Lidwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een lidwoord of artikel is een woord dat geplaatst kan worden voor een zelfstandig naamwoord en in bepaalde constructies ook voor een bezittelijk voornaamwoord. Het heeft als voornaamste functie de bepaaldheid aan te duiden. Daarnaast kan een lidwoord ook andere informatie over het naamwoord verschaffen, in het Nederlands bijvoorbeeld over het woordgeslacht ervan (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig), of over de grammaticale functie van het naamwoord d.m.v. verbuiging in naamvallen.

Nederlands[bewerken]

Het Nederlands maakt onderscheid tussen lidwoorden op basis van bepaaldheid en het woordgeslacht. Bij bepaalde lidwoorden wordt verwezen naar iets dat eerder is vastgesteld. Bijvoorbeeld: in de zin "Heb jij de kat gevonden?" is eerder vastgesteld om welke of wat voor kat het gaat, terwijl het in de zin "Heb jij een kat gevonden?" gaat om een kat in het algemeen.[1]

Bepaalde lidwoorden[bewerken]

Het Nederlands kent in de nominatief twee bepaalde (of bepalende) lidwoorden:

  • de, mannelijk of vrouwelijk (overkoepelend ook wel "zijdig" genoemd)
  • het, onzijdig. In gesproken taal vaak klemtoonloos uitgesproken als 't.

Het wordt enkel gebruikt vóór een enkelvoudig onzijdig woord. Om een meervoud aan te duiden wordt altijd de gebruikt. Voorbeelden:

  • de sleutel (mannelijk enkelvoud, dus de)
  • het sleuteltje (onzijdig enkelvoud, dus het)
  • de sleuteltjes (meervoud, dus de)
  • het huis (onzijdig enkelvoud, dus het)
  • de huizen (meervoud, dus de)

Onbepaald lidwoord[bewerken]

Het Nederlands kent in de nominatief slechts één onbepaald (of onbepalend) lidwoord:

  • een. In gesproken taal vaak uitgesproken als 'n.

Het onbepaalde lidwoord een wordt in het Nederlands enkel gebruikt vóór een enkelvoud, om een onbepaald meervoud aan te duiden wordt simpelweg géén lidwoord gebruikt. Voorbeeld:

  • Daar staat een huis (onbepaald enkelvoud, dus een)
  • Daar staan huizen (onbepaald meervoud, dus geen lidwoord)

De zuidelijke dialecten van het Nederlands kennen nog een tweede onbepaald lidwoord, namelijk ne of nen, dat gebruikt wordt vóór een onbepaald mannelijk enkelvoud, bijvoorbeeld "ne stier", "nen auto".

Ontkennend lidwoord[bewerken]

Het ontkennend lidwoord geen (in de nominatief) duidt op de afwezigheid van iets of op een samengenomen werkwoordelijke ontkenning. Voorbeeld:

  • We hebben geen kaas meer. (duidt op de afwezigheid van kaas)
  • Dat is geen goede grap. (werkwoordelijke ontkenning, want: Dat is niet een goede grap)

Verbuiging lidwoorden[bewerken]

Een-groep[bewerken]

In principe worden de bezittelijke voornaamwoorden mijn, jouw, zijn, haar, ons, jullie, hun en het ontkennend lidwoord geen vervoegd zoals het onbepaalde lidwoord een, bijvoorbeeld: Dat is zijns inziens een slecht idee (eens inziens). In het meervoud bestaat er geen onbepaald lidwoord in het Nederlands, daarom is in het schema het woord geen gebruikt.

Verbogen lidwoorden[bewerken]

lidwoorden[2]
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig alle geslachten
nominatief de — een de — een (ene) het — een de — geen (gene)
genitief des — eens der — ener des — eens der — gener
datief de(-n) — een (enen) de(-r) — een (ener) het (den) — een (enen) de(-n) — geen (genen)
accusatief de (den) — een (enen) de — een (ene) het — een de — geen (gene)

Verbuigingen van het bijvoeglijke naamwoord[bewerken]

Ook het bijvoeglijk naamwoord werd (wordt) onder invloed van het lidwoord in het Nederlands verbogen in de naamvallen, deze krijgen in de naamvallen anders dan de nominatief en de accusatief (met uitzondering van mannelijk enkelvoud en meervoud in de accusatief en oorspronkelijk ook meervoud in de nominatief) en -n als uitgang

verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord, bepaald[3]
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig alle geslachten
nominatief de oude man de aardige vrouw het krakkemikkige huis de rode(-n) bloemen
genitief des ouden mans der aardigen vrouw des krakkemikkigen huizes der roden bloemen
datief den ouden man der aardigen vrouw den krakkemikkigen huis den roden bloemen
accusatief den ouden man de aardige vrouw het krakkemikkige huis den roden bloemen

Verbogen lidwoorden (ene, ener, enes/des, der, den) worden nauwelijks nog gebruikt (daarom staan de oorspronkelijke verbuigingen tussen haakjes in het schema). Sinds de jaren tachtig is bijvoorbeeld commissaris van de Koning(in) gangbaarder dan commissaris der Koningin of des Konings (CdK). Bij procureur des Konings is echter alles bij het oude gebleven, net als in bepaalde namen en staande uitdrukkingen:

Daarnaast kent het Nederlands nog enkele oudere verbuigingsvormen.

Generiek en categoraal[bewerken]

Men spreekt in het Nederlands ook nog van generische en categoriale lidwoorden.

Een generisch lidwoord ziet eruit als een gewoon bepaald lidwoord, maar het is niet specifiek voor het woord waar het bij staat.

  • De mens is sterfelijk

Het spreekt vanzelf dat we hier niet een specifiek iemand op het oog hebben, maar bedoelen dat sterfelijkheid een kenmerk van alle mensen is, van de mens in het algemeen.

Een categoriaal lidwoord ziet eruit al een onbepaald lidwoord, maar slaat eigenlijk op een hele categorie. Een meervoud heeft dit lidwoord, net als haar onbepaalde zuster, niet.

  • De jongen is bang voor een slang

Uiteraard is de jongen niet bang van één enkele slang, maar van alle soorten. Dit lidwoord slaat op de hele slangencategorie (De jongen is bang voor slangen).

Lidwoord voor een bezittelijk voornaamwoord[bewerken]

Bij een aantal (zelfstandig gebruikte) bezittelijke voornaamwoorden, waaronder mijne, jouwe, zijne, hare, onze, hunne, kunnen ook lidwoorden staan.

  • Dat huis is het mijne.
  • Mijn zus is groter dan de jouwe.

Voornaamwoord (vnw)[bewerken]

Het woord het kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn. Het wordt uitsluitend gebruikt voor een onzijdig onderwerp of voorwerp en kan niet worden voorafgegaan door een voorzetsel.

  • Ik weet het echt niet.
  • Waar is het paard? Ik heb het naar de wei gebracht.

Oorspronkelijk was dit alleen t[bron?], maar onder invloed van het lidwoord is het veranderd in 't (met een apostrof ervoor) of het.

Ook kan het voorkomen als een onbepaald voornaamwoord:

  • Het sneeuwt.

Lidwoorden in andere talen[bewerken]

Aangehechte lidwoorden[bewerken]

In de Noord-Germaanse talen wordt een bepaald lidwoord doorgaans gehecht aan het zelfstandig naamwoord in kwestie:

  • in het Zweeds: granatträdetde granaatappelboom (maar: ett granatträd — een granaatappelboom).
  • in het Deens: kirkegårdende begraafplaats (maar: en kirkegård — een begraafplaats).
  • in het Noors: lyktestolpende lantaarnpaal (maar: en lyktestolpeeen lantaarnpaal).
  • in het Faeröers: hushet huis (maar: eitt hus — een huis).
  • in het IJslands: glugginnhet raam (maar: gluggi (het IJslands kent geen onbepaalde lidwoorden) — een raam).

De talen beperken zich echter niet tot aangehechte lidwoorden. Zodra er een bijvoeglijk naamwoord in het spel komt, komt er ook een niet-aangehecht bepaald lidwoord bij:

  • in het Zweeds: Det friska granatträdetde gezonde granaatappelboom.
  • in het Deens: Den dystre krikegårdende sombere begraafplaats.
  • in het Noors: Den grå lyktestolpende grijze lantaarnpaal.
  • in het Faeröers: Tað gamalt hushet oude huis.

Aangehechte lidwoorden komen ook in andere talen voor:

Lidwoorden waar het Nederlands die niet gebruikt[bewerken]

Weer andere talen gebruiken een lidwoord waar in het Nederlands geen lidwoord staat, zoals in het Frans en Duits.

Frans
  • le pain - het brood (het ding)
  • du pain - brood (als stofnaam)
  • des maisons - huizen (om een onbepaald meervoud aan te duiden)
  • il mange du fromage - hij eet kaas (Dit is een derde soort lidwoord, het article partitif)
Duits
  • Aber da läuft der Karl! - Maar daar rent Karl!
  • Du kennst doch die Marie. - Je kent Marie toch.

Wanneer men in het Duits over een bekende spreekt, kan het bepaald lidwoord toegevoegd worden dat past bij het geslacht van diegene. In sommige Nederlandse dialecten komt dit ook voor, althans wanneer het om mannen gaat.

Talen zonder lidwoorden[bewerken]

Lang niet alle talen hebben lidwoorden. Voorbeelden van talen zonder lidwoorden zijn het Latijn, het Russisch en het Fins. Andere talen, waaronder het Iers, kennen alleen een bepaald lidwoord.

Ook het Nederlands kende oorspronkelijk geen lidwoorden[bron?]; in het Oudnederlands ontbraken ze nog, het Middelnederlands kende ze echter al wel. Ze zijn ontstaan uit verzwakte vormen van het aanwijzend voornaamwoord die en het telwoord een.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Begrippenlijst
  2. H. Coppé: Nederlandsche spraakkunst in drie leergangen voor de middelbare scholen, colleges, athenea en normaalscholen, Brugge 1920, achtste druk, p. 14 en 15.
  3. H. Coppé: Nederlandsche spraakkunst in drie leergangen voor de middelbare scholen, colleges, athenea en normaalscholen, Brugge 1920, achtste druk