Fonologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Fonologie is het onderdeel van de taalwetenschap dat de kleinste (betekenisloze) onderdelen van de taal bestudeert. In het geval van gesproken taal zijn dit spraakklanken. Nadat bekend werd dat ook gebarentalen dergelijke kleine betekenisloze onderdelen hebben is de term "fonologie" uitgebreid, zodat deze tegenwoordig eerder de "vormleer" van talen dan "klankleer" omvat.

Etymologie[bewerken]

"Fonologie" is een samenstelling van de Griekse woorden φωνή "klank" en λόγος, "woord".

Verschil met de fonetiek[bewerken]

Fonetiek/Fonologie[bewerken]

De belangrijkste reden waarom taal uitsluitend door mensen kan worden voortgebracht is, dat de fundamentele klanken waaruit spraak bestaat kenmerkend zijn voor het speciaal hiervoor ontworpen menselijke spraakkanaal. Hoe dit precies in zijn werk gaat is het onderwerp van de fonetiek en de fonologie, twee deelgebieden binnen de taalkunde.

De fonetiek bestudeert de klank van taal als continu geluidssignaal op fysisch niveau en probeert daar de klanken die wij in de taal gebruiken in te herkennen en te beschrijven. Je zou je bijvoorbeeld de vraag kunnen stellen hoe je een meetapparaat kunt maken dat een lampje aan laat gaan precies als iemand de oo van roos uit aan het spreken is, ongeacht wie dat doet, op welke toonhoogte het gebeurt, in wat voor soort zin, enzovoorts - dat is typisch een vraag voor de fonetiek. In de fonologie staat het fenomeen centraal dat elke taal gebruik maakt van een vaste, kleine verzameling elementaire klankelementen - de fonemen - die echter niet in alle omstandigheden hetzelfde worden uitgesproken, karakteriseert die elementen in termen van klankkenmerken, en beschrijft de uitspraakregels van een taal als combinatieregels die aangeven welke reeksen opeenvolgende fonemen in de taal mogelijk zijn en hoe ze zullen worden uitgesproken. Een vraag als: hoe werkt het dat we in het Nederlands harde uitspreken met een zachte d-klank en hard met een harde t-klank, terwijl in het Engels ook hard een zachte d-klank heeft, is een vraag voor de fonologie.

Anders dan de zusterdiscipline fonetiek, waarin de spraak zelf tot in de fysische details wordt bestudeerd, beschrijft de fonologie dus met name de klankverschuivingen in specifieke contexten voor zover deze van belang zijn voor een taal. In het Nederlands wordt de [k]-klank in koe doorgaans net iets anders uitgesproken dan de [k]-klank in kies, onder invloed van het feit dat de tong een andere positie inneemt bij het uitspreken van de volgende klinker [u] (oe) dan bij het uitspreken van de volgende klinker [i] (ie). Sprekers van het Nederlands zijn zich van deze verschillen niet bewust en maken ook op geen enkele manier gebruik van dit verschil, dat daarom kan worden gezien als een onderwerp van de fonetiek en niet van de fonologie.

Terwijl het deelgebied van de fonetiek enigszins samenvalt met dat van de natuurkunde of de anatomie, gaat de fonologie over de manier waarop spraakklanken in ons hoofd zitten, nl. als foneem of allofoon. De fonologie is daarmee niet alleen vanzelfsprekend een onderdeel van de taalkunde, maar vertoont ook raakvlakken met de psychologie of de sociologie.

De exacte relatie tussen fonologie en fonetiek is overigens controversieel. Volgens sommigen is de fonologie als discipline feitelijk overbodig, omdat zij niets kan verklaren dat niet ook al door de fonetiek verklaard wordt. Anderen beweren juist dat de fonetiek weinig bijdraagt aan een dieper begrip van de klanken van de menselijke taal, omdat de fonologie zich hier al voldoende op toespitst. Het lijkt er echter nog het meest op dat deze twee disciplines in elkaars verlengde liggen, en dus niet los van elkaar kunnen worden gezien.

Fonologische processen[bewerken]

Fonologie richt zich onder andere op de grammaticale structuur van talen. Sommige fonologische regels houden hier rechtstreeks mee verband. Ze zijn dus specifiek van toepassing op bepaalde morfemen; dergelijke regels worden lexicaal genoemd. Andere regels overstijgen de grammaticale structuur van talen en zijn alleen van toepassing op de klanken als zodanig. We spreken dan van een postlexicale regel.

Een belangrijk onderwerp van studie voor fonologen zijn verder klankwisselingen ofwel alternanties. Een voorbeeld in het Nederlands is verscherping (in het Engels: final devoicing, in het Duits: Auslautverhärtung) van eindklanken. Uit de vergelijking van paren woorden als honden ['ɦondə] - hond [ɦont], huizen ['ɦœyzə] - huis [ɦœys], leven ['leːvə] - leef [le:f] en dergelijke kunnen we opmaken dat Nederlandse woorden nooit eindigen op een van de stemhebbende medeklinkers [d], [z], [b], [v] en [ɣ] (g). In plaats daarvan spreekt iemand die Nederlands als moedertaal heeft een stemloze [t], [s], [p], [f] of [x] (ch) uit. In taalkundig jargon zeggen we dan dat hij de fonologische regel 'verscherping van de eindklank' volgt.

Het is een onderdeel van het aanleren van een vreemde taal dat de fonologische regels van de moedertaal worden toegepast. Een native speaker van het Nederlands zal dus zijn best moeten doen om het Engelse "bed" [bɛd] niet uit te spreken als [bɛt].

Aan verscherping zijn een aantal eigenschappen van fonologische processen in het algemeen te illustreren. In de eerste plaats bestaat er een fonetische motivatie voor: stemhebbende klanken zijn aan het eind van een woord (als er geen klinker volgt) om fysieke redenen lastiger uit te spreken dan stemloze. Eindklankverscherping komt behalve in het Nederlands dan ook in een groot aantal andere natuurlijke talen voor, zoals het Pools, het Russisch, het Duits en het Turks. Tegelijkertijd kunnen we niet stellen dat verscherping een puur articulatorisch effect is van het menselijk spraakapparaat, aangezien er ook legio talen zijn - zoals bijvoorbeeld het Frans en het Engels - die het verschijnsel niet kennen. Een kind dat Nederlands leert moet dus, anders dan bijvoorbeeld een kind dat opgroeit in een Engelstalige omgeving, ook leren dat zijn moedertaal verscherping heeft. Verscherping van de eindklank is daarmee wel degelijk onderdeel van de fonologie van onder andere het Nederlands.

Behalve een synchroon proces van het moderne Nederlands zit er ook een diachrone kant aan de zaak. Ooit moet het Nederlands geen verscherping hebben gehad, en op een bepaald moment zijn Nederlandstaligen de eindklanken dus gaan verscherpen. We kunnen ons afvragen wanneer, hoe en waarom dit gebeurd is: dat is een onderwerp van studie voor de diachrone fonologie. Overigens kent het Nederlands al zolang het in geschreven vorm bestaat verscherping: in middelnederlandse geschriften komen we al vormen als lief tegen naast lieve. In het Fries is de ontwikkeling veel recenter: veel variëteiten van het Fries hebben pas in de loop van de negentiende en soms zelfs de twintigste eeuw verscherping gekregen.

Een ander fonologisch proces dat in heel veel talen voorkomt (maar toevallig niet in de meeste West-Europese) is klinkerharmonie.

Diachroon/synchroon[bewerken]

Er wordt onderscheid gemaakt tussen diachrone en synchrone fonologie. De eerste variant beschrijft hoe klanksystemen in de loop van de tijd veranderen, de tweede variant vooral hoe het klanksysteem van een bepaalde taal op een bepaald moment in elkaar zit, waarbij het gaat om vragen als: welke spraakklanken heeft een bepaalde taal en welke niet, welke lettergrepen kun je wel en niet met combinaties van die klinkers en medeklinkers vormen, waar hangt het van af wanneer op een bepaalde lettergreep de klemtoon ligt, welke omgevingen beïnvloeden de uitspraak van klanken, enzovoorts.

Geschiedenis[bewerken]

De basis van de moderne fonologie wordt wel gelegd bij geleerden als Ferdinand de Saussure, Nikolaj Troebetskoj, Jan Baudouin de Courtenay en Roman Jakobson. Overigens zou men ook kunnen zeggen dat negentiende-eeuwse geleerden als de Junggrammatiker zich reeds bezighielden met (diachrone) fonologie.

Het officiële begin van de moderne (synchrone) fonologie als wetenschappelijke discipline wordt soms wel gelegd in 1928 toen onder andere Troebetskoj en Jakobson spraken op het Internationale Fonetische Congres op het Binnenhof in Den Haag. De fonologie was het paradepaardje en het succesnummer van de zogenoemde structuralistische taalkunde; het (postume, onvoltooide) Grundzüge der Phonologie van Troebetskoj kan worden gezien als een hoogtepunt van het structuralisme. Pioniers van de fonologie in het Nederlandse taalgebied waren onder meer Jac. van Ginneken, Nicolaas van Wijk en A.W. de Groot, die hun belangrijkste fonologische werk schreven in de jaren dertig.

Een belangrijke naoorloogse ontwikkeling was de toepassing van de principes van de generatieve taalkunde op de fonologie. Dit gebeurde in eerste instantie door Noam Chomsky en Morris Halle in hun invloedrijke boek The Sound Pattern of English, dat onder meer inzichten uit het Amerikaanse en Europese structuralisme combineerde.

In de jaren zeventig werd gesteld dat met de regels uit de generatieve fonologie belangrijke (significante) generalisaties niet altijd gevat konden worden. Charles Kisseberth schreef in 1970 een artikel waarin constraints (beperkingen) worden toegevoegd aan regels voor het beschrijven van fonologische processen. Aan het begin van de jaren negentig werd de optimaliteitstheorie geïntroduceerd (Prince en Smolensky 1993). Hiermee werden de tot dan onduidelijke interactie van regels en beperkingen strikt(er) geformuleerd; zo kregen bijvoorbeeld de verschillende mogelijke "oppervlaktevormen" die een woord in de onderliggende vorm kan aannemen een etiket opgeplakt in de vorm van gemarkeerdheid .

In de loop van de jaren negentig van de twintigste eeuw werd de fonologie steeds pluriformer van opzet. Er kwam meer aandacht voor resultaten uit de fonetiek, de experimentele psychologie, de sociolinguïstiek en andere disciplines. Bekende Nederlandse fonologen op dit moment zijn Paul Boersma, Geert Booij, Carlos Gussenhoven, René Kager en Wim Zonneveld.

Transcriptie[bewerken]

Voor nauwkeurige transcriptie van spraak maakt men gebruik van fonetische alfabetten. Het bekendste voorbeeld van een fonetisch alfabet is het International Phonetic Alphabet, dat gebruik maakt van vierkante haken ([ ]). Een vereenvoudigde versie (bijvoorbeeld voor gebruik op computers zonder Unicode) is SAMPA.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties