Aanwijzend voornaamwoord
Het aanwijzend voornaamwoord of pronomen demonstrativum is het voornaamwoord met een verwijzende waarde, die nadrukkelijker is dan die van andere voornaamwoorden.
Inhoud |
[bewerken] Vormen
[bewerken] Niet-zelfstandig en zelfstandig gebruik
Een aanwijzend voornaamwoord dat een functionele relatie heeft met een ander naamwoord in dezelfde zin c.q. hoofd- of bijzin, noemen we niet-zelfstandig gebruikt.
- Dit huis is prachtig.
Er zijn daarentegen ook zelfstandig gebruikte aanwijzend voornaamwoorden. De relatie betreft er dan een met een niet (in dezelfde zin) genoemd object.
- Ik wil rode bloemen. Die vind ik mooier.
[bewerken] Verbuiging
- de-woorden enkelvoud
- deze (voor dichtbij)
- die (voor veraf of niet-aanwezig)
- gene, gindse (voor veraf, verouderd)
- zo'n, zo een (volledige vorm van zo'n), zulk een
- het-woorden enkelvoud
- dit (voor dichtbij)
- dat (voor veraf of niet-aanwezig)
- ginds (voor veraf, verouderd)
- zo'n, zo een (volledige vorm van zo'n), zulk een
- zulks (Archaïsch, in formeel taalgebruik nog gebezigd om herhaling van dat te voorkomen)
- Het verbaast me dat zulks kan gebeuren.
- meervoud
- deze (voor dichtbij)
- die (voor veraf of niet-aanwezig)
- gene, gindse (voor veraf, verouderd)
- zulke
[bewerken] Genitiefvormen
In geschreven, formeel, dan wel archaïsch taalgebruik komen de genitiefvormen van die en deze nog wel voor.
- Die (vrouwelijk en meervoud)
- dier
- De moeder dier kinderen
- Die (mannelijk en onzijdig)
- diens
- Je kent Jakob; diens vrouw ligt in het ziekenhuis
- deze (vrouwelijk en meervoud)
- dezer
- Een dezer dagen voornamelijk in versteende uitdrukkingen
- deze (mannelijk en onzijdig)
- dezes
- vrijwel uitgestorven, komt nog wel voor in de vaste uitdrukking schrijver dezes, waarin een (brief)schrijver naar zichzelf verwijst.
| Bronnen, noten en/of referenties |
| Woordsoorten |
|---|
|
achterzetsel · bijvoeglijk naamwoord · bijwoord · eigennaam · ideofoon · lidwoord · telwoord (hoofdtelwoord · rangtelwoord · telbijwoord) · tussenwerpsel · voegwoord · voornaamwoord (aanwijzend · betrekkelijk · bezittelijk · onbepaald · persoonlijk · temporeel · uitroepend · vragend · wederkerend · wederkerig) · voorzetsel · werkwoord · zelfstandig naamwoord |