Allofoon
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Een allofoon is een uitspraakvariant van één bepaalde, minimale klank, die niet tot betekenisverandering leidt. Klankvarianten worden alleen elkaars “allofonen” genoemd:
- als zij deel uitmaken van hetzelfde foneem èn
- als zij elkaar afwisselen op grond van hun plaats in grotere taalbouwsels.
Inhoud |
[bewerk] Foneem en allofoon
Gesproken taal is opgebouwd uit spraakklanken, maar die klanken kan men niet kwantificeren. Er valt niet aan te geven hoe groot of hoe lang een spraakklank is: de è is er een, maar ook een woord als waterreus is een spraakklank. Wel valt te bepalen welke klanken de kleinste betekenisonderscheidende eenheden zijn, en zulke eenheden noemt men fonemen.
- De Nederlandse woorden kit en git verschillen naar hun uitspraak maar in één opzicht. Dat verschil tussen k en g is echter voldoende om ons duidelijk te maken dat het hetzij over een lijmsoort gaat, hetzij over een zwarte steen. Blijkbaar verschillen de k en de g genoeg van elkaar om betekenisverschil mogelijk te maken.
Op grond van die overweging wordt bijvoorbeeld de k wel als “een klank” beschouwd, terwijl hij dat in werkelijkheid niet is.
[bewerk] Allofonenbundel
- In de woorden kit en kat wordt de /k/ geheel verschillend uitgesproken. Volgt er een /i/, dan ligt de /k/ voor in de mond; komt er een /a/, dan achterin. Dit levert echter geen betekenisverschil op: met enige oefening kan een spreker beide [k]’s in zijn uitspraak verwisselen, meestal zonder dat er een ander woord ontstaat. Het betekenisverschil tussen kit en kat wordt de hoorder duidelijk door het verschil tussen de klinkers, de /i/ en de /a/; niet door het verschil tussen de [k]’s. Die blijven beide deel uitmaken van het ene foneem /k/.
Zo’n plaatsgebonden variant binnen een foneem wordt een allofoon genoemd. Er is alleen van allofonie sprake indien één foneem meerdere allofonen telt: daarmee is een foneem in feite een allofonenbundel. Doordat meerdere allofonen kunnen worden beschouwd als onderdeel van dezelfde bundel, hetzelfde foneem, is het verschil tussen allofonen kleiner dan het verschil tussen fonemen: allofonie is een subfonemische variatie.
- In de Nederlandse woorden meet en meer komt hetzelfde foneem /e:/ voor. Maar in het tweede geval is die [e:] iets langer en lijkt ook iets meer op een /i/ dan in het eerste woord. Dit is louter een kwestie van plaats: de positie vóór de /r/ veroorzaakt het verschil.
- In het Nederlandse woord lol komt tweemaal een /l/ voor, maar in beide gevallen is de uitspraak heel anders. Ditmaal wordt het verschil niet veroorzaakt door aangrenzende klanken (zoals bij meet – meer of kit – kat) maar door de plaats binnen het woord. Aan het begin van een lettergreep spreken we een “heldere l” uit, met “i-karakteristiek”; aan het eind een “donkere l”, met “oe-karakteristiek”.
[bewerk] Complementaire distributie
De vorm van het taalbouwsel is dus van invloed op de klank. Daarmee is allofonie een studieonderwerp van de morfofonologie, die de relatie tussen taalvorm en spraakklank bestudeert. Op de ene plaats komt het ene allofoon voor, op de andere plek vinden we het andere. Ze zijn zodanig verdeeld over de verschillende plaatsingsmogelijkheden (begin, midden of eind; naast deze of gene andere klank), dat ze elkaar aanvullen; dit wordt “complementaire distributie” genoemd.
Daaruit volgt niet het omgekeerde. Indien twee klanken complementaire distributie vertonen, zijn ze nog niet elkaars allofoon. Voor het Engels wordt in de literatuur een voorbeeld genoemd dat ook voor het Nederlands geldt: de /h/ kan wel aan het begin van een woord voorkomen, niet aan het eind. Bij de /ng/ geldt het omgekeerde: wel aan het einde, juist niet aan het begin. Taalkundigen verwerpen echter de mogelijkheid dat hier van allofonie sprake zou zijn, in de eerste plaats op intuïtieve gronden. Beide klanken “lijken te weinig op elkaar” om één foneem te vormen. Daarnaast voldoen ze ook niet aan de vervangingstoets: een spreker kan ze niet onderling verwisselen en toch hetzelfde woord behouden.
[bewerk] Situationele gebondenheid
Aangezien allofonen bestaan bij de gratie van hun positie in een groter taalbouwsel (woord, woordgroep), zijn zij geen sociaal of individueel verschijnsel. Bijvoorbeeld:
- Als iemand uit een bepaalde streek met een brouwende /r/ spreekt, heeft dat alles te maken met de streek vanwaar (regiolect) en de sociale klasse waaruit (sociolect) hij afkomstig is. De /r/ zal in alle gevallen brouwen: naast iedere buurklank en in iedere positie. Van allofonie is wat dit betreft, geen sprake.
- Als een spreker wat slist, levert dat geen allofonen op, maar individuele uitspraakvarianten (idiolect).
Niettemin zijn er situationele factoren die bepalen welke allofonen zich voordoen.
[bewerk] Taal
Zoals talen verschillen naar de fonemen die zij kennen, zo variëren zij ook naar de mate waarin en manieren waarop die fonemen als allofonenbundels kunnen worden gezien.
- In het Nederlands bestaat een aantal plofklanken, die zo heten omdat zij, nadat de tong een afsluiting heeft gemaakt, met een bevrijdende plof tot explosie komen: de /p/, de /t/ en de /k/. Deze fonemen bestaan in het Indonesisch ook; alleen klinken zij aan het eind van het woord anders: de explosie blijft uit. Deze allofoon wordt door Nederlanders soms niet als klank herkend, maar is wel degelijk een variant van de /p/, respectievelijk de /t/ of de /k/.
- Omgekeerd is ons verschil tussen de "lichte" en de "donkere l" niet in alle talen aanwezig.
[bewerk] Taalverandering
Maar ook binnen één taal zijn de varianten zelf aan variatie onderhevig. Een taal verandert voortdurend, en daarbij kunnen ook allofonen ontstaan, of juist verdwijnen.
- Begin 2008 constateert onderzoeker Ben Hermans van het Meertens Instituut een nieuwe allofoon van de /l/ in eindpositie. [1] Die klinkt als een /w/:
-
- Je moet niet zo maw doen!
Op het moment dat zo’n taalverandering zich voordoet, valt nog niet te beoordelen of zij tijdelijk zal zijn of blijvend. Zij doet zich doorgaans eerst bij bepaalde groepen in de samenleving voor, en vormt daardoor onderdeel van het sociolect van, bijvoorbeeld, jongeren op straat, hoogopgeleide vrouwen, zakenmensen of welke groepering dan ook.
- De /l/ in eindpositie die wordt uitgesproken als [w], valt waar te nemen in het sociolect van met name hoogopgeleide vrouwen. Binnen dat sociolect is hij een allofoon: de spreeksters gebruiken op andere plaatsen in een woord immers een "gewone" [l].
[bewerk] Theoretische problemen
Overigens doet zich rond het begrip “allofoon” een aantal theoretische problemen voor.
- In de taalkunde wordt er wel aan getwijfeld of het begrip “foneem” eigenlijk houdbaar is. Natuurlijk zijn er betekenisonderscheidende klanken, maar maakt dat het concept “foneem” tot een eenheid? En als het idee op losse schroeven staat, moet dan het begrip “allofoon” niet ook worden verworpen of opnieuw gedefinieerd?
- Allofonen zouden met enige moeite onderling te verwisselen zijn zonder gevolgen voor de betekenis; maar is dat in alle gevallen wel zo? Indien je het woord kit uitspreekt met precies de /k/ van koet (precies: bijvoorbeeld met behulp van een spraakmachine), herkent de hoorder het bedoelde woord dan nog wel?
- Maakt een allofoon wel onderdeel uit van een foneem? In sommige Amerikaans-Engelse dialecten wordt het woord gem met een tamelijk gesloten /e/ uitgesproken, bijna een /i/; dit komt door de erop volgende neusklank. Deze /i/-achtige /e/ zou dus een allofoon van de /e/-klank moeten zijn, zoals die naast ándere klanken voorkomt, in guess bijvoorbeeld.
Maar er is een probleem. De /i/-achtige /e/ klinkt precies zo als de /i/ in Jim, zodat de woorden gem en Jim in deze dialecten niet van elkaar zijn te onderscheiden. Dus: in het tweede geval, Jim, zou die klank juist een allofoon zijn van de /i/ in jig.
De /e/ van guess en de /i/ van jig zijn twee verschillende fonemen. Hoe kunnen twee verschillende fonemen nu een en hetzelfde allofoon delen? - In het Nederlands heeft de stemloze /k/ een stemhebbende allofoon: in woorden als zakdoek zorgt de stemhebbende /d/ ervoor dat ook de /k/ stemhebbend wordt, en wordt uitgesproken als een [g] (vgl. Frans grand, Engels go). Maar een scherpe /k/ mag ook: blijkbaar is er dus geen betekenisverschil. Maar hoe zit dat met goal, dat door vele Nederlanders ook weer wordt uitgesproken als “kool”? Er lijkt geen probleem te zijn: of je de beginklank nu stemhebbend of stemloos maakt, je wordt begrepen. Maar als je het omkeert? Als je kool bedoelt (“steenkool”, “wittekool”), kun je dat dan ook met een stemhebbende [g] laten beginnen? Zijn de scherpe [k] en de stemhebbende [g] nu wel of niet allofonen binnen het foneem /k/?
- In sommige gevallen wordt het verschil tussen twee fonemen geneutraliseerd. Aan het begin van een Nederlands woord kan het verschil tussen een /t/ en een /d/ tot een verschil in betekenis leiden: tal, dal. Maar aan het eind van een woord komt alleen de stemloze [t] voor, ook al werd hier vroeger een [d] gezegd: bedde werd bed, maar daardoor kwam de [d] in eindpositie en zeggen we /bet/. Betekent die neutralisatie nu dat we aan het eind van een woord van allofonie moeten spreken? Sommige taalkundigen menen dat allofonie iets anders is dan het neutraliseren van dergelijke fonologische oppositie. Anderen nemen juist een nog extremer standpunt in en vinden dat zelfs bij de Duitse ablaut sprake is van allofonie: verlier – verlor; evenzo bij ons loop – liep.
[bewerk] Literatuur
- Fontani, Philip, “Frisse fouten. Waarom een taal altijd en eeuwig zal veranderen”, in Quest, januari 2008
- Frawley, William. J. (ed. in chief), International Encyclopedia of Linguistics, Oxford 20033
| Bronnen, noten en/of referenties: |
|

