Schaaknotatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Schaaknotatie is de wijze waarop zetten worden vastgelegd.

In de schaaksport is het gebruikelijk om de zetten die gespeeld zijn op te schrijven zodat de schaakpartij later nagespeeld en geanalyseerd kan worden. Het noteren van de zetten is verplicht bij officiële partijen; de notatie kan dan ook in voorkomende gevallen door de scheidsrechter gebruikt worden om beslissingen te staven.

Notatie door Fischer. De hier gebruikte Angelsaksische notatie is thans niet meer geoorloofd.

Inleiding[bewerken]

Aan elk veld op het bord is een coördinaat toegekend: vanuit het standpunt van wit lopen de rijen (horizontaal) van 1 tot en met 8, en de lijnen (verticaal) van a tot en met h. De witte stukken staan bij het begin van de partij dus op de eerste en tweede rij; de zwarte stukken op de zevende en achtste. Op basis hiervan bestaan twee notaties.

Stukken[bewerken]

De stukken worden in de regel aangeduid met de beginletter. Dit is steeds een hoofdletter, terwijl de lijnen worden aangeduid met een kleine letter. De letter is afhankelijk van de taal. In een gedrukte tekst voor een internationaal publiek worden er soms symbolen gebruikt in plaats van letters.

Nederlands Engels Duits Frans Russisch Internationaal
Koning King König Roi Кр (Korolj)
Dame Queen Dame Dame Ф (Ferz)
Toren Rook Turm Tour Л (Ladia)
Loper Bishop Läufer Fou С (Slon)
Paard kNight ¹ Springer Cavalier К (Konj)
¹ ook wel Kt
voor de pion wordt in de schaaknotatie de letter of het symbool weggelaten

Lange en korte notatie[bewerken]

Men maakt onderscheid tussen een lange en een korte notatie. Wordt een schaakpartij in twee kolommen genoteerd, dan gebruikt men meestal de lange notatie. Daartussen wordt vaak commentaar geplaatst met alternatieve zetten, en daarvoor wordt de korte notatie gebruikt.

Bijvoorbeeld:

13 Pa4-b6 d4-d3
14 Lf1×d3
Noodzakelijk, anders volgt 14 ... Db1#
14 ... Db7-b2

De lange notatie[bewerken]

Men noteert de letter of het symbool van het te zetten stuk (zie tabel hierboven), het veld waar het stuk vanaf komt, een liggend streepje en het veld waar het stuk naartoe gaat, bijvoorbeeld: Pa3-b5. Als er een stuk genomen wordt, wordt het liggend streepje vervangen door een kruisje: bijvoorbeeld Pa3×b5.

De korte notatie[bewerken]

Bij de korte notatie wordt meestal niet vermeld waar het stuk vandaan komt. Men noteert de letter of het symbool van het te zetten stuk, en het veld waar het naartoe gaat. Bijvoorbeeld Da4 betekent: Dame gaat naar veld a4. Bij een pionzet wordt alleen genoteerd waarheen de pion gezet wordt: e4.

Er moet bij de korte notatie steeds op gelet worden dat de notatie niet dubbelzinnig is. Als er twee gelijke stukken zijn die naar hetzelfde veld kunnen, dan wordt eerst de rij of de kolom genoteerd waar het stuk vandaan komt. Bijvoorbeeld: Tae4 betekent: de toren op a-lijn gaat naar e4, terwijl er een andere toren op de 4e rij, of e-lijn staat, die ook naar e4 kan worden gespeeld. Een voorbeeld waarbij één van de torens op de d-lijn verplaatst wordt is T4d3.

Het slaan van een stuk dient genoteerd te worden met een '×' tussen de beginletter van het stuk en het veld van aankomst: T×d3. Als er met een pion geslagen wordt, dan moet de lijn van vertrek worden aangegeven (ook als er maar een pion is die op dat veld kan slaan), daarna een '×', dan het veld van aankomst: f×e7. Soms schrijft men geen '×' maar een dubbele punt na het veld van aankomst: Td3:, fe7:.

Rokade[bewerken]

Voor rokades is er een aparte notatie:

  • korte rokade: 0-0
  • lange rokade: 0-0-0

Computerprogramma's noteren een rokade soms als een zet met de koning, bijvoorbeeld Ke1-g1. Dat geeft geen verwarring, omdat dit geen geldige koningszet kan zijn anders dan de rokade.

Verdere toevoegingen[bewerken]

Achter deze notaties kan nog worden aangegeven:

Een remiseaanbod wordt genoteerd met (=).

Angelsaksische of Engelse notatie[bewerken]

Een verouderde notatievorm is de Angelsaksische of Engelse beschrijvende notatie. Men vindt deze notatie vooral in oudere Engelstalige boeken.

Alle stukken worden met een letter aangeduid, dus ook de pion (met de P van pawn).

De lijnen hebben de naam van het stuk dat daar in beginstelling staat (R, N, B, Q of K), zo nodig aangevuld met de vleugel. De lijnen a, b, c, d, e, f, g, h heten dus: QR, QN, QB, Q, K, KB, KN, KR, waarbij de Q of K mag worden weggelaten als er geen verwarring is.

De rijen worden geteld vanuit de speler die aan zet is. Het veld b5 heet dus QN5 als wit aan zet is en QN4 als zwart aan zet is.

Wordt een stuk geslagen, dan noteert men het geslagen stuk.

Wordt schaak gegeven, dan wordt in de Engelse notatie meestal ch (check) gebruikt, maar een kruisje komt ook voor.

Voor de rokade schrijft men castles, eventueel aangevuld met QR of KR als er aan weerszijden gerokeerd kan worden. De notatie 0-0 of 0-0-0 is ook bekend.

Voorbeelden:

Algebraïsch Angelsaksisch Uitgebreider
1. e2-e4 1. P-K4
1... d7-d5 1... P-Q4
2. Lf1-c4 2. B-B4 BKB1-QB4
2... d5×e4 2... P×P PQ4×PK5

Annotaties voor zetten[bewerken]

In boeken worden verder de volgende aanduidingen achter zetten gebruikt:

  • Een sterke zet: !
  • Een zeer sterke zet: !!
  • Een interessante zet: !?
  • Een dubieuze zet: ?!
  • Een slechte zet: ?
  • Een blunder: ??

Deze aanduidingen hangen natuurlijk af van het oordeel van de schrijver.

Een zet krijgt een uitroepteken als het een sterke zet is die niet voor de hand ligt. Een dergelijke zet is vaak zeer geschikt als sleutelzet in een schaakprobleem. Een openingszet als 1. e2-e4 is ongetwijfeld een sterke zet en een zet waarmee de tegenstander mat wordt gezet kan ook niet als een blunder worden beoordeeld. Toch zal men deze zetten niet van een uitroepteken voorzien.

Nummering[bewerken]

De zetten worden genummerd vanaf 1, waarbij een paar van zetten (één van wit en één van zwart) samen genummerd worden. Zo volgt op de eerste zet van wit, de eerste van zwart: 1.e4 e5 2.f4 e×f4. Als na, bijvoorbeeld, de tweede zet van wit commentaar wordt ingevoegd, wordt daarna de zet van zwart voorafgegaan door 2.... Bijvoorbeeld: 1. e4 e5 2.f4 koningsgambiet 2...e×f4.

Gaat men uit van een bepaalde stelling, dan kunnen de zetten vanaf 1 genummerd worden. Men ziet dit vaak in schaakproblemen. De opgave is bijvoorbeeld "Wat moet wit in deze stelling doen?" en het antwoord is "1. Pe4-f6!" hoewel het in werkelijkheid beslist niet de eerste zet van de partij is.

Uitslag[bewerken]

Aan het einde wordt aan de zettenlijst de uitslag toegevoegd:

  • wit heeft gewonnen: 1-0
  • zwart heeft gewonnen: 0-1
  • remise : 1/2-1/2

Bij het correspondentieschaak wordt de uitslag als volgt genoteerd:

  • Keres 1 Aljechin: de witspeler Keres wint van Aljechin
  • Boey 0 Gottardi : de witspeler Boey verliest van Gottardi
  • Kruse 1/2 Simmelink: de partij is remise

PGN (Portable Game Notation)[bewerken]

Schaakdatabaseprogramma's, zoals ChessBase en ook andere schaakprogramma's, gebruiken veelal PGN als bestandsformaat om partijen met elkaar uit te wisselen. Schaakwebsites gebruiken vaak PGN-bestanden om partijen aan te bieden aan de bezoeker, bijvoorbeeld van een bepaald toernooi of een bepaalde speler.

Het PGN-formaat is een gewoon tekstformaat dat je ook zonder schaakprogramma kunt lezen. Voor de notatie van de zetten wordt de korte notatie gebruikt, waarbij de stukken met de Engelse letters worden aangeduid.