijk communicatiestoornissen ontstaan.

Communicatie kan zelfs binnen familieverband onoverkomelijke problemen opleveren:

Neem bijvoorbeeld het probleem van een 31-jarige vrouw in de zuidelijke stad Zamboanga [op de Filipijnen]. Haar moeder is Cebuaans en haar vader is Chinees. Haar grootvader van moederskant is Kantonees en zijn vrouw Fukien. De vrouw is grootgebracht in een Tausuggebied in de Filipijnen, en heeft een Engelstalige opleiding. Ze is getrouwd met een Samal die Sinama spreekt, en ook Tausug en Engels. Ze zei: “Weet je, ik spreek vier talen en nog kan ik mijn (Samalese) schoonmoeder of mijn (Fukien-)grootmoeder niet verstaan." (vertaald uit Howard 1988 p. 96)

De emancipatie kan worden gehinderd ook waar er niet van een minderheidstaal sprake is. De problemen liggen dan besloten in het corpus van de taal zelf.

  • Dit is bijvoorbeeld het geval bij analfabetisme, of wanneer het schrift van de dominante taal zodanig afwijkt dat het slechts door uitgebreide studie toegankelijk wordt.
  • Hindernissen kunnen ook in woord- en zinsgebruik schuilen, bijvoorbeeld doordat zij een bepaald geslacht postuleren en daardoor het andere geslacht (veelal het vrouwelijke) “onzichtbaar maken”.
  • Bepaalde vormen van taalgebruik kunnen als kwetsend worden ervaren, en dit effect kan opzettelijk zijn of onbedoeld. Dit doet zich bijvoorbeeld voor bij bepaalde groepsaanduidingen (“neger”, “voddenjood”, “mietje”), maar kan ook in de spelling een rol spelen (met name bij het gebruik van hoofdletters, of bij bepaalde symbolen die met een religie worden geassocieerd).

Status en identiteit[bewerken]

Mensen die de dominante taal spreken hebben de neiging om niet alleen de niet dominante inheemse taal en dus ook degenen die deze spreken, sociaal en cultureel lager te waarderen. Dat kan tot gevolg hebben dat die laatsten hun taal alleen nog onderling willen gebruiken.

Tegelijk kan een taal nauwgezet worden geconserveerd en kunnen pogingen worden ondernomen haar in een staat te behouden of terug te brengen die als de “zuivere” wordt beschouwd. Dit purificeren werd in de nationale herleving van de 19de eeuw op uitgebreide schaal nagestreefd, beperkt in het Duits maar ingrijpend in het Tsjechisch, Hongaars, Kroatisch, Sloveens en in het Fins en de drie Baltische talen. Ook het IJslands in een voorbeeld van dit streven naar taalpurisme.

Culturele motieven[bewerken]

Taalpolitiek kan ook worden bedreven uit culturele overwegingen. Dit hoeft niet allen voort te komen uit cultuurimperialisme of volksnationalisme, maar kan ook defensief, conserverend of zelfs enkel taal- en cultuurminnend bedoeld zijn. Economische motieven kunnen er daartegenover toe leiden juist een vreemde taal als tweede taal te introduceren.

  • Expansionistische tendenzen kunnen door taalovereenkomst worden gerationaliseerd.
  • Talen kunnen echter ook in de verdrukking raken, wanneer ze door steeds minder moedertaalsprekers worden gebruikt.
  • De behoefte om de nationale of regionale taal en cultuur een grotere verspreiding of bekendheid te geven buiten het land of de regio. Met name Frankrijk wil op deze wijze de "francofone wereld" als een cultureel samenhangend geheel in stand houden door het Franse onderwijs in haar voormalige kolonies te stimuleren en te subsidiëren.
  • De behoefte om een vreemde (internationale) als tweede taal verspreiding te geven naast de nationale taal. Vroeger betrof dat in het Nederlandse en Vlaamse onderwijs Frans, Engels en Duits. Nu neemt voornamelijk Engels die plaats in toenemende mate in, op de hogere niveaus van het universitair onderwijs zelfs ten koste van de nationale taal Nederlands.

Planinstrumenten en aandachtspunten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Taalplanning voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Planinstrumenten[bewerken]

De instrumenten die beleidsmakers ten dienste staan, vallen goeddeels uiteen in drie groepen:

  • statusplanning, waarbij bijvoorbeeld een nationale taal wordt voorgeschreven, of waarbij de rechten van minderheden worden gewaarborgd
  • corpusplanning, waarbij de aandacht wordt gericht op de taal of de taalbeheersing zelf: alfabetisering, spelling- of schriftwijziging, het erkennen dan wel vermijden van leenwoorden, het aanpassen van grammaticale eigenschappen wanneer deze niet meer in gesproken taal worden gebruikt
  • onderwijsplanning (zie hieronder).

Aandachtspunten[bewerken]

Een aantal punten waaraan in de taalpolitiek grote aandacht wordt besteed, zijn:

  • Schrifthervorming, waarmee dan vooral het invoeren van een toegankelijk schrift wordt bedoeld. Het Roemeens wisselde het cyrillische schrift en het Turks het Arabische schrift in voor het Latijnse. Het gotische schrift is sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer gebruikelijk in het Duits.
  • Standaardisering, waarbij een bepaalde taal tot standaardtaal wordt verheven, vaak met aanpassingen; zo is het Indonesisch een (deels bewust) aangepaste vorm van het Maleis.
  • Modernisering, omdat de taal niet over alle begrippen beschikt die in de moderne maatschappij gangbaar zijn. Leenwoorden worden overgenomen (“intercity”), en leenvertalingen (“NAVO”), maar ook leenbetekenissen (in het middeleeuwse West-Europa werden bestaande termen samengevoegd of in een nieuwe betekenis gebruikt, om christelijke begrippen te introduceren).
  • Meertaligheid, waarbij sommige landen niet een nationale taal kiezen, maar aan twee of meer de status van gelijkwaardigheid toekennen. Soms heeft zo'n taal alleen regionale officiële status (zoals het Duits in delen van België). Ook de nagestreefde gelijkberechtiging volgens het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden past hieronder.
  • De domeinen die het taalbeleid bestrijkt, zijn met name de overheid, het onderwijs, communicatie en de media.
  • De actoren waarvan het taalbeleid zich bedient, zijn vooral taalwetenschappers, docenten, en uiteraard wetgever.
Daarbij staan instrumenten ten dienste als de Nederlandse Taalunie (waarin België, Nederland en Suriname samenwerken) en de Académie française. Beide organisaties zijn ingesteld om een bepaalde taalstandaard te waarborgen.
Cultuurpolitiek wordt bedreven door nationale organisaties in het buitenland: de British Council, de Alliance française en het Goethe-Institut, het Instituto Cervantes; of door vestigingen die vaak aan ambassades zijn verbonden: het Franse Maison Descartes, het Nederlandse Erasmushuis in Jakarta. De steun voor deze laatste twee instituten neemt overigens af.
Ook radio- en televisiezenders kunnen met subsidies worden ondersteund, hetzij omdat zij de taal en cultuur helpen verspreiden, hetzij omdat zij emigranten in staat stellen het contact met de eigen taal en cultuur te blijven onderhouden. Te denken valt onder meer aan wereldomroepen, bijvoorbeeld Radio Moskou, Deutsche Welle, Radio Vlaanderen Internationaal en Radio Nederland Wereldomroep. Voor die laatste geldt ook dat de steun verminderd wordt.

Onderwijsbeleid[bewerken]

Onderwijsplanning speelt zich af op een groot aantal niveaus.

  • Organisaties omvatten beleidsorganisaties zoals een Ministerie van Onderwijs, vakverenigingen zoals een bond van leraren, en culturele organisaties zoals de bovengenoemde.
  • De taalkeuze behelst vragen als:
“Welke aspecten van de taal verdienen (de meeste) aandacht?”
“In hoeverre moeten culturele, economische en andere overwegingen een rol spelen bij de taalverwerving?”
“Welke andere talen moeten worden onderwezen?”
“In hoeverre mag het onderwijs ook in een andere taal, die niet een van de voertalen is in het land zelf, worden aangeboden?”
“Moet er voor migranten onderwijs in eigen taal en cultuur zijn?”
  • Beleidsplanning richt zich op:
toegankelijkheid:
“Voor welke doelgroep(en) moet het onderwijs toegankelijk zijn?”
personeelsbeleid:
“Hoeveel docenten leiden we op?”
“Hoe leiden we hen op?” etc.
leergangbeleid:
“Hoe worden leergang, cursussen en lesopzet georganiseerd?”
“Op welke leeftijd begint het taalonderwijs?”
methode en leerstof
financiering
evaluatie.
  • Cultivering
herverwerving; het nieuw leven inblazen aan een dode taal; herstel van een taal in volledige functie zoals het Hebreeuws - in de moderne versie het Ivriet - in Israël
taalbehoud waar een taal dreigt te verdwijnen (bijvoorbeeld het Iers en het Welsh)
tweede-/vreemdetaalverwerving
taalverandering (het overgaan tot het gebruik van een andere taal).

Bronnen[bewerken]

Bronnen betreffende taalpolitiek in het Nederlandse taalgebied:

  • A. de Jonghe, De taalpolitiek van Willem I in de zuidelijke Nederlanden, Brussel 1943 als een historische beschrijving en beschouwing van de invoering van het Standaard-Nederlands in Vlaanderen tijdens de periode (ca. 1815-1830) waarin België deel uitmaakte van het koninkrijk Nederland.
  • T.J. Suffeleers, Taalverzorging in Vlaanderen, een opiniegeschiedenis, Brugge 1979 als een zeer gedetailleerd beschrijving van het vervolg op de mislukte taalpolitiek van koning Willem: een langzame en moeizame vestiging van het standaard Nederlands tegen vele weerstanden en obstructies in, zowel van de zijde van de Franstalige elite als die van Vlaamse particularisten die streefden naar een eigen standaardtaal.

Taalpolitiek en taalbeleid waren belangrijke thema’s in de inter-discipline van de taalsociologie/sociolinguïstiek tussen ca. 1975 en 1985. Een weerslag daarvan, vanuit vele invalshoeken en op een maatschappijkritische toon, vindt men in een bundel opstellen van 24 auteurs onder redactie van

  • P. van de Craen en R. Willemyns, Sociolinguistiek en Ideologie, Brussel 1982 (Tijdschrift Vrije Universiteit, nr. 7).
  • P. H. van der Plank, Taalsociologie, Muiderberg 1985 geeft een overzicht van de taalpolitiek, geïllustreerd aan met name Friese voorbeelden.
Bronnen, noten en/of referenties
  • Baldauf Jr., R.B., en D.E. Ingram, “Language Planning: Education and Policy Issues”, in: William J. Frawley (ed.), International Encyclopedia of Linguistics vol.2:412-16, Oxford 20032.
  • Clyne, Michael, “Language Planning: Overview”, in: William J. Frawley (ed.), International Encyclopedia of Linguistics vol.2:409-12, Oxford 20032.
  • Hefner, Robert W., Hindu Javanese. Tengger Tradition and Islam, Princeton 1985.
  • Inglehart, R., en M. Woorward, 1967, “Language Conflicts and the Political Community”, rpt. in: Giglioli, Pier Paolo (ed), Language and Social Context, Harmondsworth 1972:358-77.
  • Randall, Robert, “Communication Problems in the Southern Philippines”, in: Michael C. Howard, Contemporary Cultural Anthropology, z.p. [New York] 1988:96-99.