Stam (taalkunde)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
In de taalkunde is een stam een woordvorm die de basis is voor alle door middel van flexie en afleiding daaruit gevormde woorden. Veelal is de stam het deel van een woord dat overblijft wanneer men de buigingsuitgangen weghaalt, zij het dat nog met spellingsregels rekening gehouden moet worden, zoals hieronder uiteengezet.
Inhoud |
[bewerken] Regel
Van een werkwoord kan men doorgaans de stam vinden door van de infinitief (hele werkwoord) de uitgang -en (soms -n) weg te laten. Bijvoorbeeld:
- zoeken → zoek;
- werken → werk;
- doen → doe.
[bewerken] Uitzonderingen
Deze regel geldt niet algemeen. In verband met de spellingsregels gelden voor regelmatige werkwoorden de volgende twee uitzonderingen: 1. De "verenkelingsregel" van vrije klinkers, die er bijvoorbeeld voor zorgt dat je "lopen" met één o schrijft, terwijl je er twee uitspreekt, zorgt er bij het maken van de stam voor dat de klinker weer verdubbeld wordt:
- lopen → loop.
De enige uitzondering hierop is:
- komen → kom.
2 De "verdubbelingsregel" van gedekte klinkers, die er bijvoorbeeld voor zorgt dat je "pakken" met dubbelle k schrijft, omdat je het, dankzij die verenkelingsregel, anders als pá-ken moet uitspreken, zorgt er bij het maken van de stam voor dat van de dubbele medeklinker er slechts een geschreven wordt:
- pakken → pak.
De klankvorm van de stam is niet altijd gelijk aan de vorm waarin het woord in isolatie optreedt. Zo is de stam van het werkwoord reizen niet /rεis/ (reis), maar /rεiz/ (reiz). Dit blijkt uit de afleiding reiziger en uit de verleden tijd reisde (hoewel hier een 's' wordt geschreven, wordt deze stemhebbend uitgesproken). Ook bij de werkwoorden leven en verhuizen speelt iets soortgelijks. De stammen eindigen respectievelijk op een v en een z, maar dat is niet terug te zien in de vervoegingen. Omdat de letters v en z op het eind moeilijk zijn om uit te spreken, zijn ze bij de ik-, de jij- en de hij-vorm door een f en een s vervangen. Dus:
- reizen → reiz:
- verhuizen → verhuiz;
- leven → leev;
- geloven → geloov.
De stam, in isolatie, bij zulke werkwoorden is van belang om te bepalen of het voltooid deelwoord op een 'd' zal eindigen. Bijv. beven-gebeefd, zeven-gezeefd, laven-gelaafd. Hetzelfde geldt voor de verleden tijd, bijv. beven-beefde, zeven-zeefde, laven-laafde. Zie ook 't Kofschip.
[bewerken] Meerdere stammen
In sommige gevallen heeft een woord meer dan één stam. Dit verschijnsel noemt men stamallomorfie. Een voorbeeld daarvan in het Nederlands zijn stamvormen die verschillen in de lengte van de klinker. Het woord schip kent de stamvormen schip (bijvoorbeeld in schipbreuk) en scheep (bijvoorbeeld in schepen en scheepvaart).
Een extremere vorm hiervan is suppletie, wat wil zeggen dat de vorm van de stam niet wordt aangepast, zoals in het hierboven genoemde voorbeeld, maar dat er in de flexie ("het rijtje") totaal afwijkende (suppletieve, aanvullende) stammen worden gebruikt. Een sprekend voorbeeld hiervan in het Nederlands is het werkwoord zijn, waar men de stammen ben, is, was en zij aantreft.
[bewerken] Latijn
In het Latijn kent men de zogenaamde "stamtijden". Een werkwoord kent aparte stammen voor de tegenwoordige tijd (presens), de verleden tijd (imperfectum en perfectum), de toekomende tijd (Futurum Simplex), het onvoltooid deelwoord (GPA) en het voltooid deelwoord (VPP) Soms doet zich ook hier suppletie voor, bijvoorbeeld:
- frango - fregi - fractum (breken) (stamallomorfie)
- ferro - tuli - latum (dragen) (suppletie)