Vijftigzettenregel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De vijftigzettenregel is een spelregel in het schaakspel, waardoor een partij in remise kan eindigen. Wanneer er door beide spelers vijftig zetten zijn gespeeld zonder dat een pion is verzet of een stuk is geslagen kan een speler remise opeisen. De speler die dit doet moet de eis onderbouwen met een volledig ingevuld notatieformulier.

De formele regel (uit de FIDE schaakregels):

Aanhalingsteken openen

De partij is remise, als een aan zet zijnde speler terecht claimt dat

  • er met de door hem op het notatieformulier genoteerde en aan de arbiter meegedeelde zet de situatie is bereikt, dat er met de laatste 50 opeenvolgende zetten van beide spelers geen pion is verzet en niets is geslagen, of
  • er met de laatste 50 opeenvolgende zetten van beide spelers geen pion is verzet en niets is geslagen.
Aanhalingsteken sluiten

Doel[bewerken]

Het doel van de vijftigzettenregel is te voorkomen dat iemand door mag blijven spelen zonder daadwerkelijk iets te ondernemen. Bijvoorbeeld:

  1. De witspeler heeft winnend overwicht behaald. De matvoering is echter moeilijk. Als wit dan niet binnen vijftig zetten mat zet, is het remise.
  2. Het spel is theoretisch remise, maar wit staat sterker. Wit zou kunnen winnen als zwart een fout maakt. Wit weigert daarom het remisevoorstel en speelt door, in de hoop dat zwart een fout maakt.

De vijftigzettenregel is een verscherping van een andere regel, namelijk dat een speler remise kan opeisen als driemaal dezelfde stelling op het bord is geweest met dezelfde speler aan zet (herhaling van zetten). Er zijn namelijk heel veel mogelijke stellingen, zodat het lang kan duren voordat dezelfde stelling opnieuw op het bord verschijnt.

Onomkeerbare zetten[bewerken]

De telling van 50 zetten begint opnieuw als er een pion is verzet of iets is geslagen. Dit komt misschien merkwaardig voor. De reden is dat dergelijke zetten onomkeerbaar zijn. Daarna is het onmogelijk om een eerdere stelling nogmaals te bereiken (in dezelfde partij).

Hierbij zijn een aantal complicaties mogelijk:

  • Ook de rokade is in feite onomkeerbaar: de stukken kunnen wel weer terug worden gezet, maar het is dan niet meer mogelijk om te rokeren.
  • Hetzelfde geldt voor een zet waardoor het recht op de rokade geheel of gedeeltelijk wordt prijsgegeven, dus als een koning of toren voor het eerst wordt verplaatst. De rokade is verspeeld als de koning is verplaatst óf als beide torens zijn verplaatst.
  • Als na een zet met een pion de tegenpartij recht heeft op en passant slaan, dan is dat een stelling die niet meer terug kan komen in dezelfde partij. Wordt er en passant geslagen, dan is dat natuurlijk een pionzet (dus onomkeerbaar); wordt er niet en passant geslagen dan is dat eveneens onomkeerbaar. Immers het recht om en passant te slaan wordt prijsgegeven.

De complicatie van onomkeerbare zetten is van belang voor:

Kritiek[bewerken]

De regel stond en staat bloot aan kritiek. Toen duidelijk werd dat matvoering in sommige eindspelen, zoals twee lopers en koning tegen paard en koning, meer dan vijftig zetten duurt, werd de regel in voorkomende gevallen veranderd in een honderdzettenregel. Deze wijziging is echter teruggedraaid, en de vijftigzettenregel geldt in elke situatie, en niet alleen in eindspelen.

Een dergelijke situatie komt overigens slechts zeer zelden voor. De regel is er om te voorkomen dat schakers alleen maar stukken heen en weer schuiven en verder niets ondernemen.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]