Kalief

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een kalief (Arabisch: خليفة chalifa: opvolger, plaatsvervanger, rentmeester) staat aan het hoofd van een kalifaat. In de geschiedenis wordt meestal bedoeld het islamitische rijk maar er waren ook andere (hiervan afgeleide) kalifaten. In 1924 werd het kalifaat door Mustafa Kemal Atatürk afgeschaft.

Definities[bewerken]

De term khalif in de zin van de mens als Gods vertegenwoordiger op de aarde in de Koran, heeft in de Arabische wereld pas tijdens de dynastie van de Omajjaden een politieke lading gekregen als een persoonlijke titel van de sultans. De kalief werd sinds die tijd beschouwd als een erfelijke opvolger, maar dan alleen in wereldlijke aangelegenheden, als leider van de oemma, en niet als profeet. De kalief was weliswaar leider van de gelovigen, maar liet de interpretatie van de Koran en de Hadith over aan de oelema of schriftgeleerden. De belangrijkste taak van de kalief was om het rijk te besturen en het geloof te vertegenwoordigen en te beschermen. 'Kalief' is ook een begrip uit de Koran, dat ongeveer gelijk is aan het christelijke begrip 'rentmeesterschap'. Het betekent verzorger en onderhouder van de aarde. Volgens de Koran werd Adam door God op aarde als kalief aangesteld.

Soennieten en sjiieten[bewerken]

De twee hoofdstromingen binnen de islam, het soennisme en het sjiisme verschillen van mening wie de eerste kalief was. Volgens de soennieten was Aboe Bakr de eerste kalief. De sjiieten betwisten dit, omdat zij van mening zijn dat de titel van kalief alleen geërfd kan worden. Zij zien Mohammeds neef Ali als eerste kalief, terwijl de soennieten Ali beschouwen als de vierde kalief. De sjiieten hebben als argument dat Mohammed zelf, toen men terugkwam van de bedevaart naar Mekka, de hand van Ali opstak en zei dat men na hem Ali moest volgen.

De vier rechtgeleide kaliefen van het soennisme[bewerken]

De eerste vier kaliefen die na de dood van Mohammed regeerden, worden door soennitische moslims de rechtgeleide kaliefen of rasjidoen genoemd. Bij het systeem van opvolging speelden familiebanden geen rol. Het tijdperk van de 'rechtgeleide kaliefen' duurde van 632 tot 661.

De eerste kalief in het soennisme was Aboe Bakr, de schoonvader van Mohammed. Wat betreft het politieke, religieuze en militaire leiderschap over de oemma werd hij in 632 de opvolger van Mohammed. Hij begon de grote Arabische veroveringen, waarbij niet lang na de dood van Mohammed het hele Arabisch Schiereiland onderdeel werd van het eerste kalifaat. Verder werden ook delen van Syrië en Mesopotamië veroverd.

De tweede kalief was Omar, dit was de keuze van Aboe Bakr. Omar breidde het islamitische rijk verder uit door delen van het Byzantijnse Rijk te veroveren zoals Egypte, Palestina en een groot deel van Syrië. In deze tijd werden eveneens het resterende deel van Mesopotamië en het westen van Perzië door de Arabieren veroverd.

Uthman (of Othman) werd, na Omars plotselinge dood, als derde kalief gekozen. Onder zijn leiding gingen de Arabische veroveringen verder, en werden ook Libië en het oostelijk deel van Perzië onderdeel van het Arabische Rijk. Omtrent de opvolging van Uthman bestond echter veel onenigheid, en volgend op een opstand in 656 werd hij vermoord, volgens de overlevering terwijl hij de koran aan het lezen was. Die koran wordt bewaard in Tasjkent.

Mohammeds neef en schoonzoon Ali was de vierde, en laatste rechtgeleide, kalief. Volgende op de moord op zijn voorganger Uthman, ontstond rondom de verkiezing van Ali het grootste schisma in de islam: dat tussen soennieten en sjiieten. Voor de sjiieten stond Ali op een heel belangrijke plaats, alleen Mohammed zelf was belangrijker dan hij. Tijdens Mohammeds leven trok Ali veel met hem op, en er zijn diverse verhalen die gaan over Mohammed en Ali. Ali vocht mee in alle vroege oorlogen van de islam. Ook Ali werd vermoord, in 661 in de stad Koefa. Nadat Ali was vermoord greep Moe'awija I, de stichter van de Omajjaden-dynastie, de macht en kwam er een einde aan de tijd van 'rechtgeleide' kaliefen.

Omajjaden, Abbasiden en Ottomanen[bewerken]

Ali werd opgevolgd door zijn oudste zoon Hassan, die kort daarna vergiftigd werd. Ali's tweede zoon Hoessein trok het kalifaat naar zich toe, maar werd in 680 vermoord.

Tegelijkertijd regeerden de Omajjaden vanuit Damascus. Aangezien de meeste moslims de Omajjaden steunden, werd de leider der Omajjaden als kalief beschouwd. De Omajjaden werden door de Abbasiden in 750 verslagen, waarna de Abbasiden de kalief leverden vanuit Bagdad.

De kalief in Bagdad verloor door diverse oorzaken aan macht en daarmee aan invloed. In 946 veroverden de Boejiden, een sjiitische stam uit Iran, zelfs Bagdad, waarna de kalief vrijwel geen invloed meer had. Uiteindelijk werden de Abbasiden in 1258 door het Mongoolse Rijk verslagen.

Hoewel vrijwel alle familieleden van de kalief in een grote 'ceremonie' werden vermoord door de Mongolen, konden enkelen vluchten naar het vrije Egypte. Hier waren sinds de Slag bij Ain Djaloet de Mamelukken aan het bewind. Zij verwelkomden de Abbasiden en installeerden een van hen als kalief. Deze zogenaamde Caïro-kaliefen hadden geen macht en vervulden slechts ceremoniële taken bij de troonsbestijging van een nieuwe sultan.

De Caïro-kaliefen werden in 1517 bij de verovering van Caïro door Selim I van het Ottomaanse Rijk afgezet. Sindsdien werd de titel van kalief gedragen door de Ottomaanse sultan. De laatste kalief was Abdülmecit II, de opvolger van de laatste Turkse sultan. Abdülmecit II regeerde van 19 november 1922 tot 3 maart 1924. De Turkse Grote Nationale Vergadering, die de monarchie had afgeschaft, wilde aanvankelijk het kalifaat laten voortbestaan, maar schafte het anderhalf jaar later al af.

Hoessein ibn Ali, de Sjarif van Mekka, riep zich hierna uit tot kalief, maar dit werd niet geaccepteerd door zijn rivaal Abdoel Aziz al Saoed, die Hoessein vrijwel direct aanviel en versloeg. Al Saoed weigerde de titel van kalief.

In 1926 kwamen afgevaardigden van de verschillende moslimlanden bijeen om te praten over een eventuele nieuwe kalief, maar de besprekingen eindigden zonder resultaat. Tot op heden (2011) is er nog steeds geen (algemeen aanvaarde) kalief gekozen.

Het kalifaat Córdoba[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Kalifaat Córdoba voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Abd al-Rahman I, de enige overlevende van de dynastie der Omajjaden, die net in Damascus waren afgezet door de Abbasiden, wist te ontkomen naar Spanje, dat toen door moslims werd overheerst. Hij stichtte er een onafhankelijke staat met hemzelf als emir en Córdoba als hoofdstad. Zijn nakomeling Abd al Rahman III riep zich in 929 uit tot kalief. De Omajadische kaliefen van Córdoba bleven aan de macht tot 1031.

Het kalifaat der Fatimiden[bewerken]

In het begin van de tiende eeuw wist Ubaydullah al-Mahdi, de leider van de ismaïlitische stroming binnen het sjiisme, de macht te veroveren in het huidige Tunesië. Hij beweerde af te stammen van de kalief Ali en zijn vrouw Fatima Zahra, dochter van Mohammed, vandaar dat zijn dynastie bekendstaat als de Fatimiden. Volgens de sjiieten berust de leiding van de islam erfelijk bij nakomelingen van Ali. Hoewel de erfelijke sjiitische leiders gewoonlijk als imam worden aangeduid, nam Ubaydullah in 909 de titel kalief aan. De Fatimiden veroverden in korte tijd het grootste deel van Noord-Afrika en een deel van het Midden-Oosten, maar hun macht werd uiteindelijk beperkt tot Egypte. In 1171 werd de laatste Fatimidenkalief afgezet door Saladin, die daarmee het gezag van de soennitische kalief van Bagdad herstelde.

Het kalifaat der Almohaden[bewerken]

De titel kalief werd ook gedragen van door de heersers van de Berberse Almohaden-dynastie, die een eigen, puriteinse vorm van islam leidden en van 1145 tot 1289 over een groot deel van Noord-Afrika en Zuid-Spanje heersten. Hun opvolgers van de Hafsiden droegen ook de titel van kalief.

Zie ook[bewerken]