Schaken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
SchaakstukkenV.l.n.r.: witte koning, zwarte toren en dame, witte pion, zwart paard en witte loper
Schaakstukken
V.l.n.r.: witte koning, zwarte toren en dame, witte pion, zwart paard en witte loper

De term schaken is een aanduiding voor verschillende bordspellen. Zo is er Chinees schaken (Xiangqi) en Japans schaken (Shogi). Natuurlijk is er ook westers schaken, wat in het Westen veruit het bekendst is. Dit schaken is een strategisch bordspel voor twee spelers. Het spel wordt gespeeld op een vierkant bord met 64 velden. Bij de beginopstelling hebben beide spelers zestien speelstukken (1 koning, 1 dame, 2 torens, 2 lopers, 2 paarden en 8 pionnen). Om de beurt doen de spelers een zet, waarbij voor elk speelstuk eigen regels gelden. Het doel van het spel is de tegenstander schaakmat te zetten. Naast de fysieke bordvariant bestaat tegenwoordig ook de computervariant waarop doorgaans een bord gesimuleerd wordt. Ook kan men dan doorgaans 'tegen de computer' spelen middels schaakprogrammatuur die vaak instelbaar is op speelsterkte (die wordt uitgedrukt in de ELO-rating), de diepte van doordenken van zetten en tempo.

Een belangrijk punt waarmee schaken zich van de meeste andere gezelschapsspelen onderscheidt, is dat het toeval geen enkele rol speelt in het verloop, het winnen of verliezen hangt niet af van geluk, maar volledig van de acties van de spelers. Heel anders is dit bij spelen met dobbelstenen en/of kaarten (Ganzenbord, Monopoly,...), waar het toeval vaak de doorslaggevende factor is. Een ander belangrijk verschil met gezelschapsspelen is dat beide spelers over precies dezelfde informatie beschikken, dit bijvoorbeeld in tegenstelling tot Stratego waarbij de stukken van de tegenstander alleen voor de tegenstander bekend zijn. Hoewel in het schaken het spel in principe volkomen uitrekenbaar is, is het aantal mogelijke varianten zo groot, dat zowel mens als computer daartoe tot heden niet in staat waren.

Inhoud

[bewerk] Oorsprong en geschiedenis

Het schaakspel is erg oud, daardoor is er niet veel bekend over het ontstaan en de vroegste geschiedenis.

Het woord schaak is afkomstig van het Perzische woord shāh, dat koning betekent. De term schaakmat is een vernederlandsing van het Perzische shāh māta, hetgeen betekent: de koning zit in een hinderlaag of de koning is verslagen.

De eerste versie van schaken is waarschijnlijk in de zesde eeuw of eerder in Oost Perzië, nu Noord-India, ontstaan onder de naam chaturanga; later verspreidden verschillende versies zich oostwaarts naar China en Japan en, in de vorm van Shatranj, westwaarts richting de Arabische wereld om via Italië en Spanje uiteindelijk tijdens de 11e eeuw in heel Europa door te dringen. De huidige vorm van het schaakspel ontstond aan het eind van de 15e eeuw in Frankrijk, toen de dame met haar huidige machtige mogelijkheden haar intrede deed. Daarom wordt schaken ook wel een koninklijk spel genoemd. Recentelijk gaan er stemmen op dat de oorsprong van het schaakspel niet in India ligt, maar in China of Oezbekistan.

In Oost-Azië bestaan ook andere vormen van het schaakspel: Chinees schaken (Xiangqi), het Japanse Shogi, Janggi in Korea en Makruk in Thailand.

[bewerk] Spelregels

Beginopstelling
8 rd nd bd qd kd bd nd rd
7 pd pd pd pd pd pd pd pd
6
5
4
3
2 pl pl pl pl pl pl pl pl
1 rl nl bl ql kl bl nl rl
a b c d e f g h

Een schaakspel bestaat uit een vierkant bord met 64 gelijke vierkante velden, waarvan afwisselend een veld licht (wit) en een veld donker (zwart) van kleur is. Het wordt verdeeld in horizontale rijen van acht velden, 1-8, en verticale lijnen (deze worden ook wel kolommen genoemd, maar dat is geen officiële term) van acht velden, a-h. Het bord moet zo neergelegd worden dat de hoekvelden rechts van de spelers, h1 en a8, wit zijn.

Iedere speler krijgt 16 speelstukken. Dit zijn een koning, een dame, twee torens, twee lopers, twee paarden en acht pionnen. Meestal zien de stukken van de beide spelers er hetzelfde uit; het enige onderscheid is veelal de kleur. De stukken van de ene speler, over het algemeen de lichter gekleurde stukken, worden aangeduid als "wit", de andere als "zwart". De speler met de witte stukken begint. Hoewel er een uitdrukking wit begint, zwart wint is, geeft het beginnen een voorsprong.

Elk van de speelstukken heeft een eigen manier van verplaatsen over het bord. Een stuk mag niet bewegen naar een veld waar al een eigen stuk staat; als een stuk beweegt naar een veld waar al een stuk van de tegenstander staat, wordt dit van het bord genomen ("geslagen"). Uitzonderlijk hierbij is de pion, die bij slagzetten anders beweegt dan bij gewone zetten. Het is niet mogelijk een stuk van de eigen kleur te slaan. Een stuk mag niet worden bewogen voorbij een ander stuk behalve het paard dat over andere stukken heen kan 'springen'.

Het woord 'stuk' heeft in het schaakspel nog een andere betekenis: vaak wordt het gebruikt om onderscheid te maken tussen de (zwakke) pionnen en de (veel sterkere) overige schaakfiguren, waarbij alleen de laatste als 'stuk' worden aangeduid. De dame en de toren heten ook wel de zware stukken, en het paard en de loper de lichte stukken.

De officiële spelregels worden vastgesteld door de wereldschaakorganisatie FIDE en worden door de KNSB in het Nederlands vertaald. De huidige versie is vastgesteld in oktober 2004 en geldt vanaf 1 juli 2005 (zie Externe links). Hieronder enkel de belangrijkste punten.

[bewerk] Stukken

Algemene bewegingskenmerken:

  • Na uitvoering van een zet mag op elk veld hooguit 1 schaakstuk staan.
  • Stukken mogen niet verder bewegen dan de rand van het bord.
  • Stukken mogen niet verder bewegen dan tot een veld dat door een eigen stuk is bezet of tot en met een veld dat door een stuk van de tegenstander is bezet (uitzondering: het paard).
  • Eindigt een zet op een veld dat wordt bezet door een vijandelijk stuk, dan wordt dit geslagen (van het bord genomen).
  • Stukken bewegen bij slaan op dezelfde manier als bij gaan (uitzondering: de pion).
  • Een speler mag geen zet doen waarbij zijn eigen koning schaak komt te staan of blijft staan.

Specifieke bewegingskenmerken:

  • De koning begint op e1 (wit) of e8 (zwart). De koning mag naar keuze naar een van de aangrenzende velden bewegen (dat zijn er maximaal acht).
  • De dame begint op d1 (wit) of d8 (zwart). De dame mag naar keuze horizontaal, verticaal of diagonaal bewegen.
  • De toren begint op a1, h1 (wit) of a8, h8 (zwart). De toren mag naar keuze horizontaal of verticaal bewegen.
  • De loper begint op c1, f1 (wit) of c8, f8 (zwart). De loper mag diagonaal bewegen.
  • Het paard begint op b1, g1 (wit) of b8, g8 (zwart). Een paardzet bestaat uit een beweging van 1 veld diagonaal en dan in het verlengde daarvan 1 veld horizontaal of verticaal. Het tussenliggende veld mag hierbij bezet zijn, m.a.w.: het paard mag springen.
  • De pion begint op de tweede (wit) of de zevende rij (zwart). De pion beweegt uitsluitend één veld recht vooruit, behalve vanuit de beginpositie: dan mag de pion ook twee velden recht vooruit. De pion slaat echter niet recht vooruit, maar één veld diagonaal vooruit. Dat mag ook als een pion van de tegenstander dat veld zojuist door een zet van twee velden voorbijgegaan is: het en passant slaan. Een pion die de overkant bereikt promoveert.
  • Er zijn twee zetten waarbij twee stukken verplaatst worden: de rokades. Hierbij wordt de koning van het beginveld twee plaatsen zijwaarts in de richting van een hoek verzet, en komt de toren uit die hoek op het veld dat de koning gepasseerd is.

[bewerk] Duur van een spelbeurt

Een digitale schaakklok
Een digitale schaakklok

Indien er met klok gespeeld wordt, heeft de speler de beurt, totdat hij deze indrukt. De klok mag pas worden ingedrukt nadat de zet op het bord volledig is uitgevoerd. Voor het uitvoeren van de zet en het indrukken van de klok moet dezelfde hand worden gebruikt.

Indien er zonder klok gespeeld wordt, wordt algemeen de regel gehanteerd dat de tegenstander aan de beurt is zodra de speler het gespeelde stuk heeft losgelaten.

Een eigen stuk, dat aangeraakt wordt, moet gespeeld worden, tenzij dat onmogelijk is; een stuk van de tegenstander dat men aanraakt, moet men slaan, tenzij dat onmogelijk is. Wanneer een van de stukken niet precies op zijn veld staat, kan men het goed zetten, maar dat moet aangekondigd worden (anders geldt de verplichting het te zetten of te slaan). Traditioneel gebeurt dat in het Frans: J'adoube (= ik zet recht).

[bewerk] Einde van het spel

Zie Einde partij (schaken) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Men wint het spel door de tegenstander schaakmat te zetten. Dit houdt in dat men de koning aanvalt (dreigt te slaan op de volgende zet), en dat het voor de tegenstander onmogelijk is een zet te doen om dit te voorkomen. De partij is hiermee onmiddellijk afgelopen. De koning wordt normaliter dus niet daadwerkelijk geslagen. Als de koning schaak staat, maar niet schaakmat, wordt de koning wel aangevallen, maar is er nog een tegenzet mogelijk. Dat kan op drie manieren:

  • Door de koning te verplaatsen
  • Door een stuk tussen het schaakgevende stuk en de koning in te zetten (werkt niet als het schaakgevende stuk een paard is)
  • Door het schaakgevende stuk te slaan.
Schaakmat - De verliezer heeft zijn verlies erkend door de koning neer te leggen.
Schaakmat - De verliezer heeft zijn verlies erkend door de koning neer te leggen.

Het spel kan ook worden gewonnen als de tegenstander het hopeloze van zijn situatie inziet en de partij vrijwillig opgeeft. Het doorspelen van een volstrekt uitzichtloze stelling wordt als onsportief beschouwd.

Indien de speler die aan zet is geen enkele reglementaire zet kan doen en niet schaak staat, dan is het pat. Het is dan remise, wat ook de partij beëindigt. Er is nog een aantal andere remisemogelijkheden, waaronder de vijftigzettenregel, herhaling van zetten (zie ook vijftigzettenregel) en eeuwig schaak.

Daarnaast kan een speler ook remise aanbieden, wat door de tegenstander geaccepteerd of verworpen kan worden. Het aanbod kan mondeling worden verworpen, of door een zet te doen. Als het aanbod geaccepteerd wordt is de partij remise, en is daarmee afgelopen. Onredelijke of overmatige remise-aanbiedingen kunnen worden beschouwd als het hinderen van de tegenstander en kunnen door de arbiter worden bestraft (doorgaans tijdstraf).

Een goede manier om te leren schaken is het volgen van de stappenmethode, die zich vooral concentreert op patroonherkenning.

[bewerk] Schaakpartij

Een schaakpartij wordt ingedeeld in drie fasen, de opening, het middenspel en het eindspel. Vanuit de beginpositie is een groot aantal reeksen van zetten en tegenzetten geanalyseerd waarvan bekend is of die uiteindelijk voordelig zijn voor wit, of voor zwart. Dit zijn de openingen. Na de opening, als de stukken ontwikkeld zijn, begint het middenspel, waarin de spelers proberen door het behalen van kleine voordelen de overmacht in het spel te krijgen. Als er over en weer veel stukken zijn geslagen, en de koning een actievere rol begint te krijgen, breekt de fase van het eindspel aan.

[bewerk] Complexiteit

Het aantal reglementaire stellingen op het schaakbord ligt naar schatting tussen 1043 en 1050, en de speltheoretische complexiteit is bij benadering 10123. De speltheoretische complexiteit van het schaakspel werd als eerste benaderd door Claude Shannon (grondlegger van de informatietheorie) zijnde 10120, het "Shannon getal". Vanuit een 'gemiddelde' stelling (middenspel) zijn er dertig tot veertig reglementaire zetten mogelijk, maar het kunnen er ook nul zijn (bij schaakmat of pat) of maar liefst 218. Zie ook: speltheorie.

[bewerk] Grote toernooien in Nederland

[bewerk] Zie ook

Een schaakspeltafel in een park
Een schaakspeltafel in een park

[bewerk] Schaakorganisaties

[bewerk] Externe links

Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Chess op Wikimedia Commons.

 
Persoonlijke instellingen