Arabisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Arabisch (اللغة العربية, al-luġatu ʾl-ʿarabīya)
Gesproken in Egypte, Algerije, Bahrein, Comoren, Djibouti, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Qatar, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Mauritanië, Oman, Saoedi-Arabië, Soedan, Somalië, Syrië, Tsjaad, Tunesië, Verenigde Arabische Emiraten en andere landen
Sprekers 280 miljoen
Rang 6
Taalfamilie

Afro-Aziatisch

Alfabet Arabisch
Officiële status
Officieel in

Egypte, Algerije, Bahrein, Djibouti, Irak, Israël, Jemen, Jordanië, Qatar, Koeweit, Libanon, Libië, Marokko, Mauritanië, Oman, Palestijnse Autoriteit, Saoedi-Arabië, Soedan, Somalië, Syrië, Tsjaad, Tunesië, Verenigde Arabische Emiraten, Westelijke Sahara
Afrikaanse Unie
Vlag van de VN Verenigde Naties

Taalcodes
ISO 639-1 ar
ISO 639-2 ara
ISO 639-3 ara
Portaal  Portaalicoon   Taal
Spreiding van het Arabisch, incl. variëteiten en dialecten
Bladzijde van de Koran in het Arabisch
Soera De Opening (Al-Fatiha: الفاتحة) in een oude Koran

Arabisch (in het Arabisch: العربية, al ʿarabiyya of soms kortweg عربي, arabi) is een Semitische taal die door ongeveer 280 miljoen mensen in verschillende landen wordt gesproken. Het is de taal van de Koran, het Heilige Boek van de islam en het wordt daarom gezien als de moedertaal van de islamitische wereld.

Het Arabische alfabet omvat 28 letters en wordt van rechts naar links geschreven met uitzondering van de cijfers, die van links naar rechts worden geschreven. In de wereldgeschiedenis zijn er veel mathematische, filosofische en astrologische werken in het Arabisch geschreven.

De kwantitatieve, politieke, culturele en religieuze betekenis van de taal werd in 1973 officieel erkend door de Verenigde Naties. Het Arabisch werd toen de zesde taal van de VN naast het Mandarijn, Engels, Russisch, Frans en Spaans.

Verspreiding[bewerken]

Het Arabisch is de officiële taal in Noord-Afrika (Marokko, Mauritanië, Algerije, Tunesië, Libië, Egypte en Soedan), in het Midden-Oosten (Jordanië, Libanon, Palestijnse Gebieden en Syrië), in de Golf (Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië, Qatar, Oman, Jemen, Bahrein en de Verenigde Arabische Emiraten) en in Somalië, Djibouti en de Comoren. Al deze landen zijn tevens lid van de Arabische Liga. Verder is het Arabisch ook de officiële taal in Tsjaad (geen lid van de Arabische Liga), en in Israël (naast het Hebreeuws). Daarnaast is het Arabisch in zeer veel landen een minderheidstaal.

Variëteiten en dialecten[bewerken]

Het Arabisch zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt in de media en in al het geschreven materiaal (zoals documenten en boeken, inclusief schoolboeken en leesboeken voor jonge kinderen) wordt in het westen wel Modern Standaardarabisch genoemd. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt met het klassiek Arabisch (Foeṣḥā) waarin de Koran is geschreven. In de Arabische wereld wordt dit onderscheid echter niet gemaakt.

In de dagelijkse conversatie worden in de Arabische landen en regio's in het Midden-Oosten en Noord-Afrika verschillende Arabische variëteiten en dialecten gesproken. Deze verschillen onderling waardoor Arabisch sprekende inwoners uit verschillende regio's elkaar soms niet kunnen verstaan. Zo zou een Syriër van het Marokkaanse dialect slechts 10% kunnen verstaan. Er wordt echter niet in de variëteiten en dialecten geschreven. Het Egyptisch-Arabisch neemt een bijzondere positie in onder de variëteiten en dialecten, doordat de Egyptische filmindustrie het over de hele Arabische wereld heeft verspreid. In het Handbuch der arabischen Dialekte van W. Fischer en O. Jastrow, 1980, worden de volgende dialectgroepen onderscheiden:

Een buitenlander die Modern Standaardarabisch spreekt, wordt waarschijnlijk raar aangekeken omdat deze taalvariant tamelijk formeel overkomt, maar hij kan zich wel verstaanbaar maken tegenover een opgeleid Arabisch sprekende. Wat deze mensen terugzeggen is misschien moeilijk te verstaan, tenzij zij hun best doen om formeel te spreken.

Geschiedenis[bewerken]

De oorsprong van de taal ligt op het Arabische Schiereiland, nog voor de islam daar zijn intrede deed. Het oorspronkelijke Arabisch kende slechts 17 letters voor meer dan 17 klanken en geen mogelijkheid tot weergave van korte klinkers. Mede daardoor was het lezen van geschreven tekst moeilijk en gaf het aanleiding tot verschillende interpretaties. Om dit probleem te beperken heeft men het alfabet uitgebreid tot 28 letters. Dit is nog goed te zien in een aantal letterparen waar de toegevoegde letter bijvoorbeeld een extra puntje heeft, bijvoorbeeld het paar ر (ra) en ز (zain). Eveneens had men in het oud-Arabisch de diakritische tekens niet, die men bijvoorbeeld in de Koran gebruikt om de korte klinkers aan te geven teneinde de betekenis ondubbelzinnig te maken. Wat de Koran betreft, is er dus op sommige plaatsen sprake van een interpretatie van de oorspronkelijke tekst met 17 symbolen naar de huidige tekst met het volledige alfabet en de diakritische tekens.

De taal verspreidde zich vanaf de 7e eeuw snel over het Midden-Oosten. Het traditionele geschreven Arabisch is maar weinig veranderd sinds de codificatie ervan begon tegen het einde van de 8e eeuw in Koefa en Basra. Belangrijke figuren bij die codificatie waren al-Khalil en zijn leerling Sibawaihi. Deze twee werkten een puristisch en prescriptief systeem uit, dat bepaalde wat correct en wat fout taalgebruik was. Bij die codificatie steunde men op drie bronnen: de taal van de pre-islamitische poëzie, de taal van de Koran en het taalgebruik van de Bedoeïenen.

Arabisch leren[bewerken]

Lezen en schrijven in het Arabisch is voor iemand met een niet-Arabische achtergrond aanvankelijk mogelijk lastig, vanwege het sterk afwijkende schrift. Ook de Arabische grammatica wijkt op veel punten af van die van de meeste westerse talen. Niet alleen is de grammatica op sommige vlakken uitgebreider, ook kent het Arabisch allerlei constructies en volgordes die kenmerkend zijn voor een Semitische taal.

Zodra men het alfabet enigszins beheerst, is met name het schrijven, maar ook het lezen redelijk snel aan te leren. Wel is het zo dat het Arabische alfabet veel fonetischer wordt gebruikt voor de Arabische taal dan het Latijnse alfabet voor de meeste Europese talen. Zo bestaan er geen twee grafemen voor dezelfde klank, zoals in het Nederlands bij climax en kalender, of twee klanken voor hetzelfde grafeem, zoals bij machine en chemie.

Het blijft echter een moeilijkheid, in sommige gevallen ook voor Arabieren zelf, dat men in de meeste teksten de korte klinkers niet weergeeft. Dit maakt de teksten soms moeilijker leesbaar en in bepaalde gevallen vatbaar voor interpretatie. Voorbeeld: zonder verdere contextinformatie zou مدرسة zowel "madrasa" ("school") kunnen betekenen als "mudarrissa" ("lerares") en من zowel "man" ("wie") als "min" ("uit").

Een aantal Arabische klanken is voor het niet-geoefende Nederlandse of Vlaamse oor in het begin moeilijk te onderscheiden. Voorbeeld: de "gewone" ت (ta) versus de "emfatische" ط (tah).

Het aanleren van een goede uitspraak is niet triviaal, voornamelijk doordat het Arabisch klanken kent die niet in het Nederlands voorkomen, zoals de stemhebbende faryngale fricatief ع (ain).

Het is raadzaam eerst Modern Standaardarabisch (MSA) te leren. Het is relatief eenvoudig om zich na het verkrijgen van een degelijke beheersing van MSA een lokaal dialect van een bepaald land of gebied eigen te maken.

Kenmerken en verschillen[bewerken]

Het Arabische alfabet en schrift kennen ten opzichte van hun Latijnse pendanten een aantal verschillen en specifieke kenmerken. We vermelden een aantal belangrijke hieronder.

Schrijfrichting[bewerken]

Het Arabisch wordt van rechts naar links geschreven. Voorbeeld: كتاب - kitāb "boek": letters kaf (ك)- ta (ت) - alif (ا) - ba (ب).

Klinkers[bewerken]

Het Arabisch heeft slechts drie klinkers, 'a', 'oe' en 'i', die als korte of lange klinker kunnen voorkomen en (eventueel) door middel van diakritische tekens boven of onder een letter worden weergegeven.

Deze diakritische tekens zijn:

Teken Klank Naam Fonetisch
ـُ u/o ضَمَّةٌ ḍammā
ـِ korte i كَسْرَةٌ kasrā
ـَ korte a فَتْحَةٌ fatḥā

Deze tekens worden, net als in het Hebreeuws, veelal weggelaten. Alleen in woordenboeken, schoolboeken, de Koran en in wetsteksten worden zij uit praktische en principiële overwegingen wel gebruikt.

De letters ‘ ا ’ (alif), ‘ و ’ (wāw) en ‘ ي ’ (yā') kunnen als medeklinker en als drager van een lange klinker (respectievelijk de ‘a’, ‘oe’ en ‘i’) voorkomen en worden om die reden ook wel ‘de zwakke medeklinkers’ genoemd.

Verbindende en niet-verbindende letters[bewerken]

Het Arabisch kent verbindende en niet-verbindende letters. Een verbindende letter schrijft men in een woord vast aan de letter die er op volgt. Een niet-verbindende letter staat los van de volgende letter. De niet-verbindende letters zijn ‘ ا ’ (Alif), ‘ د ’ (Dāl), ‘ ذ ’ (ðāl), ‘ ر ’ (Rā'), ‘ ز ’ (Zāyn) en ‘ و ’ (Wāw). Voorbeeld: het woord كتاب - kitāb "boek": de kaf ك en ta ت verbinden met de volgende letter, de alif ا niet;

Hoofdletters[bewerken]

Het Arabische schrift kent geen hoofdletters, in tegenstelling tot het Latijnse schrift. Ook sommige andere schriften kennen geen hoofdletters, zoals het Hebreeuws, Perzisch, Urdu, Hindi en Bengaals. (Aanvankelijk werden ook Grieks en Latijn met één soort letters geschreven. In de Middeleeuwen werden deze de hoofdletters toen de kleine letters werden ingevoerd.)

Verschillende vormen van een letter[bewerken]

De geschreven vorm van een letter in een Arabisch woord is afhankelijk van de positie binnen het woord. Er zijn tot vier verschillende vormen van een letter. De onderstaande voorbeelden zijn met de letter ع ’ (‘Āyn)

Vormen:

  • Geïsoleerde of zelfstandige vorm: de letter staat aan het eind en volgt op een niet-verbindende letter of wordt onafhankelijk van een woord gebruikt (‘’).
  • Beginvorm: de letter staat aan het begin van een woord of volgt op een niet-verbindende letter (‘ ’);
  • Middenvorm: de letter staat tussen twee verbindende letters (‘ ’);
  • Eindvorm: de letter staat aan het eind van het woord, volgend op een verbindende letter (‘ ’).

Voorbeeld: يعرف معلم في شارع في عاصمة هولندا المصنع - y'arif mu'allim fi shari' fi 'asima hulanda almasna'. - "een leraar in een straat in de hoofdstad van Nederland kent de fabriek". De 'ain vindt men als volgt: geïsoleerde vorm als laatste letter van شارع, beginvorm als eerste letter van عاصمة, middenvorm als 2e letter van معلم, eindvorm als laatste letter van المصنع.

Niet-verbindende letters hebben door hun aard geen begin- of middenvorm.

Specifiek Arabische letters[bewerken]

Het Arabisch kent een aantal letters zonder equivalent in het Latijnse alfabet en schrift. Bovendien zijn deze letters (Huruf) moeilijk uit te spreken voor sprekers van talen uit geheel andere taalfamilies, zodanig dat het leren uitspreken ervan voor hen extra oefening vergt. Deze letters zijn:‘ ث ’ (Thā' als in het Engelse woord three), ح (Hā'/ḥā'), ذ (ðāl), ظ (ẓā'), ع (‘Ayn), غ (Ghayn, als in het Franse woord Paris) en ق (Qāf, een diep in de keel uitgesproken k);

"Ontbrekende" letters[bewerken]

Het Arabische alfabet heeft geen pendant van de letters ‘p’ en ‘v’. Meestal vervangt men ze door respectievelijk de letters ‘ ب ’ (Bā') en ‘ ف ’ (Fā'). Voorbeeld: بيبسي "Bebsi" voor "Pepsi". Soms gebruikt men echter ook de buiten het normale alfabet vallende ‘ ’ (Vā') en ‘ ’ (Pā'), om merk-/bedrijvennamen en buitenlandse woorden correct weer te geven. Voorbeeld de naam van de Belgische stad "Leuven" schrijft men standaard als لوفن, maar eventueel ook als لوﭪن;

Enkele Indo-Europese talen bedienen zich van een derivaat van het Arabische alfabet, zoals het Perzisch en het Urdu. Deze talen kennen deze laatste letters wel in hun alfabet.

Ligatuur lam-alif[bewerken]

In het Arabische schrift is er een sierlijke uitzondering op de regel van het verbinden van letters en dat is in het geval ‘ ا ’ (Alif) op een ‘ ل ’ (Lām) volgt. Deze twee letters worden op een speciale manier verbonden, hetgeen ook wel een ligatuur wordt genoemd. De resultaten hiervan zijn dan ‘ ’ (Lā, geïsoleerd) en ‘ ’ (Lā, eind).

Arabische werkwoorden[bewerken]

Basistheorie[bewerken]

Ondanks het feit dat het Arabisch wel persoonlijke voornaamwoorden heeft, worden die meestal niet gebruikt, aangezien men de persoon doorgaans kan afleiden uit de vorm van het werkwoord. Dit is een vrij gewoon verschijnsel, dat zich o.a. ook voordoet in de meeste Romaanse en Slavische talen. Bij het vervoegen van het werkwoord worden zowel prefixen als suffixen aan de werkwoordstam toegevoegd (behalve in de verleden tijd, die krijgt alleen suffixen). Er wordt bovendien in de 2e en 3e persoon (zowel enkelvoud als meervoud) een onderscheid gemaakt tussen man(nen) en vrouw(en). Als het om een gemengde groep gaat, wordt die in de taal als mannelijk bestempeld. In het meervoud wordt vormelijk onderscheid gemaakt tussen een dualis (twee personen) en een gewoon meervoud (minstens drie personen). Dit onderscheid wordt net als het geslachtsonderscheid niet in de 1e persoon gemaakt.

De zinsvolgorde in een Arabische, verbale zin is normaal (van rechts naar links): werkwoord-onderwerp-objecten.
Voorbeeld: صَفَّرَ فُؤادُ بالصَّفَّارَةِ. (Ṣaffara Foe'ādu biṣṣaffarā) = Foe'ad blies op de fluit.

In deze zin is صَفَّرَ de persoonsvorm, فُؤادُ het onderwerp en بالصَّفَّارَةِ het objectgedeelte van de zin.

Nominale zinnen hebben doorgaans een andere volgorde: onderwerp(-koppelwerkwoord)-naamwoordelijk deel. Het is gebruikelijk dat het koppelwerkwoord zijn (كَانَ, kāna) weggelaten wordt in de zin.

Werkwoorden kunnen behalve de meest gangbare indicatiefvormen ook in andere wijzen voorkomen naargelang de opbouw van de zin. Deze wijzen (modi) zijn de indicatief, imperatief, subjunctief, de apocopaat en de energeticus. Deze wijzen komen alleen voor in de tegenwoordige tijd, zoals ook in het Oud-Grieks en Latijn het geval is.

De meeste werkwoorden hebben een wortel bestaande uit drie radicalen. Er bestaat daarnaast ook een kleinere categorie van werkwoorden met een wortel bestaande uit vier radicalen.

Westerse arabisten hebben een categorisering van Arabische werkwoorden ingevoerd in verschillende vormen, soms ook stammen genoemd, aangeduid met een Romeins cijfer. De basisvorm is vorm I, alle andere vormen zijn zogenaamde afgeleide vormen, die men door modificatie van de vorm van vorm I kan verkrijgen. Bij werkwoorden met een wortel van drie radicalen zijn er vijftien mogelijke vormen. Vorm I tot en met X zijn courant, vormen XI tot en met XV zijn zeldzaam. Bij werkwoorden met een wortel van vier radicalen zijn er vier mogelijke vormen. Zie evt. apart artikel werkwoordsvormen in het Arabisch.

In het Arabisch zijn er sterke en zwakke werkwoorden. De betekenis van zwak werkwoord in het Arabisch is min of meer tegengesteld aan die bij het Nederlands, daar het in het Arabisch de werkwoorden betreft die in hun vervoeging afwijken van de standaardregels. Binnen de Arabische zwakke werkwoorden zijn er verschillende categorieën, afhankelijk van het aantal en de plaats van voorkomen van zwakke radicalen. Er zijn geassimileerde werkwoorden, holle werkwoorden, gebrekkige werkwoorden en werkwoorden met een dubbele zwakke radicaal. Zie evt. apart artikel zwakke werkwoorden in het Arabisch.

Verfijningen[bewerken]

In meer detail is de volgorde van een Arabische verbale zin normaal: werkwoord-onderwerp-lijdend voorwerp-meewerkend voorwerp-bepalingen van plaats. Voorbeeld: يأكل المعلم خبز مع زوجته في المطعم (ya'kul almuʿallim chubz maʿa zouzjatihi fil matʿam): de leraar (المعلم) eet brood (يأكل خبز) in het restaurant (في المطعم) met zijn vrouw (مع زوجته).

Men mag een zin echter wel degelijk ook met het onderwerp beginnen. Voorbeeld المعلم يأكل خبز مع زوجته في المطعم (almuʿallim ya'kul chubz maʿa zouzjatihi fil matʿam). Deze volgorde dient in beginsel om het onderwerp te benadrukken: in het voorbeeld is het de leraar die eet en niet bijvoorbeeld de ingenieur. Hoewel dit de theorie is, gebruikt men in de Arabische spreektaal beide volgorden ook zonder speciale benadrukking van het onderwerp.

De zinsvolgorde heeft ook een consequentie voor de vervoegingen van het werkwoord bij meervouden. Indien het werkwoord voor het onderwerp staat, gebruikt men de vervoeging van het enkelvoud. Het geslacht blijft wel behouden en de regel is alleen van toepassing op de derde persoon. Indien de volgorde echter onderwerp-werkwoord is, moet men wèl de vervoeging van het meervoud gebruiken.

Voorbeeld 1: de mannen eten brood:

  • Regulier: يأكل الرجال خبز (ya'kul arrizjaal chubz). Ya'kul is de vervoeging van de 3e persoon enkelvoud, mannelijk, ondanks het onderwerp in meervoud.
  • Onderwerp eerst: الرجال يأكلون خبز (arrizjaal ya'kulun chubz). Ya'kulun is de vervoeging van de 3e persoon meervoud, mannelijk.

Voorbeeld 2: de meisjes/dochters eten brood:

  • Regulier: تأكل البنات خبز (ta'kul albanaat chubz). Ta'kul is de vervoeging van de 3e persoon enkelvoud, vrouwelijk, ondanks het onderwerp in meervoud.
  • Onderwerp eerst: البنات يأكلن خبز (albanaat ya'kulna chubz). Ya'kulna is de vervoeging van de 3e persoon meervoud, vrouwelijk.

Een kleine moeilijkheid voor Nederlandstaligen met de woordvolgorde van de reguliere zin is dat deze bij letterlijke overzetting naar het Nederlands een vraagvorm heeft: "eet de leraar...". In het Arabisch is dit echter nooit een vraagzin, zelfs niet met verandering van intonatie. Een vraagzin in het Arabisch vereist altijd expliciet een vraagwoord. Indien men uitgaande van een reguliere zin een ja/nee vraagzin wil construeren, moet men het niet letterlijk te vertalen vraagwoord هل (hal) voor de zin voegen. Voorbeeld: هل يأكل المعلم خبز مع زوجته في المطعم؟ (hal ya'kul almuʿallim chubz maʿa zouzjatihi fil matʿam?): eet de leraar brood in het restaurant met zijn vrouw? Ook in andere talen moet men een vraagwoord toevoegen, zo begint men in het Hindi een ja/nee vraag met het woord क्या (kya).

Arabische substantieven[bewerken]

Introductie[bewerken]

Onder Arabische taalkundigen wordt iets anders verstaan onder substantieven (in het Arabisch اِسْمٌ (ismun, een substantief)) dan wat wij in het Nederlands daaronder verstaan. Zij verstaan daaronder bijvoorbeeld ook de (persoonlijke) voornaamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en de bijwoorden. In de praktijk komt het erop neer dat ook deze woordenklassen verbogen worden naargelang de constructie van de zin.

Geslacht[bewerken]

Net als in bijvoorbeeld de Romaanse talen kan in het Arabisch een (substantief mannelijk of vrouwelijk zijn, en is er geen onzijdige klasse. Het mannelijke geslacht is het 'basisgeslacht', het vrouwelijke geslacht is slechts een 'tak' ervan, of zoals Arabische taalkundigen dit verwoordden: "Het geslacht van zelfstandige naamwoorden is mannelijkheid en vrouwelijkheid is een tak." Deze aanname is begrijpelijk, daar in het Arabisch in veruit de meeste gevallen vrouwelijke woorden aangegeven worden met suffixen. Meestal is dit تَاْءُ الْمَرْبُوْطَةُ) ـَـة, tā marbūṭā), zoals in اِمْرَأَة (imrā-ā, vrouw) of مُعَلِّمَة (mu'allimā, lerares). Dit suffix wordt de "gebonden tā" genoemd, want deze letter wordt niet uitgesproken aan het einde van de zin, maar er bestaan ook enkele woorden die een normale tā (ت) als vrouwelijk suffix gebruiken, zoals te zien is in woorden als بِنْت (bint, dochter) en أُخْت (ucht, zuster). Andere achtervoegsels voor vrouwelijke substantieven zijn ـَاْء en ـَىْ/ ـَاْ.

Naamvallen[bewerken]

Het Arabisch kent drie naamvallen: de nominatief (الرَّفْعُ, ar-raf') , de genitief (الْجَرُّ, al-jarr) en de accusatief (النَّصْبُ, an-naṣb). Strikt gezien bestaan er zelfs zes naamvallen, omdat substantieven zich ook anders gedragen in het geval er geen sprake is van onderwerpvorm, bezitsvorm of lijdend voorwerpvorm. In dat geval komen de datief, de vocatief en de ablatief ook om de hoek kijken.

Getal[bewerken]

Het substantief kan in het enkelvoud, de dualis of het meervoud staan. De dualis wordt gevormd door het toevoegen van een suffix (-ani in de nominatief; -ayni in de accusatief en genitief). Tevens kunnen substantieven bepaalde en onbepaalde vormen hebben. Dit onderscheid wordt gemaakt door verwijdering van een lidwoord en het toevoegen van een achtervoegsel. Meervouden zijn niet zo eenvoudig te vormen in het Arabisch als in het Nederlands, waarin doorgaans -en of -s achter de stam wordt geplakt. Arabische meervouden kunnen 'gezond' zijn, wat wil zeggen dat er een suffix -uun (mannelijk) of -aat (vrouwelijk) wordt toegevoegd. Veel van de Arabische meervouden zijn zogenoemde 'gebroken meervouden', wat betekent dat woorden worden opgebroken en klinkers op andere plaatsen worden gezet. Het Arabisch kent een grotere verzameling van zulke meervouden en vaak kan de spreker of schrijver ook nog kiezen uit meer dan één vorm. Voorbeeld van een dergelijk meervoud is arenden (enkelvoud: عُقَاب ('uqāb)):

عِقْبَان (‘iqbān), عُقْبَان (‘uqbān), أَعْـقُب (a‘qub).

Persoonlijke voornaamwoorden[bewerken]

Zoals reeds hierboven is vermeld, vallen ook de persoonlijke voornaamwoorden onder de afdeling van substantieven. Deze zijn:

Persoonlijk voornaamwoord Fonetisch Vertaling
أَنَـا Anā Ik
أَنْـتَ Anta Jij (mannelijk)
أَنْـتِ Anti Jij (vrouwelijk)
هُـوَ Huwa Hij
هِـيَ Hiya Zij
نَـحْـنُ Naḥnu Wij
أَنْـتُـمْ Antum Jullie (mannelijk)
أَنْـتُـنَّ Antunna Jullie (vrouwelijk)
أَنْـتُـمَـا Antumā Jullie (dualis)
هُـمْ Hum Zij (mannelijk)
هُـنَّ Hunna Zij (vrouwelijk)
هُـمَـا Humā Zij (dualis)

Masdar[bewerken]

Een masdar is een verbaal substantief dat afgeleid is van een werkwoord. Voorbeeld الدراسة (ad-dirāsa: de studie) van het werkwoord درس (darasa: studeren). Voor de afleiding is er voor vorm I geen vaste regel, voor de hogere vormen is die er wel, verschillend per vorm.

Invloeden[bewerken]

De talen van Noord-India, Oost-Afrika, Turkije en Iran kennen veel leenwoorden uit het Arabisch. In vele gevallen zijn er echter modificaties aan de vorm en/of aan de betekenis. Enkele voorbeelden van Arabische leenwoorden in het Hindi:

  • Het Arabische woord كتاب (kitab, boek) komt in het Hindi voor met dezelfde uitspraak en ongewijzigde betekenis, geschreven als किताब.
  • Het Arabische شكراً (shukran, dank u) wordt in het Hindi शुक्रिया: shukria.
  • Het Arabische woord ملك (malik, koning) of مالك (maalik, heerser) wordt मालिक: maalik, met de meer bescheiden betekenis "baas" of "werkgever".

Als gevolg van historische contacten heeft ook de woordenschat van het Spaans eeuwenlang een sterke Arabische invloed ondergaan.

Enkele leenwoorden uit het Arabisch zijn zeer algemeen geworden. Het op internationaal niveau sterkst doorgedrongen Arabische woord is waarschijnlijk qahwa ("koffie").

Nederlandse woorden die met al beginnen hebben in veel gevallen een Arabische oorsprong, bijvoorbeeld algebra, alcohol, alkaan, alkoof en almanak. Hetzelfde geldt voor veel Spaanse woorden die beginnen met al. Dit is logisch omdat al het Arabische lidwoord is. Een minder duidelijk voorbeeld is de 'luit', afgeleid van al-ud, een Arabisch tokkelinstrument. De a is hier dus weggevallen.

Wetenschappelijke termen en vooral de namen van veel sterren (bijvoorbeeld Deneb, Aldebaran) zijn uit het Arabisch afkomstig.

Ook de volgende woorden zijn uit het Arabisch overgenomen. Veel namen van voedingsmiddelen en andere producten hebben een Arabische oorsprong.

Daarnaast zijn er ook Arabische woorden die niet zijn vertaald en (recent) hun intrede hebben gedaan, zoals:

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek Arabisch op in het WikiWoordenboek.
Wikipedia-logo-v2.svg Zie de Arabische uitgave van Wikipedia.
Zoek dit woord op in WikiWoordenboek